Zij is getrouwd met Nicolaas Bernardus Fuchten.
Zij zijn getrouwd op 4 november 1886 te Amsterdam (Nh), zij was toen 27 jaar oud.
Beroep: Dienstbode
Met grote dank aan A.J. van der Zeeuw (www.at16home.demon.nl/Index.htm) voor de navolgende informatie:
I DE HERKOMST EN HET FAMILIEWAPEN
Het geslacht Korenhof is van Waalse of Noord-Franse afkomst. De vroegste met zekerheid bekende stamvader emigreerde naar Leiden tussen 1596 en 1602, nadat hij eerst een aantal jaren met zijn gezin in Norwich had gewoond. Waar zij precies vandaan kwamen, is uit de geraadpleegde Nederlandse archivalia (incl. de 'Waalse fiches') en de beschikbare Engelse literatuur (1) niet op te maken. Een goede kans maakt echter Doornik (Tournai) of naaste omgeving. Niet alleen waren enkele huwelijkspartners in Nederland afkomstig uit Doornik, protestantse Doornikse families hadden ook in de late zestiende eeuw zeer duidelijke redenen om hun gebied te ontvluchten. De stad werd in die jaren in ernstiger mate dan welke andere plaats in de Nederlanden ook getroffen door de terreur van de Bloedraad, met bijvoorbeeld ruim 1000 veroordelingen wegens ketterij in 1571 (2). Ter vergelijking: het veel grotere Antwerpen had in dat jaar 525, Brugge 149 veroordelingen, Leiden 83 en Gouda 'slechts' 6. Dit betreft overigens wel alle veroordelingen, niet alleen die tot de dood, dus ook verbeurdverklaringen van goederen, verbanning e.d. Het bekende heraldische werk van Rietstap, Armorial Général, geeft voor de familie Graincour, afkomstig uit het graafschap Artois (N-Frankrijk), een familiewapen: in sinopel (= groen) drie gouden kepers ('sergeantsstrepen'). Hierbij moet wel bedacht worden, dat Rietstap (hoewel hij te goeder trouw tewerk ging) niet altijd volledig juiste informatie gaf. Absolute garantie dat het hier een familiewapen Graincour/Korenhof betreft, kan ik dus niet geven.
II DE VERSPREIDING VAN HET GESLACHT
Voor wat Nederland betreft ligt de oorsprong van het geslacht Korenhof dus in Leiden, en tot op de huidige dag woont daar een vrij groot aantal naamdragers. Op het einde van de achttiende eeuw ontstonden vanuit Leiden een Amsterdamse tak die al snel uitstierf en een Groningse tak. Vanuit Groningen werden vervolgens Zutphen en Amsterdam 'gekoloniseerd'. Een Arnhemse tak ontstond vanuit Leiden. Kleinere of grotere kernen Korenhof elders in het land dateren van ver na het midden van de 19e eeuw. Laat in de 19e eeuw emigreerde een Haagse Korenhof naar Zuid-Afrika, waar hij de stamvader werd van een uitgebreid geslacht. Uitgebreide informatie betreffende de Groningse tak ontving ik van de heer J. Feyen. Mevr. C. de Vries Zielstra verschafte daarnaast nog aanvullende gegevens, waarvan ik graag gebruik heb gemaakt. De heer J. Korenhof verschafte mij vrijwel alle gegevens omtrent de Zuid-Afrikaanse naamdragers. Van Mevr. H. Robinson ontving ik een uitgebreide ‘Ahnenliste’ van een Duits geslacht Korenhof/Kornhoff, die zij ontvangen had van de heer R. Kornhoff in Bergisch Gladbach (D). Ik heb die ‘Ahnenliste’ omgewerkt tot een genealogie naar Nederlands model en aan het eind van de genealogie opgenomen. Allen ben ik zeer erkentelijk; zonder hun bijdragen zou deze genealogie aanmerkelijk ‘kaler’ zijn.
