(1) Hij is getrouwd met Catharina Schaink.
Zij zijn getrouwd op 16 juni 1709 te Garmerwolde, hij was toen 30 jaar oud.
Kind(eren):
(2) Hij is getrouwd met Luthina Wijpkens.
Zij zijn getrouwd op 28 maart 1722 te Garmerwolde, hij was toen 42 jaar oud.
Johannus Beckeringh was predikant te Garmerwolde van 21 oktober 1708 tot zijn overlijden op 5 juli 1737. Het was voor hem de eerste gemeente en tevens zijn laatste.
Predikantstraktement te Garmerwolde.
Het vrij bewonen van de pastorie was een der emolumenten van de predikanten, die voor hun arbeid verder een traktement ontvingen dat door meerdere instanties werd opgebracht. Het Pepergasthuis was verplicht tot de betaling van 15 gulden. Daarnaast genoten ze de huuropbrengst van 38 grazen pastorieland. De 17e eeuwse predikanten Rhodius (1663 - 1679), Stechnerus (1681 - 1687) en Ter Maeth (1687 - 1707) ontvingen jaarlijks 150 caroli gulden van de provincie, en 250 caroli gulden en 10 stuivers van de kerkvoogdij, zijnde de opbrengst van een heerd van 34 grazen en een vrije donatie.
Wanneer Ter Maeta's opvolger J. Beckeringh in 1711 de staat van zijn inkomsten opmaakt, noteert hij onder het hoofd "an gelt" 150 gulden van de provincie en hetzelfde bedrag van de kerk, alsmede de 15 gulden die hij van het Pepergasthuis ontvangt. De kerkvoogdij betaalt hem bovendien 41 gulden en 10 stuivers als vergoeding voor het "schoorsteengeld" en de kosten, verbonden aan deelname aan de classicale en synodale vergaderingen. Tenslotte krijgt hij nog 50 gulden, maar, zo voegt hij er aan toe, "dit moet jaarlijks verzocht worden op kerckenree-ckeninghdagh". De afdeling "landerijen" in bovengenoemde staat omvat 5 posten: 14 grazen, gelegen bij de pas-torie, 20 grazen die zich achter de toren bevinden, een stuk van 5 grazen "hebbende ten Noorden de Stadt weg", 36 grazen land, onder beklemming bij de kerkvoogdij in gebruik die daarvoor jaarlijks 100 gulden huur betaalt. Ten-slotte nog "een heemstede van Geert Jansen".
In 1686 en 1717 werd het dorp opgeschrikt door de grote overstromingen die de provincie teisterden. De vloed van 1717 richtte een enorme ravage aan in het dorp. Eén inwoner kwam om, 27 huizen werden vernield en 514 stuks vee verdronken. Armoede moet hier het gevolg van geweest zijn hetgeen een extra belasting betekende voor de diakonie.
Naast deze beroeringen, die door factoren van buitenaf werden veroorzaakt, ontstonden er ook een enkele keer interne moeilijkheden in het kerspel, zoals met de bewoners van Heidenschap in de 60er jaren van de 17e eeuw. Maar verder beperkten de moeilijkheden zich tot burenruzies en soortgelijke zaken, welke door de kerkeraad werden gestraft met tijdelijke uitsluiting van het avondmaal. Alleen in 1736 deed zich een ernstiger geval voor. Toen meende ds. Beckeringh een geval van tovenarij te bespeuren in zijn gemeente. Na enige aandrang wist hij de weduwe Jantien Claassens tot de verklaring te brengen, dat haar zoon en kleindochter zich bezig hadden gehouden met tovenarij en goddeloosheden. Deze kwestie zette bij de beschuldigde partij zulk kwaad bloed, dat er 20 jaar later nog een felle ruzie ontstond tussen enige familieleden der betrokkenen en de kerkeraad.
Arch.Herv.Gem. Garmerwolde, inv.nr. 1, 1735 september 27 + Arch. Herv.Gem. Garmerwolde, inv.nr. 2, 1750 maart 8.
Johannus Beckeringh | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1709 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Catharina Schaink | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1722 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Luthina Wijpkens | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.