Stamboom Ottenhoff - Schilder » Nicolaas Kanselaar (1817-1860)

Persoonlijke gegevens Nicolaas Kanselaar 


Gezin van Nicolaas Kanselaar

Hij is getrouwd met Elisabeth van Pesselen.

Zij zijn getrouwd op 16 januari 1850 te Amsterdam, Noord-Holland, Nederland, hij was toen 32 jaar oud.


Notities over Nicolaas Kanselaar

Nicolaas verblijft met zijn vader en broers in Kolonie Veenhuizen.
Zie https://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Cantzelaar.html

De weduwnaar Bernardus Cantzelaar is door wonden aan zijn benen niet in staat aan de veldarbeid mee te doen en andere mogelijkheden zijn er niet...
De subcommissie van weldadigheid te Amsterdam mag november 1823 tien gezinnen voordragen als arbeidershuisgezin in Veenhuizen. Zie algemene informatie over de bevolkingscategorie arbeidersgezinnen op deze pagina. Onder de tien is de weduwnaar Bernardus Cantzelaar. Hij komt in de kolonie-administratie ook voor als Kantzelaar, Kantselaar, Cantselaar en Kanselaar, met welke laatste vorm het nageslacht zich tooit.
Op 21 november 1823, invnr 67 scan 380, voegt Amsterdam aan de voordracht toe 'dat nopens hem eene favorabele dispositie van Z.M. den Koning aan ons is bekend geworden, om hem namentlijk in deze gunst te doen delen'. Of dat meespeelt is niet bekend, maar de permanente commissie accepteert de voordracht en wijst op 26 november 1823 een plek in de kolonie toe, zie designatie 84 in het designatieregister 1823.
Aankomst
Bernardus Cantzelaar en zijn vier zoons arriveren in Veenhuizen op 20 december 1823 en worden ondergebracht in woning nummer 57 van het eerste gesticht. De gegevens van hun inschrijving in het stamboek staan op de pagina met alle arbeidershuisgezinnen en herhaal ik hieronder. Let wel: dit zijn de gegevens die de Amsterdamse notabelen hebben aangeleverd en het zou mij hogelijk verbazen als het klopt:
● Bernardus Cantzelaar is volgens deze administratie geboren 10 februari 1780. Hij is evenals de kinderen hervormd. Hij heeft bij zich:
- Bernardus Cantzelaar, geboren 30 november 1815,
- Nicolaas Cantzelaar, geboren 27 maart 1817,
- Johannes Cantzelaar, geboren 13 december 1818, en
- Willem Frederik Cantzelaar, geboren 11 november 1820.
Ongeschikt
Zes dagen na aankomst, op 26 december 1823, invnr 67 scan 748, schrijft de directeur der koloniën aan de permanente commissie in Den Haag:
Hier nevens heb ik de eer de Permanente Kommissie te doen toekomen een staat van aangekomen kolonisten te Veenhuizen,
en neme de vrijheid te observeren dat het huis­gezin van de weduwnaar Cantzelaar mijnens inziens ongeschikt is voor dat etablissement,
dat het niet mogelijk is dat die man voor zijne vier zeer jonge kinderen, welke niet in staat zijn tot eenig werk, de kost te verdienen.
Daar en boven kan dien man geen ogenblik zijne woning verlaten zonder zijne kinderen voor ongelukken bloot te stellen;
ik zal dus verpligt zijn bij de eerste aankomst van we­zen een der geschiktste vrouwen of meisjes bij hem intedeelen, of wel het huisgezin te desolveren en de kinderen, als ook de vader zelve in de zalen intedeelen.
Huishoudster?
De permanente commissie brengt dit over aan de subcommissie Amsterdam. Blijkbaar wordt er daarna nog 'een billet' verstuurd met een suggestie voor de indeling, maar dat is niet bewaard gebleven.
Hoe dan ook komt Amsterdam op zaterdag 24 januari 1824, invnr 68 scan 210, met de oplossing. Ze hebben ene mevrouw Aaltje Taas in de aanbieding die bij Cantzelaar kan worden ingedeeld.
Wij hebben de Eer aan UWEd: hier mede eenen Staat aan te bieden van de twee nog overige huisgezinnen aan ons toegestaan om als arbeiders in het Etablissement te Veenhuizen te worden geplaatst, het eene uit 6 en het andere uit drie hoofden bestaande en alzo tezamen 9 personen uitmakende ons vlijende dat dezelve zullen kunnen aangenomen worden.
Op dezen staat is nu mede door ons gebragt Aaltje Taas bij een billet in dato 23 dezer van wege UwEd: aan ons gewezen tot het doen van een voordragt, om bij het gezin van Bernardus Cantzelaar Weduwnaar met 4 kinderen, reeds als arbeider te Veenhuizen geplaatst, te worden ingedeeld.
