Zij is getrouwd met Jan Nijhuis.
Zij zijn getrouwd op 1 mei 1729 te Markelo, Hof van Twente, Overijssel, Nederland.
Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Aeltjen Kusbelt | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1729 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jan Nijhuis | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Geboren op erve Kusbelt in Beusbergen, gemeente Markelo.
In 1749 leent Aaltjen Nijhuis(-Kusbelt) f 200,- van Jan Loinck met als onderpand een 1½ dagwerk hooyland:
Ick Roeloff Baron van Hoevell, Heere van Nienhuis, wegens Hooger Overigheid, Richter van Kedingen, doe cond en certificere voor de suivere waerheid, dat voor mij en nabenoemde ceurnoten personelijk gecompareerd en erschenen is Aeltjen Nijhuis uit de Boerschap Stokkum, geassisteert met haer broer Derk Smit als haerer versochten en toegelaten momboir in desen dewelken bekende voor haer self en als boedelhoudster en wettige voogdesse van haar kinderen wegens verstrekte en bij haer comparante te danke ontfangenen penningen opregt en deugdelijk schuldig te weesen aen Jan Loinck, jongste zoon van Jan Loinck, bouwman op 't erve Loinck in Stokkum de somma van tweehondert caroli gulden ad 20 stuivers het stuk, welke penningen sij comparante belooft jaerlix en alle jaer te verrenten met twee gelijke gulden van het hondert tot de effectuele aflosse toe, welke ten ieder tijden sal vrijstaen ten allen tijde te kunnen en mogen doen met de eene den anderen een half jaer voor den verschijndag daervan de opsage doende sullende het eerste jaer rente verschijnen wegens op den 6 May 1750 voor welke capitael en daerop te verlopene interesse sij comparante verbint haer persoon en goederen en daervoor tot een speciael onderpand stellende haer eygen doemelijke één en een half dagwerk hooyland gelegen met het eene einde aen 't Laer en met de andere sijde langs 't gemeene broek in Stokkum, Gerichts Kedingen, soo en als door comparante voormaals van Jan Brinkers of Landewers en desselfs huisvrouwe Berentjen is aengekoft, ten einde hij rentheffer in cas van onverhoopte misbetalinge soo van capitael als interesse sig daer aen ten allen tijde kost en schadeloos sal kunnen en mogen verhalen renuncierende sij comparante alle beneficien en privilegien rechtens desen eenigsins contrarierende en wel in specie van de exceptie van ongetelden gelde, daer dit aldus passeerde waeren met mij Richter voorn. aen en over als ceurnoten Jurriaen Jalink en Mr. Tobias van Ommen sonder arg of list in oirconde der waerheid hebbe ick Richter dese neffens Derk Smit daertoe van haer comparante specialijk versocht dewijl sij niet schrijven kan nog segel gebruikt uit haeren name mede te tekenen en te segelen. Getekent en gesegelt en heeft Derk Smit hiertoe gebruikt het cachet van de Ed. Wolter Jalink. Actum Goor den 1 July 1749.
R. van Hoevell Derk Smitt als momber Derk Smitt.
In datzelfde jaar leent zij f 100,- van Harmen Nijmeyer met als onderpand een hooyland, de Leusmate geheten, groot 1 dagwerk.
Brief in 1752 gestuurd naar de Landrentmeester van Twente inzake problemen met een sluisdeur en waterstanden in het Stokkumer Broek, ondertekent door enkele (hofhorige) inwoners van Stokkum w.o. Aeltjen Nihus:
Hoog Geboren Gestrenge Heer, Mijn Heer Grave van Regteren, Heere van het Laer en Land Rentmester van het Twenthe.
De ondergenoemde meyerluiden van het Landrentamt van het Twenthe vinden sig ten uitersten genoodperst om aan U Hoog Geb. Gestr. te moeten voordragen hoe dat sij het regt hebbende om hun vee in het Stokkumer Broek, gelegen in den Gerigte van Diepenheim, te mogen weiden, sulks sedert ondenkelijke jaren ook met goeden vrugt en onbelemmert hebben gedaen gehad, gelijk ook het hooy van de landen dat sommige van haar luiden aldaer hebben, op sijn tijd en onbedorven hebben kunnen insamelen.