III NAAM, TAAL, GODSDIENSTIGE OVERTUIGING
De vroegste, in Norwich gevonden naam is De Grincour, wat in het gebied van oorsprong wel De Graincour zal zijn geweest. Het geslacht was franstalig en protestants, en kerkte zowel in Norwich als later in Leiden en Amsterdam Waals. Tot en met de derde generatie in Nederland bleef dat overwegend zo, hoewel al in de tweede generatie tekenen zichtbaar zijn die duiden op de komende overgang naar de Nederduits-Gereformeerde kerk. Vanaf de vierde generatie is die overgang volledig. De laatste Waalse doop vond plaats in 1659, en van die tijd af is het geslacht ook m.b.t. partnerkeuze geheel geassimileerd. Voordien trouwde men bijna uitsluitend binnen de eigen Waalse gemeenschap. De leden van het geslacht bleven daarna in grote meerderheid Nederduits-Gereformeerd (later Nederlands Hervormd). In het begin van de negentiende eeuw ontstonden in Groningen, door huwelijken met Rooms-Katholieke meisjes, twee RK twijgen. Een deel van de nazaten van die twijgen ging, naar o.a. blijkt uit de Amsterdamse bevolkingsregisters en uit het 'Familiedossier Korenhof' (CBG), later weer terug naar de Nederlandse Hervormde kerk. In de jaren 30 van de negentiende eeuw ging een Leidse Korenhof, eveneens door huwelijk, over naar de doopsgezinde gemeente. Zijn directe nazaten waren eveneens doopsgezind.
De vernederlandsing van de naam vond vrij plotseling plaats in Leiden rond 1720, toen Isaack en Jacobus Korenhof trouwden. Zij waren beiden nog gedoopt als 'Greyncour(t)'. Eenzelfde overgang vinden we bij de begrafenissen: de laatste Greyncourt, Sara, werd begraven in 1722, de eerste Korenhof, een kind van bovengenoemde Jacobus, in 1721. Als een incident in dit taalkundig geheel moet worden beschouwd de vertaling 'Graanhof', onder welke naam David Greynkoer een deel van zijn leven sleet. Zulke vertalingen waren kennelijk in die tijd 'bon ton': in 1724 trouwde in Leiden een zekere 'Pieter Ketel', een letterlijke vertaling van zijn doopnaam Pierre Chaudron. Overigens bleek deze naamsovergang, in tegenstelling tot die van De Grincour naar Korenhof, omkeerbaar: latere 'Ketels' heetten meestal weer gewoon Chaudron (of Chodron).
IV SOCIALE POSITIE
De nu levende Korenhofs zijn zonder twijfel aanmerkelijk beter af dan hun verre voorvaderen. Tot ver in de 19e eeuw waren de meeste leden van de Leidse tak werkzaam in de laken- en textielindustrie, vrijwel zeker als arbeiders. Er is tenminste niets gevonden dat wijst op ondernemerschap. Ook het bekende standaardwerk over de Leidse textielindustrie (3) vermeldt de namen niet. De gezinnen waren, ondanks de hoge kindersterfte, veelal groot, en zullen zeker te lijden hebben gehad van de geleidelijke achteruitgang van de textielnijverheid in Leiden. De zwakke sociale positie van de toenmalige Leidse Korenhofs zal er ook mede oorzaak van zijn geweest, dat Jannetje Korenhof, spinster, 29 j., zich, getrouwd en wel, aan koppelarij en prostitutie schuldig maakte. Zij werd daarvoor in 1787 veroordeeld tot 14 dagen gevangenis op water en brood (4). Zij is overigens de enige Korenhof die in dit werk wordt genoemd. Kennelijk behoorden de Leidse naamdragers overwegend tot het oppassende deel van de bevolking. Van de stamvader van de eerste Amsterdamse tak, Isaac (VIIIa) is het beroep niet bekend. Diens zoon Isaac was (wijn)tapper(sknecht), en kleinzoon Isaac zeeman. Ook in de Groningse tak komen we tenminste twee wijntappersknechts tegen. Verschillende 'Groningers' hadden bezigheden die iets met de studenten van de universiteit of met militairen te maken hadden. Zo vinden we Jan Korenhof beschreven als muzikant en bode bij de studenten, zijn broer Hindrik Tammes als 'heren-oppasser' (wat we vermoedelijk moeten verstaan als huisknecht bij een vermogende student of burger of een hoge militair), en hun broer Gerrit als tamboer bij de schutterij (5). Zowel Jan als Gerrit worden trouwens in verschillende doopaktes ook 'oppasser' genoemd. Gegevens omtrent de bezigheden van de Zuid-Afrikaanse naamdragers zijn mij niet bekend.