Indien nu dezen Staat de onverwijlde goedkeuring van UWEd: konde wegdragen, en wij daarvan uiterlijk met de post van dingsdag avond uit S’Hage bericht mogten erlangen, zoude er misschien nog gelegenheid zijn ook deze twee huisgezinnen met de ongehuwde Aaltje Taas nog in dezelve week van hier af te zenden
Nee, vrouw
Lijkt het tot nu toe te gaan over huishoudelijk werk, als de subcommissie een week later schrijft, blijkt het om een huwelijk te gaan, 31 januari 1824, invnr 68 scan 270:
(...)
Ten aanzien van Aaltje Taas moeten wij UWEd. informeren dat zij alvorens zich naar S’ Hage te begeven en aan UWEd Bureau te adresseren, met een brief van Cantzelaar bij onzen vice president zich heeft vervoegt, met verzoek, om overeenkomstig de inhoud van dien brief aan haar een pas te geven waarmede zij zich bij Cantzelaar zoude kunnen begeven, om te Veenhuizen met hem te trouwen.
Dat op dit verzoek aan dezelve Aaltje Taas is te kennen gegeven, 1: dat zij alhier gedomicilieerd zijnde, de aantekening van haar voorgenomen huwelijk ook hier en niet elders volgens de wet konde plaats hebben, dat de aanstaande bruidegom wel bij de aantekening niet behoefde tegenwoordig te zijn, maar alleen wanneer de geboden(?) eerst waren afgelopen, voor weinige dagen van den Heer Directeur verlof konde vragen om zijn huwelijk alhier te kunnen voltrekken: en dat ook de aanstaande Bruidegom die nog geen 6 maanden ten Veenhuizen gewoond had hier en niet elders in ondertrouw opgenomen(?) konde worden – en zo dat de vice president het ongezond en niet welvoegelijk rekende eene voordragt voor haar te doen om zich alvorens zij wettig getrouwd zijn zoude zich in de bij en Zamenwoning met Cantzelaar te begeven.
Het bevreemde ons om die reden in de eerste opslag, die ons verwondert een billet van renvoij aan onze sub kom: van wege UWEd te bekomen, om deze persoon voor te dragen dog wij veronderstelden tevens, dat zulks alleen was getekend, om den gewonen weg en vorm te observeren; en dus heeft het besluit van in haar gedaan verzoek te difficulteren ons in onze gevoelens bevestigd en versterkt.
Ter bevordering ondertusschen van de voornemens van kantzelaar zal het onzes bedenkens nodig zijn dat hem eventueel een verlof voor weinige dagen worde vergund om zijn huwelijk alhier te komen voltrekken, dewijl er noodzakelijkheid bestaat dat het zelve huwelijk voortgang hebbe.
Huwelijk
Een overzicht van de verdiensten in de week van 22 tot 29 februari 1824, invnr 68 scan 450, bevestigt dat Cantzelaar inderdaad zo goed als niets verdient: 12½ cent voor spinwerk en geen cent voor veldarbeid. Van de 25 cent die hem die week is uitbetaald kan het gezin niet bestaan. Maar het kan er mee te maken hebben dat hij die week grotendeels niet in Veenhuizen is.
Want op 25 februari 1824 trouwen te Amsterdam 'Barnardus Kanselaar', landbouwer, 44 jaar, en Aaltje Taas, naaister, 35 jaar. Daarna gaan ze samen naar Veenhuizen, maar... de klerken die in Den Haag de kopie-stamboeken van de arbeidersgezinnen bijhouden, weten van niets. Hoewel het zeker is dat Aaltje Taas in Veenhuizen is, zie bijvoorbeeld invnr 78 scan 483, staat zij nergens in de stamboeken vermeld.
Op 16 april 1825 gaat het gezin over naar woning 25 van het tweede etablissement. Waarom die verhuizing is, staat nergens genoteerd.
Verklaringen
Op 22 juli 1825 geeft dokter Harmen Smit, de eerste geneesheer van de kolonie Veenhuizen, een verklaring af, invnr 75 scan 328:
De ondergetekende H: Smit, Heel en Vroudmeester der Colonie Veenhuizen, verklaart bij desen, dat Bernardus Kanselaar, wegens ligchaams swakte en bevondende wonden aan de beenen ongeschikt is om de veldarbeid te kunnen verrigten.
Veenhuizen den 22 Julij 1825
(handtekening:) H. Smit
Een maand later, 20 augustus 1825, stelt ook de adjunct-directeur van het tweede gesticht, Sikke Berends Drijber, een verklaring op, invnr 75 scan 649:
