Hij is getrouwd met Maria Hendrika Fleurbaaij.
Zij zijn getrouwd op 17 december 1919 te Hilversum (Nh), hij was toen 27 jaar oud.
Beroep: Chef Hofmeester (a/b ms. Poelau Bras" van de Stoomvaart Maatschappij "Nederland" (SMN)
Het vrachtschip ms. "Poelau Bras" (Indonesisch voor 'Island rice') werd op 07-03-1942 omstreeks 11.40 uur door vliegtuigen van het Japanse vliegdekschip "IJN Hiryu" gebombardeerd en tot zinken gebracht in de Indische Oceaan, ten noordwesten van Christmas Island (10.00' S - 105.00' E).
Geschiedenis.
Op 27 februari 1942 wist de Poelau Bras veilig de haven van Tjilatjap te verlaten. Op 4 maart bereikte ze de Wijnkoopsbaai op Java.(Pelabuhanratoe, Wijnkoopsbaai, Indische Oceaan, ten Zuiden van Buitenzorg,West-Java) Op 6 maart kwam er een afdeling van 100 man van de Koninklijke Marine aan boord waaronder waarnemend Commandant Zeemacht J. J. A. van Klaveren [= van Staveren / Schout-bij-Nacht J.J.A. van Staveren]. De Poelau Bras was teruggeroepen om de marinetop te evacueren. Daarnaast kwam er nog een grote groep personen aan boord waaronder 28 topfunctionarissen van de B.P.M. en bemanningsleden van Shell en andere S.M.N.-schepen die al eerder getroffen waren of hun schepen zelf tot zinken hadden gebracht. De Poelau Bras had slechts accommodatie voor 56 passagiers en de chaos aan boord was dan ook groot.
Het schip was bewapend met aan stuur- en bakboord een Bofors-machinegeweer in een geschutskoepel en op het achterschip een 10,2-cm kanon.
Op 6 maart 1942 om 20.00 uur verliet ze de Wijnkoopsbaai met als bestemming Colombo (Sri Lanka), alwaar Vice-Admiraal C.E.L. Helfrich reeds aangekomen was om een nieuw hoofdkwartier in te richten. De marinemensen hadden op diverse plaatsen op het schip nog eens 16 mitrailleurs geplaatst, ter bescherming bij een eventuele luchtaanval. De machinekamer werd aangemaand door kapitein P. G. Crietée, om maximaal vermogen te leveren. Dit om zo snel mogelijk uit de gevarenzone te komen. Men veronderstelde dat de Poelau Bras rond het middaguur uit het actieradiusgebied zou zijn van de Japanse vliegtuigen. Alle bewapende posten waren bezet.
Poelau Bras aangevallen.
Op 07 maart 1942 omstreeks 10.30 uur verscheen er een Japans verkenningsvliegtuig. Om ca. 11.40 uur verschenen er duikbommenwerpers boven de Poelau Bras die de aanval inzetten. Het waren Japanse Aichi D3A "Val"-bommenwerpers, afkomstig van het Japanse vliegdekschip "Hiryu". In totaal voerden 12 vliegtuigen verdeeld in drie formaties de aanval uit. Ontsnappen was een onmogelijke zaak. Een bom raakte een reddingssloep aan stuurboord en ontplofte op de waterlijn ter hoogte van de machinekamer. Er ontstond een gat en water stroomde de machinekamer in waardoor de Sulzer-motor afsloeg. Als een weerloos slachtoffer dreef ze rond, zwaar bestookt door de duikbommenwerpers. Een voltreffer sloeg recht in de schoorsteen en brand brak uit. Het tegenvuur had weinig effect op de aanvallende vliegtuigen.
Ondergang van de Poelau Bras.
Kapitein Crietée gaf orders het schip te verlaten, waarna hij alleen achter bleef op de brug. Door het aanhoudende mitrailleurvuur van de bommenwerpers durfden velen niet via de sloepen van boord te gaan, maar sprongen toch in paniek overboord. Toen de vliegers van de Japanse bommenwerpers merkten dat het schip ten onder zou gaan, begonnen ze de reddingssloepen te beschieten die gestreken waren. Men mag wel veronderstellen dat de Jappen op de hoogte waren, dat een deel van de marinestaf aan boord was. Overal liepen spionnen rond. Uiteindelijk werden vier van de zeven sloepen vernietigd en konden er slechts drie gestreken worden, evenals twee vlotten. Toen de sloepen nog maar enkele honderden meters van de Poelau Bras verwijderd waren, verhief de boeg zich rechtstandig omhoog en zonk snel over de achtersteven weg, naar de diepte van de zee. Nadat de Japanners zagen dat het schip gezonken was, liet men de schipbreukelingen en drenkelingen in zee achter. Ze keerden terug naar hun vliegkampschip Hiryu. De Poelau Bras werd tot zinken gebracht op positie 10°00' zuiderbreedte en 105°00' oosterlengte in de Indische Oceaan, nabij Java.
Het noodlot.
Het aantal slachtoffers was slechts bij benadering aan te geven en werd geschat op 240 tot 300 opvarenden. In de drie reddingssloepen bevonden zich 116 overlevenden. Na acht dagen van ontbering, licht gekleed in de brandende zon, karige waterrantsoenen en ontstekingen door overkomend zeewater, bereikten ze een klein eiland, waar voor de branding voor anker werd gegaan. Op het eiland werden vooral kokosnoten meegenomen. Daar blijven had weinig zin en bij de volgende landing, bij Semangkabaal op Sumatra, werden ze gevangengenomen door de Japanners. Vandaar werden ze per trein overgebracht naar Palembang waar ze een jaar verbleven. Veel van de opvarenden zijn gedurende de oorlogsjaren in Jappenkampen om het leven gekomen.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.