V HET GEZIN DE GRINCOUR VESTIGT ZICH IN LEIDEN
Op 9 maart 1603 ondertrouwde in Leiden 'Jenne de Grencoere, jd. van Norwits' met 'Pieter Herdy, wolcammer, jm. van Valenchyn'(6). Zij werd daarbij geassisteerd door (.....onleesbaar) en Jenne Ackare, haar moeder. Het huwelijk zal ongetwijfeld in de Waalse kerk zijn afgekondigd, maar de Leidse archieven bevatten de Waalse huwelijken pas vanaf 1604. De huwelijksafkondiging is als zodanig overigens zelden interessant, omdat daarbij geen getuigen worden genoemd. In het boek over de Walen in Norwich (1) is haar naam niet te vinden. Wel vinden we daar op 2 december 1596: 'Jacque, fils de Jacque de Grincour (N.B. geen moeder opgegeven), tesmoins Jean le Leu, Gabriel Bouquilon, Marie Lequinet et Jenne le Comte'. (Om in lijn te blijven met de aan het einde gegeven genealogie, wordt de dopeling in dit stuk verder Jacques II genoemd, zijn vader Jacques I). In de Waalse doopregisters van Leiden vinden we dan op 28 juli 1602: Marie, fille de Jaque de Grincour, (N.B. weer geen moeder opgegeven), tesmoins Carle Vilin, Lion Corbier, Jenne Acar (!), et Jenne le Conte (het verschil in spelling van de laatste naam is natuurlijk onbelangrijk). We kunnen dus gevoeglijk stellen dat in de periode tussen beide dopen het gezin van Jacques I is verhuisd van Norwich naar Leiden. 'Jacques Grijnkoer' wordt in het register van het schoorsteengeld van 1606 vermeld als huurder van een huis op de Hogewoerd. De vraag is nu wie de vrouw van Jacques I was. Het kwam vroeg in de 17e eeuw regelmatig voor dat de moeder niet bij de doop werd vermeld. Bij de Grincourts vinden we één uitzondering: bij het tweede Leidse kind van Jacques I, Elisabeth, Waals gedoopt 6 november 1603, wordt als moeder vermeld Jenne Acar, en als getuigen François en Olivier Philippot, Marie Semery en Anthoinette, la femme Moran (vaak treden bij Waalse dopen in Leiden 4 getuigen op). Het lijkt erop dat bij de doop van Marie, het eerste Leidse kind, de moeder als getuige is opgevoerd om het viertal vol te maken. Omdat protestanten vaak laat doopten, is het zeer wel mogelijk dat de inmiddels van het kraambed herstelde moeder in staat was bij de doop aanwezig te zijn. Hiermee is tevens aangetoond, dat Jenne de Grincourt een (veel ?) oudere zuster was van Jacques II. Bij het bovenstaande dient nog wel een opmerking te worden gemaakt. Uit de doopgegevens van de kinderen van Jacques I blijkt dat het laatste kind, Jonas, in 1606 is gedoopt, terwijl de doop van Jenne, gezien de datum van haar eerste ondertrouw, tussen 1580 en 1585 zal hebben plaatsgevonden. Hoe aannemelijk is het dat in het begin van de 17e eeuw een moeder nog een kind kreeg 3 jaar na het huwelijk van haar dochter ? Als Jenne en Jonas van dezelfde moeder waren, zal die moeder in 1606 tenminste 39 jaar zijn geweest (als zowel Jenne als haar veronderstelde moeder zeer jong getrouwd waren: 18 + 18 + 3) en mogelijk zelfs 45 (bij meer 'normale' trouwleeftijden voor beiden: 21 + 21 + 3). Ik acht het daarom zeer wel mogelijk dat Jenne, en wellicht ook Jacques II, uit een eerder huwelijk van Jacques I stammen. Jenne Acar zou dan beider stiefmoeder zijn. De relatie met Jenne le Co(n,m)te is onduidelijk, maar het is niet onwaarschijnlijk dat zij de moeder (of stiefmoeder) van Jacques I was, ook al gezien het feit dat zij kennelijk mee verhuisde naar Leiden. Wie de vader van Jacques I was is onbekend, maar gezien de voortgaande vernoeming van oudste zonen in de volgende generaties is het best mogelijk dat hij ook Jacques heette.
