Brief van Gerke Keimpes Veenstra, geboren te Rijperkerk op 9 november 1789 overleden 1 september 1813 in
het hospitaal nr.3 te Dantzig aan de gevolgen van koorts, wonende te Rijperkerk zoon van Keimpe Reinders
Veenstra en Trijntje Keimpes, (overleden).
Loteling mairie Hardegarijp lichting 1809 lot nr.6 marine; 17e Equipage van de vloot, 5e comp.; 1811/1812 in
het hospitaal te Boulogne; op 22 maart 1812 met zijn onderdeel te Munster; 04 oktober 1812 te Elbing
(O.Pruisen); wordt 08 maart 1813 te Pilau (O.Pruisen) waarschijnlijk door de Pruisen gevangen genomen; wordt
eind 1814 als vermist opgegeven; zijn laatste bericht was van 04 okober 1812 uit Elbing (O.Pruisen);
Gerke Keimpes wordt waarschijnlijk eind 1811 opgenomen in het hospitaal te Boulogne sur Mer (
Nrd.Frankrijk) wegens verwondingen aan zijn borst. Vanuit dat hospitaal schrijft hij op 13 maart 1812 (?) de
volgende brief (niet in orgineel overgeleverd):
Ik Gerke Keimpes doe u weten, dat ik nog in Boulogne in ’t hospitaal ben, dat ik in redelijke welstand ben,
mijn borst heb ik nog wat open, dat zal mogelijk niet licht weggaan.
Maar anders ben ik goed gezond en ook ordentelijk fleurig nadat ik geweest ben, dat steekt heel wat uit, en wat
een blijdschap zal dit u zijn.
En wat een dankbaarheid ben ik verschuldigd aan de Drieenige God voor zulk een gezondheid, da ik zo
wonderlijk gesteld was. En dat is nu ordentelijk goed. Ik lust nu goed eten, ik ben hongerig mag ik wel zeggen,
en ik ben gereserveerd om haast uit ’t hospitaal te gaan. Maar ik was er al lang uit geweest, maar ik vreesde dat
ik het weer zou krijgen.
Om u iets te schrijven hoe het hier in’t hospitaal is, wij krijgen hier best wittebrood en vlees en ook goede brij
en pruimen en witte boontjes. Best eten krijgen we, maar nu ik gezond ben krijg ik lang niet genoeg daarvan.
Maar ik heb nog ruimte van geld, daar de meesten niets hebben, nu heb ik nog nooit gebrek aan eten gehad in ’t
hospitaal, het vlees is hier goedkoop in ’t hospitaal; wel de helft goedkoper dan op de markt.
We hebben ook goede bedden om op te slapen, en alle weken krijgen we schone hemden aan, en alle morgens
komt de dokter bij ons.
En we kunnen ook rode wijn krijgen, ordentelijk zoo veel als ons lust, en we hebben beste warme kachels om
ons te warmen.
Maar de mensen zijn daar allen Roomsgezind, hier is geen één Gereformeerde kerk, en ik geloof ook van geen
één mens of hij is Rooms, maar zij verrichten wel godsdienst, bijna alle dagen komen de priesters en de pastoren
in het hospitaal bij de zieken. Zij spreken ook zo watHollands omdat zij leeraarss zijn, maar Gereformeerden
zijn hier niet.
Ik heb nog een bijbel bij me in ’t hospitaal, nu kan ik schoon wat lezen, daar heb ik mooi tijd toe en een ander
wil hem zo graag eens hebben, want zij kunnen hier geen Gereformeerd Boek krijgen, omdat ze alle Rooms zijn.
En ook zijn ze alle Franse, zodat wij er niet van verstaan kunnen.
Ik moet ook even schrijven hoe het hier met de tijd is.
Wij hebben hier al wat sneeuw gehad, maar nog een ijs en dat het half een mens houden kan, meest regen.
