Dit de Jodoigne-Souveraine. Ridder, heer van Refayt, leen van het land Namen, rond 1374. Hij vocht in Bäsweiler onder de vader van Bautersem, waar hij 120 gouden schapen ontving als vergoeding voor de verliezen die hij op de dag van de strijd leed. Aangehaald in 1407, toegelaten tot Guillaume de Glimes, ridder, zoon van Jacques, bekend als Jacomart de Glimes, op 6.6.1371 tot de bourgeoisie in Brussel. Is de gene? (Houwaerts Evidence Register, vol. X, p.112)
Willem van Glimes van Opgeldenaken (voor 30 november 1416), heer van Refay.
Gehuwd met Goedele Moreel, dochter van Jan. De Win, De adel, p. 355. Messire Guillaume de Glymes is overleden voor 30 november 1416 wanneer zijn zoon, messire Jaques
de Glimes (nr. [473]), la terre de Refay in leen ontvangt. RKB 17145 f. 231r. Zie ook LH 396
f. 16v en RKB 555 f. 663r, 675r voor het bezit van enkele kleinere lenen in Waals-Brabant.
Hij is getrouwd met Gudule Moreel de Rixensart.
Zij zijn getrouwd in het jaar 1370.
Kind(eren):
Uit een akte in Leuven, blijkt hij land te hebben in Opgeldenaken. (Jodoigne-Souveraine)
Op 27 oktober 1393 (Schepenbank van Leuven, SAL 7302, fol. V32.4)
It(em) cont sij alle(n) lieden dat h(er) Wille(m) va(n) Glymes ridde(r) es comen in jeghenw(or)dich(eit) d(er) scepen(en) (et)c(etera) en(de) heeft ghenome(n) [va(n) mijn vr(ouwe) d(er) abdisse(n) en(de) vande(n) co(n)ve(n)te des (et)c(etera)] va(n)mijnre vrouwe(n) d(er) abdisse(n) [va(n) vrouwe marg(riete) va(n)? ghenaden gods (et)] [..] [co(n)ve(n)te vande(n) cloeste(r)] va(n) vrouwe(n)p(er)reke xiiii boend(er) lants vii boend(er) beemde en(de) vii boend(er) boschs gheheete(n) tgoet te Preele gheleg(en) ter bi Opgheldenake ghelijc dat de vors(creven) h(er) Wille(m) dese vors(creven) goede va(n)[de(n) vors(creven) cloester] [ald] mijnre vr(ouwe) vors(creven) ald(aer) houden(de) heeft gheweest Te houden(e) te hebben(e)
en(de) te wynnen va(n) s(ente) Andr(ies) misse ap(oste)ls naist coeme(n)de ene(n) t(er)mijn va(n) vii jae(re)n d(aer) naest volghen(de) alle jae(re) den vors(creven) t(er)mijn dueren(de) o(m)me xviii mudde tarwe(n) goet en(de) payabel dieme(n) heet alsulke alse d(aer) een pachtene(re) den ande(re)n te Gheldenake mede betaelt [inde?] [der maten va(n) loven(en)] met wa(n)ne en(de) met vede(re)n wel bereydt [d(er) mate(n)] te s(ente) Andr(ies) te betaelne en(de) te Opgheldenake tot des vors(creven) huys h(er) Willems huys te lev(er)ne alle jae(re) den vors(creven) t(er)mijn dueren(de) en(de) telke(n) t(er)mine alse v(er)volghde schout also dat
de v en(de) de vors(creven) ierste betalinghe in te gane va(n) s(ente) Andr(ies) ap(oste)ls naist come(n)de binne(n) ene(n) [den] ande(re)n jae(re) d(aer) naist volghen(de) en(de) niet eer voert heeft gheloeft de vors(creven) h(er) Wille(m) de helcht va(n)de(n) vors(creven) vii boende(re)n boschs te houwen en(de) te
ruymen tussche(n) dit en(de) [half] mey naist comen(de) en(de) an dand(er) helcht vanden vors(creven) bossche sal de vors(creven) h(er) Wille(m) houwe(n) en(de) ruymen van [half] mey naist comen(de) ov(er) iii jae(re) d(aer) naist volghen(de) en(de) niet meer voert heeft gheloeft de vors(creven) h(er) Wille(m) de vors(creven) lande [eens] wel en(de) loeflec te mesten binne(n) sinen[ghelic] reengh binne(n) den vors(creven) t(er)mine ghelijc sinen reenghenoete(n) en(de) de(n) selve lande [te] laten ten eynde vande(n) vors(creven) t(er)mine [bloet] ghelijc dat hise vant
voert heeft gheloeft de vors(creven) h(er) Wille(m) dat hi opde(n) vors(creven) bosch [binne(n) den ierste(n) tween jaren es] als hi gehouwen gheen beesten en sal drive doen [laten] driven dat de alsoe d... dar [den vors(creven) cloeste(r)]mynre vors(creven) vr(ouwe) d(er) abdissen schade ocht hind(er)nisse [af come(n) mochte] kem(er)l(inck) borch(oven) oct(obris) xxvii.
Guillaume de Glymes de Jodoigne | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
1370 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gudule Moreel de Rixensart | |||||||||||||||||||||||||||||||||||