VI LEIDEN - AMSTERDAM v.v.
In de eerste helft van de zeventiende eeuw voltrok zich een merkwaardige serie verhuizingen: in de loop van enige decennia vertrok de gehele familie naar Amsterdam, om in de jaren 50 en 60 weer, eveneens in haar geheel, naar Leiden terug te keren. Als eersten lieten op 3 december 1618 Jenne de Grincourt en haar man Pierre Hardy zich inschrijven als lidmaten van de Waalse kerk in Amsterdam (7). Jenne hertrouwde in Amsterdam als weduwe (ondertrouw 10 april 1627) met Jean de Laborngery (8). Inmiddels was in 1618 Jenne's broer Jacques II getrouwd met Lysbeth Kene (Elizabeth du Quesne, Elisabeth Liskyne) (9), afkomstig uit Doornik, met wie hij in Leiden liefst 11 kinderen kreeg. Van de oudste van die kinderen, Jacques III, is geen (Waalse) doop overgeleverd, maar onder de andere kinderen van het paar zijn er verschillende niet Waals maar Ned.-Gereformeerd gedoopt, en de gereformeerde doopboeken van Leiden zijn pas vanaf 1621 bewaard. Een reden voor een franstalig paar om een kind NG te laten dopen zou bijvoorbeeld ziekte of afwezigheid van de Waalse predikant kunnen zijn. Jacques III trouwde in 1638 in Leiden met de uit de omgeving van Valenciennes afkomstige Barbe Cordonnier (10). Waarschijnlijk had Jacques II zich toen met wat van zijn gezin nog over was al in Amsterdam gevestigd, want tegen de heersende gewoonte in was hij geen getuige. Op 7 oktober 1664 werd een 'Jacus Grijnkour' begraven in de Nieuwezijds Kapel in Amsterdam (11). Hij is naar alle waarschijnlijkheid te identificeren met Jacques II, omdat Jacques III, zoals hieronder blijkt, nog in leven was. Jacques III en Barbe kregen in Leiden twee kinderen, en verhuisden toen naar Amsterdam. Mogelijk duidt een ietwat verminkte inschrijving van een attestatie ('Jacques cencourt (! kleine letter, spelling) et sa femme ont produit leur tesmoinnage de Laide ce 1 decembre 1644') (7) op deze verhuizing, maar helemaal zeker is dat niet. Al op 15 februari 1643 werd namelijk het eerste 'Amsterdamse' kind van Jacques en Barbe gedoopt in de Waalse kerk. Volgens de uitgaande attestaties van de Amsterdamse Waalse kerk verhuisden 'Jaques Grincourt et sa femme' op 25 juli 1667 naar Leiden (12)*. Hun nog levende kinderen hebben hen waarschijnlijk vergezeld, en de zoons David, Abraham en Isaac zijn in Leiden getrouwd. Jacques III is overleden tussen 8 september 1667, toen hij getuigde bij het huwelijk van zijn zoon David, en 25 april 1670, toen 'Barber Cent, weduwe van Jacques Greincour' hertrouwde met David Hennebo (13). (Cent is een verkort patroniem, voor Vincents). Barber heeft zelf ook niet lang meer geleefd, want in 1672 hertrouwde David Hennebo als weduwnaar. De tweede zoon van Jacques II, Abraham (II-2), werd op 28 november 1645 in de Waalse kerk in Amsterdam als lidmaat aangenomen. Hij