Dog dat sij tot hare uiterse schade daer in sedert een jaar of wat verhindert sijn geworden, ter oorsake dat de bovenste of nieuwe sluise thans en sedert de jaren 1745 of 1746 niet meer gesloten word, nog met een dam voorzien als nogtans van al oude tijd af plagte te geschieden en welbekendlijk in sulker gestalte, dat die sluise op d 25 maart wierde gesloten en gesloten gehouden tot martini oude stijl daar aan volgende voorts met een ander dam de riviere toegestopt en vervolgens de sleutel der sluise aen die van Stokkum in bewaringe gegeven, waer door het quam, dat dewijl door dese sluitinge geen water konde afkomen het voorm. Stockumer Broek het gehele somer door droge bleef, daer het nu en sedert enige jare, om het versuim dier sluitinge en niet waarnemen van den preciesen tijd van dien dermaten onder water is komen te staan dat hun lieder vhee daar in niet kan gaan weyden, ten minste niet als voor desen sonder gevaar van te versuipen, gelijkerwijs daar van bereids excempelen sijn, dat ook haar hooy en mestinge ten eenemaal bederft, kortom dat het gehele Stockumer Broeck ten enemaal onnut en onbruikbaar komt te worden dat sij, uit consideratie van de grote schadens, die sij jaar op jaar bij dit willekeurig ontsluiten dier sluise, die dan nog bovendien met deuren voorsien is vele lager als voor heen ook so lek en reddeloos, dat so sal gesloten sijn, er een considerablen water doorloopt, komen te lijden sij wel na den aucteur dier nieuwigheden en violentien hebben geinformeert, ook gewaar zijn geworden, dat enen Lindeman, Burger vaendrich van Deventer, sulks soude na sijn welgevallen en gelijk hij voorgeefe op ordre van de Heeren van Deventer verrigten.
Jae dat ook bereeds door andere luiden so van Stokkum, als die daar aanwonen bij de Heeren van den Lande geklaegt en om het sluyten dier sluise als van ouds gebeden zij geworden sulks dat sij request hadden van tijd tot tijd verhoopt, dat het selve soude geremedieert sijn geworden.
Dat dewijl sij tot haar groot leedwesen bevinden, daer van tot hier aen niets te zijn geworden, ter contrarie dat niet alleen thans het slot van de sluise gehelijk is losgemaakt en dus buiten goede opsigt gelaten word, maer dat den voorm. Lindeman na sijn goeddunken voortvaart waar door sij in de vervlotene maenden april en Mey deses jaars de schadelijke gevolgen nog gesmaekt hebben, zijnd het zelfs in de jare van 1746, om maer een exempel bij te brengen gebeurt, dat des daags te voren droog hooy aan oppers op het velt gestaen hebbende het water des snagts door de oppers gegaen en dus het zelve ten enemael bedorven is.
So hebben dan eindelijk tot voorkominge van sulke onlijdelijke schaden die metertijd indisputabel haar ruine mede soude kunnen bewerken en hun remons buiten staet stellen om hare pagten na behoren te kunnen betalen en dus bij consequentie de Provinsie mede seer damnous soude zijn moeten gemeent te resolveren omme sig ter sake voorschr. met alle nedrigheid te addresseren tot U Hooggeb. Gestr. als tot haren Landrentmeester, die sig versekert sijn het intresse van de meyeren als dat der Provincie so verre het regten reede steunt gelijk al hier, na gewoonte wel te willen en wel te sullen behertigen ende oversulks in dat versekerde vertrouwen het groot ongeluk, dat dien Lindeman haer komt toe te voegen aen U Hoog Geb. Gestr. klaaglijk te kennen te geven met een vierige bede.
Dat U Hoog Geb. Gestr. het sij bij de Heeren van de Magistraat van Deventer, het sij bij de Heeren Gedeputeerden van de Provincie, het sij bij Ridderschap en Steden, thans vergadert sijnde of waar ter plaatse het U Hoog Geb. Gestr. het convenabelst vinden sal, mogten willen gelieven te effectueren dat de voorschr. nieuwe sluise weder werde gesloten de deuren van de selve so hoge gemaekt en de directie met de sleutel aen die van Stokkum overgelaten mitsgaders de riviere voor deselve sluyse met een dam voorsien so en in al sulken gestalte als altoos van ouds is gebruikelijk geweest, op dat sij regt met ontallijke andere luiden niet mogten blijven bloodgesteld aen so vele en enorme schadens als sij om het defect van het gunt voorschreven bijsonder sedert de jaren 1745 of 1746 hebben moeten uytstaen.
En eindelijk dan ook dat de nieuwe en geen kleine stuk lands bestaende in de vorige maand door de Vaenderik Lindeman aangegravene camp en het beste van hun broek gelegen weder moge werden ingelijkt en dusdane ordres beraemt dat hetzelve door hem niet vorder worde benadeelt.
T welk doende Jan Loinck uit versoeck Voordes A. Bode Dijkijnck Hermen te Poel te Harke Aeltjen Nihus Jan Scholt Hoft Dijt Y is het maerck van Jan Mensijnck seelfs getroocken.