Ik heb nog niets gekregen van het land als schoenen, maar mijn klederen liggen al klaar bij de “Verrier”; wij
krijgen blauwe monstering. Als ik uit hospitaal ben, krijg ik ze terstond.
Hier in Frankrijk zijn de jongelieden in de dienst des Keizers, meest alle, men ziet hier weinig dan oude mensen
en vrouwen, en de anderen zijn all onder den dienst. Hier in Boulogne hoort ge alle dagende trommen en
krijgsmuziek en ontzagelijke schoten van ’t kanon.
De jonge Conchoi ( =consrits) moet nu schieten meet ’t kanon om dat te leren.
De Engelsen zijn hier bijna dagelijks in gezicht en voor de wal. Onze kanonniers hebben al wakker naar hun
geschoten, we konden de kogels in ’t water zien vliegen, en de Engelsen schoten ook al weerom, en dat gaat
meest alle dagen dat wij ze zien.
Maar op onze schepen is het nog heel slecht naar ik hoor, en ook door de koude.
En ik loof bij zomerdag zal ’t er wel beteren als bij ’t winter. De Hollanders zijn dat koulijden niet gewend. Dat
wachthouden is zulk koud werk, dat vele krijgen ’t er van op de borst.
Nu geliefde ouders, wat zal deze brief u aangenaam zijn, veel meer als dat andere dat ik weer gebeterd ben.
Maar de Heere is niets te wonderlijk. Hij kan ook nog weder vrede geven, dat wij nog weer komen mogen en dat
de Heere mij maar in gezondheid spaart, dan is ’t nog niets.
Geliefde Ouders, Broeders het valt mij zwaar dat ik zo van u moet scheiden, maar als de Heere mij maar
gezondheid geeft, wees dan niet al te bedroefd, want hetis de wil van God.
Zeker het komt vast van de zonden en ongerechtigheden van ons.
Maar geliefde vader, ik wens dat gij mij, en ik u nog eens in gezondheid mag aanschouwen en mij geliefde
moeder die mij van jongs af heeft opgevoed, alsof zij mijn eigen moeder was, daarom kleeft mijn harte ook zeer
vast aan haar, en geliefde broeders, het valt mij zwaar dat ik uzo moet verlaten, maar ik wens de Heere zal ons
nog bijelkaar doen komen.
En gij geliefden in mijn vaders Huis, ik wens dat deze brief u nog in gezondheid mag aantreffen.
Wees van mijn gevoel gegroet, gij ouders, broeders, zusters, en mijn ganse familie. Vooral Gerbenoom, groet
Sietsoom ook voor al zijn weldaad aan mij bewezen, ook Harmenoom, en neef Keimpe Aans, groet die ook
vooral, want het valt hem zwaar, en allen die mijn vrinden zijn en goede kennissen. Groet ook vooral Tunnis
Gerrits, mijn kameraad,
Ik wens dat de Heere zal geven dat wij allen elkander in gezondheid mogen aanschouwen.
Maar de brief dien gij mij op de de Febr. Gestuurd heb, die heb ik nog niet ontvangen. Maar deze brief is goed
overgekomen met tien gulden in de wissel.
Hoe het met Jillis’ lichaam gegaan is weet ik niet, want hij is bij nacht gestorven, mar ik leide in een andere
zaal, maar zo komen in geen kiste gelijk bij ons.
Nu scheid ik uit met de pen geliefden, maar niet met het hart.
Deze brief was als volgt geadrresseerd:
Deese brief te besorgen tot Leeuwarden,
DepartementWest-Friesland.
Verders tot Rijperkerk in ’t Canton Bergum.
Aan Keimpe Reinders tot Rijperkerk
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Gerke Keimpes Veenstra | ||||||||||||||||||
Toegevoegd via een Smart Match
Stambomen op MyHeritage
Familiesite: Onze naam is Hooijenga sinds 1811
Familiestamboom: 115137981-14