Oorzaak: verdronk toen hij de bemanning van een gestrande Noorse Bark redde.
Hij is getrouwd met Trijntje Jacobs van der Meij.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
De grafstenen van Jan Eeuwes Visser en zijn vrouw Trijntje Jacobs van der Meij zijn op Ameland nog bewaard gebleven. Op de grafsteen van Jan Eeuwes Visser staat:
Rustplaats van Jan Eeuwes Visser
echtgenoot van Trijntje Jacobs van der Meij
Geboren den 6 decenber 1806, overleden 25 augustus 1861, in den ouderdom van ruim 55 jaren
Bestuurder der Reddingsboot is hij tot redding van menschen leven verdronken
Dat hij rust in Vrede
In onderstaand artikel worden ook P.T. Visser en A.H. Visser genoemd. Een familieband tussen deze personen en Jan Eeuwes Visser is onbekend. Op Ameland leefden in die tijd verschillende families Visser.
De tekst uit het boek het reddingwezen op Ameland 1824 - 1988 (een uitgave van de stichting Paardenreddingsboot Ameland, door Jan A. Blaak)
Een noodlottige redding
In de vroege morgen van 25 augustus 1861 strandde om 4.00 uur, tussen de kapen van Ballum en Hollum, ten noorden van "Het Koudenburg" de Noorse bark "Dieppe Packet" van kapitein Lars M. Mörck, die met een lading gezaagd hout op weg was van Christiania naar Dieppe. Het verslag van een ooggetuige werd in het Algemeen Weekblad op de voorpagina gepubliceerd en van een redactioneel commentaar voorzien. Beide artikelen laten we hier in hun geheel volgen.
Schipbreuk van 25 augustus 1861
Geachte vriend,
Hollum op Ameland, 27 augustus 1861
Zeer zeker heeft hier nog nooit ene stranding plaats gehad, waaraan voor ons zulke treurige herinneringen verbonden zijn, als die, waarvan wij eergisteren getuige waren en waarbij vijf onzer iegene dorpgenoten, zoo ongelukkig het leven verlooren hebben. Niet weinig deelende in de algemene verslagenheid, zal ik tragten u enige bericht te geven van het gebeurde, dat wel niet zal nalaten, ook bij de lezers van uw weekblad medegevoel op te wekken. Reeds vroeg in de morgen van den 25e juli verspreide zich hier het gerucht, dat er een schip was gestrand. Later bleek dit te zijn de Noorse bark genaamd Dieppe Packet, de kapt L.M. Mörck op reis van Christiania naar Dieppe met een lading zou (of hout). Zulk een gerucht brengt natuurlijk het geheele dorp binnen weinige oogenblikken in opschudding en beweging. Lang duurde het dan ook niet, of alles was op het strand aanwezig wat maar dienen kon, om de bedreigde schepelingen te hulp te komen. Hoezeer de storm uit het Noorden niet zoo buitengewoon was, stond de zee evenwel in volle woede en joeg met onbeschrijflijke kracht de opgeruide baren strandwaarts. Onwillekeurig kromp elks hart ineen bij het zien van de ongelukkige schepelingen, die met hun masteloos en welligt brekend schip, temidden van de kokende brandingen, aan de woedende elementen ten prooi waren. Het ontbreekt hier evenwel niet aan zeelieden die wetende wat het zegt in nood te zijn, ook het hart in het lijf hebben, om iegen leven te wagen, waar dat van anderen bedreigd wordt. Meer dan voldoende bieden er zich aan om de Reddingboot te bemannen en den gevaarvollen togt te ondernemen. Maar wat baten de edelste aandrift, de onverschrokken moed, de Rapste handen, waar zulk een veel sterkere vijand moet worden overwonnen! Zesmaal wordt de boot te water gebragt, en met inspanning van alle kragten beproefd om tegen wind en golven op te werken. Zesmaal slaat de boot vol water en is men genoodzaakt onverrigter zake terug te keeren. Eindelijk - het is reeds Elf uur geworden - ziet men dat er van het schip een kleine vlet wordt te water gelaten. Twee man van de Equipage springen erin, steekt ter juister oogenblik af, en wordt O wonder! Al rijzende en dalende, soms regt op het eind, nu eens gezien en dan weer onzigtbaar, voor de voortrollende watermassa op het drooge gebragt. Nu schijnt de grootste zwarigheid overwonnen te zijn, daar met behulp van de lijn die aan de vlet was vastgemaakt, een tros van het schip naar het strand kon worden gehaald. Voor de zevende maal wordt nu de Boot te water gebragt. Om zoveel meer schipbreukelingen te kunnen innemen, moeten er sommige de boot verlaten, die