legde geen attestatie uit Leiden over, en woonde dus toen al in Amsterdam, waarschijnlijk in zijn ouderlijk gezin en nog ongetrouwd. In de volgende jaren kreeg hij met ene Magdalena Lefebure of le Fevre drie kinderen. Het is onzeker of hij met haar was getrouwd: in Leiden noch in Amsterdam heb ik een huwelijk kunnen vinden. In elk geval (her-)trouwde hij als 'weduenaar van Magdalena le Fevre' in 1649 met Susanna Bucke of Buquet, weduwe van Anthoni Provoost (14). Al op 25 september 1650 verhuisde het paar met attestatie van de Waalse kerk naar Leiden (12). De (enige ?) overlevende dochter van Jacques II, Elizabeth (II-8), deed in Amsterdam belijdenis (7): 'Elisabet Grencourt, fille de Jacques, a rendu raison de la Foy le 6 d'octobre 1654'**. Ook zij woonde kennelijk, net als haar broer Abraham tot zijn huwelijk, bij haar ouders. Veertien maanden later trouwde zij met Jean Gossar of Gosart, afkomstig uit Doornik (15). Het paar was reislustig. Op 21-8-1657 vertrokken zij met attestatie (11) naar Engeland. Kennelijk keerden zij vrij spoedig weer terug naar Holland, en wel naar Leiden. Op 23 mei 1660 vestigden zij zich namelijk daarvandaan opnieuw in Amsterdam (7), waar hun tweede kind Nicolas op 22 augustus 1660 werd gedoopt. Hun derde kind Anne werd, kennelijk tijdens een (familie-?)bezoek, in Leiden geboren en in Amsterdam op 30 september 1663 op hun naam bijgeschreven (7). Elizabeth overleed voor 11 maart 1667, toen hertrouwde namelijk haar weduwnaar in Amsterdam. Dan hebben we nog het vermoedelijk laatste overlevende kind van Jacques II, Jonas (II-11). Hij had in Amsterdam een buitenechtelijke relatie met ene Marie Jansdr, waaruit in 1657 een dochter Elisabeth werd geboren. Zijn broer Jacques III en diens vrouw Barbe Cordonnier getuigden (16) bij de doop. In 1674 ging Jonas, 'jongman', in Leiden in ondertrouw met Annetgen Willems. Hij was toen soldaat en kreeg 'consent' om in Utrecht te trouwen. Op 24 oktober 1651 verscheen in Amsterdam een Marie Grincourt, 'jeune fille', met attestatie uit Londen (7), en op 3 maart 1654 vertrok dezelfde dame eveneens met attestatie naar Leiden (12). Het lijkt waarschijnlijk dat het hier dochter Marie (II-7) van Jacques II betreft, hoewel dat helaas niet valt te bewijzen. 'Jeune fille', of in het Nederlands 'jongedochter' was de algemene aanduiding van ongetrouwde meisjes of vrouwen, en was niet gebonden aan leeftijd, hoewel het wel vaak dames op jaren gold.
* Inkomende attestaties zijn in Leiden helaas niet bewaard gebleven.
**In de Ned. Gereformeerde kerk deed men gewoonlijk op 18- tot 20-jarige leeftijd belijdenis (17). Als we aannemen dat dat in de Waalse kerk van de 17e eeuw niet anders was, was Elisabeth met haar 23 jaar al wat ouder, maar ook haar broer Abraham was 25 toen hij in 1645 werd aangenomen.