De ondergetekende S.B. Drijber AdjunktDirecteur bij de Maatschappij van Weldadigheid, in het 2e Etablissement te Veenhuizen, verklaart bij dezen dat eenen kolonist Bernardus Kanselaar wonende in bovengenoemde gesticht, ongeschikt is om de zware veldarbeid te verrigten zoo ver mij ondergetekende gebleken is, zijnde oorzaak door zijne bekome wonden aan de benen.
Veenhuizen den 20 Augustus 1825
(handtekening:) SB Drijber
Een zaalopzienders-plaats
Maar als hij geen landarbeid kan doen en het spinwerk steeds zeldzamer wordt omdat de binnenstromende weeskinderen ook aan het werk gehouden moeten worden, waar moet het gezin dan van leven??
Een manier kan zijn een baan te verwerven bij de Maatschappij. En dus vraagt Bernardus Cantzelaar in een verzoekschrift, dat later blijkt te zijn gedateerd 16 januari 1826 (invnr 78 scan 41):
ter oorzake van onbekwaamheid tot het verder verrigten van den veldarbeid met eene zaalopzienders-plaats in eene der Etablissementen begunstigd te worden.
Maar hij heeft dat verzoek gericht tot het ministerie van Binnenlandse Zaken en die gaat daar niet over. Het in bureaucratie oefenende ministerie zendt het verzoekschrift eerst naar andere instantird die er ook niets mee te maken hebben, voordat het op 4 april 1826, invnr 78 scan 41, besluit Bernardus te verwijzen naar de permanente commissie. Die commissie neemt dat 13 april 1826 bij agendapunt 82, invnr 40 scan 10, voor 'notificatie' aan.
Verzoekschrift
Daar schiet Bernardus Cantzelaar allemaal niets mee op en dus schrijft hij op 19 april 1826 aan de permanente commissie, invnr 78 scan 213, waarbij hij de twee boven afgedrukte verklaringen meestuurt (plus een Staat van dienst, maar die is niet teruggevonden). Hij blijkt een duidelijk en goed leesbaar handschrift te hebben, maar het gebruik van interpunctie zou - vriendelijk gezegd - nog wat verbeterd kunnen worden:
WelEdele Heeren
Daar ik op den 16 Januarij Een smeekschrift aan Zijn Majesteit den Koning ingezonden hebben met verzoek om begunstigt t worden met een Zaal opzienders plaats in Een der Colonie vermis Z M het mijn beloof heeft om mijn gedagtig t wesen waar op ik in het Jaar 1823 Een Request aan Z M gesonden heb en het antwoord terug Gekregen heb om mijn bij het plaselijken Bestuur t vervoegen waar door ik van de Commissie van Amsterdam gesonden ben naar de kolonie Veenhuisen toen ben ik belast met de veld arbeid dat heb ik mijn wel laten gevallen tot tijt en weijl ik niet meer in staat was om te werken Zo als uijt de nevengaande Certificaten gesien kan worden.
Daar ik als Een Braaf militeir de tijt van 17 Jaar gediend heeft en door mijn goet gedrag ook de rang bekleed als Een onder officier Zo als in mijn staat van dienst Gesien kan worden Zoo hebben ik op 4 April dezes Jaars antwoord op mijn verzoek van Z M terug bekomen welke mij Verwijst om mij t vervoegen bij de permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid
Zoo is mijn Eerbiedig Verzoek aan de Edele Leden der Commissie om mijn Een plaats als Zaal opzieder t begunstigen in beloning Voor mijne Langdurige diensten en wonden Voor mijn Vaderland bekomen.
Waarmede ik mij in de Gunst van de Commissie aanbevelen en Noemen mij met allen agting en Eerbied
UE D W Dienaar
B: Kanselaar
Kolonie Veenhuisen
2de Etablissement
Den 19 April 1826
Negatief advies
De permanente commissie besluit 29 april bij agendapunt 43, invnr 40 scan 16, advies te vragen aan de directeur der koloniën. Dat (negatieve) advies komt op 13 mei 1826, invnr 78 scan 483, waarbij hij ook terloops bevestigt dat Aaltje Taas in Veenhuizen is. Hij meldt:
(...) dat de arbeiders kolonist Kantselaar niet de vereischte bekwaamheid tot zaalopziener of eenig ander employ schijnt te bezitten; deszelfs vrouw heeft goede hoedanigheden en is daarom als ziekenmoeder in het 3de Etablissement geplaatst.
De directeur geeft niet aan waarom Bernardus onbekwaam is. Op 25 mei 1826 bij agendapunt 74, invnr 40 scan 27, besluit de permanente commissie daarop