daartoe niet dan noode te bewegen zijn. Vijf mannen (wie zou ze niet gaarne bij name genoemd zien?) J.E. Visser, de gewone stuurman, P.T. Visser, B.P. Moris, S.D. van der Waag en A.H. Visser, blijven er in over. Aanvankelijk schijnt de togt te zullen gelukken. Doch naauwelijks is men halverwege het schip genaderd of de Boot geraakt dwarszee (vermoedelijk is de tros waaraan men zich vasthield, niet strak genoeg gespannen geweest) slaat in een oogenblik onderste boven en doet de wakkere bemanning in de diepte neder storten. Maar wie beschrijft nu de schrik en de ontzetting en verwarring, die hier op het strand werd teweeg gebragt, de wanhoop van een Vader, een Zoon en een Paar Broeders, die hunne dierbare betrekkingen met eigen oogen in de golven zien omkomen, de algemene verslagenheid der dorpelingen, de hartverscheurende droefheid der vrouwen en kinderen, als de verpletterende tijding van het lot hunner egtgenooten en Vaders wordt meedegedeeld! Mogt het ook aan andere onzer dorpsgenoten gelukken, om enige tijd later met de reddingboot van Nes, die inmiddels ontboden was, en beter tegen een holle zee berekend te zijn de tien nog overige manschappen, van het schip af te halen, de vreugde daarover die zoo groot had kunnen zijn, werd nu verdrongen door de algemene treurigheid. Men denkt en spreekt hier voortdurend over bijna niets anders, en beschouwt het als een onheil, dat het geheele dorp getroffen heeft. En hoe zou het ook anders kunnen zijn, daar men ze allen kende als brave oppassende mannen, die voor eenigen tijd, van hunne verschillende reizen in het midden hunner familiën teruggekeerd, nu zoo en op zoo smartelijk eene wijze uit den schoot hunner nu hulp behoevende gezinnen zijn weggerukt. Wij juichen het toe, dat sommige zich tot eene commissie vereenigd hebben om in het belang der vijf weduwen en vijftien wezen werkzaam te zijn en tot verzagting van hun lot, de weldadige medewerking onzer edelmoedige landgenoten in te roepen. Wij wenschen van heelen harte, dat zij hunnen pogingen met een gezegenuitslag mogen bekroond zien!
Uw vriend.
Bij de toezending van dit eenvoudig roerend verhaal wordt ons het verzoek gedaan om plaatsing in ons weekblad onder de nieuwstijdingen of in de agterste kolommen, desnoods verkort. Wij antwoorden den geerden inzender, die bljkbaar ooggetuige was van dit treffend ongeval, door zijn verslag woordelijk te plaatsen aan het hoofd van ons blad, opdat het door geen onzer talrijke lezers wordt over het hoofd gezien, opdat het de harten roere en opene tot Christelijke liefdadigheid. Is die deugd het kostbaar iegendom van het Nederlandsche volk, en vertoon zich bij elke ramp, van verre of nabij: hier waar het ongeluk het gevolg is van edele zelfopoffering en zugt om menschen te redden, hier zal de hulpvaardigheid des te minder achterblijven en van verre blijven staan, waar hulp wordt gevraagd. De berigtgever vraagt ons of de advertentie door ons zal geplaatst worden als ze ons later toegezonden wordt, wij wachten de toezending niet af, maar verklaren ons van ganscher harte beried, om de giften der liefde die men offeren wil, in ontvang te nemen, aan de bestaande commissie op te zenden en daarvan wekelijke verslag te doen. Namens de redactie van het algemeen weekblad.
J. Schuitenmaker
Een les uit deze reddingoperatie was dat de reddingboot niet meer uit mocht varen zonder "drijftoestel" of scaphander. Voor weduwen van de omgekomen redders werden gelden ter ondersteuning ingezameld. Ook de Redding-Maatschappij droeg het nodige bij. De weduwen kregen van de NZHRM gedurende 10 jaar een bedrag van f 40,- per jaar. Met de middelen die de reddingmaatschappij destijds ten dienste stonden konden zij niet veel méér doen. Wel kregen de weduwen nog het één en ander uit de opbrengst van de verkoop van het dichtbundeltje dat ds P. Beets uit Zijpekarspel reeds in 1840 over het vrouwtje van Stavoren had vervaardigd. Het gedicht was in eerste instantie gemaakt na de ondergang van een Amelander beurtschip in de Zuiderzee. Gelukkig kon men na het ongeluk in Hollum snel een bemanning samenstellen voor de reddingboot die inmiddels weer zeeklaar was gemaakt.