Zo waren dus alle nog levende kinderen van Jacques II met hun aanhang naar Leiden teruggekeerd. Merkwaardig is niet zozeer de collectieve verhuizing naar Amsterdam. Men kan daarvoor zeer wel economische en familiale redenen bedenken: werk zoeken via hun zuster, resp. tante, familiehereniging. Opvallend is veeleer de remigratie naar Leiden. Het is nauwelijks aan te nemen dat de toekomst voor arbeiders in Leiden er beter uitzag dan in het rijke en nog steeds rijker wordende Amsterdam. Wel komt uit de DTB-periode het beeld naar voren van een familie met sterke onderlinge banden, wellicht ook met in Engeland achtergebleven relaties. Daarbij moeten we waarschijnlijk niet alleen aan Grincourts denken, maar ook aan 'aangetrouwd' en hun relaties.
VI DE EERSTE AMSTERDAMSE TAK
Het zou tot laat in de 18e eeuw duren voor zich weer een Korenhof in Amsterdam vestigde. In 1779 trouwde Isaac Korenhof (VIIIa) in Amsterdam met Martyntje Varwee of Verwee. In hun huwelijksakte (18) staat dat hij toen 24 jaar was, maar dat is zeer waarschijnlijk een al of niet opzettelijke vergissing. Er staat namelijk ook in dat zijn ouders waren overleden, hoewel zij getuigden bij de doop van Isaacs eerste kind Elisabeth. Hierdoor staan Isaacs afstamming en leeftijd vast. Isaac en Martyntje kregen 5 kinderen, van wie 2 zoons, Gerrit en Isaac jr. De laatste, en enig overlevende zoon (IXa), was tapper en leidde kennelijk met zijn vrouw Charlotte Gesina Postel en hun gezin een nogal ambulant bestaan. Hun 2e kind Isaac (Xa) werd geboren in Alkmaar, en daarbij was vader Isaac 'zonder beroep'. Kort na de dood van haar man kreeg Charlotte Postel in Leiden nog een zoon Johannes. Dit suggereert dat er nog banden met de Leidse familie in stand werden gehouden (Charlotte was zelf geboren Amsterdamse). Van deze Johannes is verder niets vernomen. Charlotte overleed in 1827 in Leiden. Isaac (Xa) trouwde met een vrij veel oudere vrouw. Hij overleed, zeer waarschijnlijk kinderloos, op 27-11-1845 op de rede van Soerabaya, als bootsman op de bark Nassau. Met die derde Isaac is de eerste Amsterdamse tak Korenhof uitgestorven.
VII DE GRONINGSE EN DE TWEEDE AMSTERDAMSE TAK
Vanuit Leiden ontstond op het einde van de achttiende eeuw ook een Groningse tak. De stamvader daarvan, Izak (VIIf-6), was op 14-10-1770 NG gedoopt in Leiden als zoon van Louis en Jannetje Miog. Hij werd in Groningen gelegerd als soldaat in de 4e Halve Brigade van Leiden, en trouwde daar in 1796 met Ida van Dam. Als burger was hij leerlooiersknecht. Het paar liet zijn 9 kinderen Nederduits-Gereformeerd dopen. Twee van hun drie overlevende zoons, Jan en Gerrit, trouwden met katholieke meisjes. Uit die huwelijken stammen de katholieke takken waarvan al eerder sprake was. Het gezin van de derde zoon Hindrik Tammes was blijkens het Groningse bevolkingsregister Nederlands Hervormd. Jan was in zijn werkzame leven o.m. muzikant, bode bij de studenten, en oppasser, Gerrit was hoornblazer en oppasser, en Hindrik Tammes staat als oppasser ('heren-oppasser' of 'heerenknecht') te boek. Is het wellicht uit eerbied voor hun werkgevers geweest, dat Jan zijn oudste zoon de nogal bizarre derde voornaam 'Groothuis' gaf, terwijl de oudste zoon van Gerrit als tweede voornaam 'Koning' kreeg ?