Het verzoek van Kantzelaar afwijzen.
Tussenkop
Onbewust van dat besluit neemt Bernardus Cantzelaar op 26 mei 1826 opnieuw de pen ter hand om te informeren hoe het er mee staat, invnr 78 scan 215-216:
WelEdele Heeren
Mijn verzoek is Zeer Vriendelijk of uEd mijn Verzoek ter hand is gekomen de twe Certificaten Een Staat van Dienst van genoemde Bernardus Kanselaar om geplaats te worden als Zaal opziender en Een der Etablissemente Waar van het afschrift van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken Bij uEd gezonden is.
Zo is mijn verzoek vriendelijk of ik de Eer mag hebben om en de Edele Heren haar Gunst t mogen Wesen om begunstig t worden met dat emploij Wand dat er velen bennen Van Zaal opsienders die niet Zo Veel aanspraak hebben dan ik 17 Jaar gediend geblesseerd om magtig Voor Veld arbeid te Verrigten
Wanneer de Edele mijn gedrag begeren te weten Zo kan mijn gedrag ondersogt worden aan het hof van Z M den Koning daar ik vier Jaar als Vuuraanlegger gediend heeft en daar mijn Eerlijk ontslag van versogt heb De bewijsen heb ik tans nog.
Waar meden ik mijn in de Gunst van de Commissie aanbevelen en Noemen mij met alle Achting en Eerbied
UEd W Dienaar
B: Kanselaar
Kolonie Veenhuisen
2de Etablissement
Den 26 Meij
Dat is dus volledig kansloos.
Ontslag
Op 26 september 1826, invnr 40 scan 98, besluiten Johannes van den Bosch en zijn medelid van de permanente commissie Faber van Riemsdijk tot het ontslag van 19 arbeidershuisgezinnen 'uit hoofde van ongeschiktheid tot den kolonialen arbeid'. Daaronder dat van Cantzelaar. Op 1 oktober 1826 keert het gezin terug naar Amsterdam.
Daarna zijn de klerken te Den Haag even niet bij de les, want het wordt niet genoteerd. Dat gebeurt pas als de directeur in een brief van 13 april 1827, invnr 84 scan 469, dus een klein jaar later, meedeelt dat het gezin Cantzelaar 'reeds in oktober 1826 is ontslagen'.
Bedelaarsgestichten
Jaren later zullen drie van de zoons uit het gezin, na de dood van vader Bernardus in 1835, in de bedelaarsgestichten terechtkomen. De eerste is Johannes, die op 17 april 1838 de Ommerschans wordt binnengebracht. De 17-jarige Johannes is dan 1 meter 42 lang, hij heeft een 'vol' aangezicht, zwart haar, bruine ogen, een platte neus, een ronde kin en geen bijzondere kenmerken. Hij wordt 11 augustus 1838 overgeplaatst naar Veenhuizen, waar hij dus al eerder gewoond heeft. Alleen woont hij nu op een bedelaarszaal. Hij wordt op 10 juni 1839 ontslagen.
Ook nog in 1838 volgt Bernardus, die 20 oktober 1838 op de schans wordt binnengebracht. De 22-jarige Bernardus is 1 meter 52 lang, heeft een 'ovaal' aangezicht, zwart haar en bruine ogen en een kleine neus en hij is pokdalig, hij heeft blijkbaar de kinderpokken gehad. Hij wordt 8 december 1838 overgeplaatst naar Veenhuizen, waar hij dus zijn jongere broer tegenkomt.
Terwijl hij vastzit, dient zijn stiefmoeder Aaltje Taas een verzoekschrift in waarin ze vraagt om zijn vrijlating en dat wordt 17 augustus 1839, invnr 215 scan 513, gehonoreerd. Maar al op 13 juni 1839 had Bernardus zijn lot in eigen handen genomen en had hij het gesticht verlaten door in dienst van de Marine te treden.
Later in 1839 heeft Johannes zijn tweede opname. Hij wordt 13 november 1839 binnengebracht, 30 november 1839 overgeplaatst naar Veenhuizen en 22 november 1843 ontslagen.
Dan weet hij een kleine twee jaar op vrije voeten te blijven, maar 30 september 1845 wordt hij weer aangebracht. Vanuit Zwolle, dus waarschijnlijk betreft het een vrijwillige opname. Hij wordt 11 oktober 1845 overgeplaatst naar Veenhuizen en 9 mei 1851 ontslagen. Daarna komt hij niet meer terug (omdat hij in het Werkhuis in Amsterdam overlijdt).
Als derde wordt Willem Frederik op 25 september 1847 in de Ommerschans opgenomen. Hij wordt 9 oktober 1847 overgeplaatst naar Veenhuizen, waar zijn broer Johannes dan ook woont, en hij wordt 17 mei 1850 ontslagen. Dus alleen Nicolaas is niet in het bedelaarsgesticht geweest.