Jans oudste zoon Wilhelmus Johannes Groothuis Korenhof en zijn vrouw Cornelia Hendrika Françoise Dellebarre werden de stamouders van de tweede Amsterdamse tak. Zij waren volle neef en nicht: hun moeders, resp. Gertrudis van der Rens en Theodora van der Reynst, waren zusters, kinderen van Petrus van der Reynst en Anna Voorsmits. De neef en nicht leefden aanvankelijk kennelijk ongetrouwd samen. Uit het paar werd in Groningen een zoon geboren, François Cornelius. Twee maanden na de geboorte, op 17 april 1857, vertrok de moeder met haar zoon en haar ouders blijkens het Groningse bevolkingsregister naar Haarlem. Wilhelmus J.G. verliet Groningen op 10 mei 1858, waarschijnlijk naar N.O-Indië. Op 1 maart 1859 vertrok hij vanuit Groningen naar Amsterdam. Later vond kennelijk een hereniging van de gelieven plaats, het paar trouwde in 1859 in Haarlem en het gezin groeide verder in Amsterdam. Van de uiteindelijk 10 kinderen bleven slechts 3 in leven, een zoon en twee dochters, die allen trouwden. Van de zoon Arend Theodorus Coenradus zijn naamdragende nazaten in leven.
VIII DE ZUID-AFRIKAANSE TAK
Als jongeman emigreerde Pieter Gerardus Jacobus Koornhof (Xw-9), geboren in Den Haag op 17 oktober 1867, naar Zuid-Afrika. Hij vocht daar in de Boerenoorlog aan de kant van de boeren. Hij trouwde in Zuid-Afrika, werd een belangrijke bouwondernemer in Oranje-Vrijstaat en kreeg een talrijk nageslacht. Verdere gegevens omtrent de bezigheden van dit nageslacht ontbreken. Een van hen zou minister zijn geweest in het Apartheidsbewind van Verwoerd (trouwens ook een geboren Nederlander !).
IX EEN DUITSE TAK ?
Op het feit dat in Borgholz (Westfalen) Duitse naamdragers woonden, werd ik attent gemaakt door de heer J. Feijen te Groningen. Mijn aanvankelijke idee, dat deze tak wel zou afstammen van het echtpaar Abraham Korenhof (IXn)/Anna Ouwerkerk, dat in 1897 met zijn kinderen naar Duitsland vertrok, blijkt onjuist te zijn. Family Search (de Internet Site van de Mormonen) geeft een aantal dragers van de naam Korenhoff in de eerste jaren van de negentiende eeuw, maar van een veel groter aantal in de achttiende en zeventiende eeuwen wordt de naam gespeld als Kornhoff. Van Mevr. H. Robinson ontving ik een uitgebreide stamlijn van de Duitse Kor(e)nhoffs, opgesteld door de heer R. Kornhoff in Bergisch Gladbach, die teruggaat tot een Joannes Korenhof of Kornhoff, geb. ca. 1633. Deze tak is (was) volledig rooms-katholiek, en veel naamdragers waren notabel in burgerlijke en kerkelijke functies in Borgholz. Ik heb die 'Ahnenliste' omgewerkt tot een genealogie naar gebruikelijk model, en aan het einde van de Genealogie Korenhof opgenomen, onder het motto 'jekenniewete'. Op dit ogenblik zie ik nog geen verband tussen deze Kor(e)nhoffs en het Nederlandse geslacht. De heer Kornhoff heeft mij meegedeeld dat de eerst aangetroffen spelling in de Duitse documenten inderdaad Korenhof is, wat toch op zijn minst opmerkelijk is. Niet uitgesloten kan worden, dat het echtpaar Abraham Korenhof/Anna Ouwerkerk ook een Duitse tak heeft gesticht, maar die kon via Family Search niet worden gevonden (te recent ?), en ik heb ook geen andere pogingen gedaan.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.