Heeft u aanvullingen, correcties of vragen met betrekking tot Nicolaas Kanselaar?
De auteur van deze publicatie hoort het graag van u!


Via Snelzoeken kunt u zoeken op naam, voornaam gevolgd door een achternaam. U typt enkele letters in (minimaal 3) en direct verschijnt er een lijst met persoonsnamen binnen deze publicatie. Hoe meer letters u intypt hoe specifieker de resultaten. Klik op een persoonsnaam om naar de pagina van die persoon te gaan.

  • Of u kleine letters of hoofdletters intypt maak niet uit.
  • Wanneer u niet zeker bent over de voornaam of exacte schrijfwijze dan kunt u een sterretje (*) gebruiken. Voorbeeld: "*ornelis de b*r" vindt zowel "cornelis de boer" als "kornelis de buur".
  • Het is niet mogelijk om tekens anders dan het alfabet in te voeren (dus ook geen diacritische tekens als ö en é).

De getoonde gegevens hebben geen bronnen.

Aanknopingspunten in andere publicaties

Deze persoon komt ook voor in de publicatie:

Over de familienaam Kanselaar


Wilt u bij het overnemen van gegevens uit deze stamboom alstublieft een verwijzing naar de herkomst opnemen:
Andre Ottenhoff, "Stamboom Ottenhoff - Schilder", database, Genealogie Online (https://www.genealogieonline.nl/stamboom-ottenhoff/I23505.php : benaderd 27 september 2026), "Nicolaas Kanselaar (1817-1860)".