Hij is getrouwd met Elisabeth Sophia Wichers.
Zij zijn getrouwd op 26 juni 1760 te Noorddijk, hij was toen 28 jaar oud.Bron 1
OVERGENOMEN UIT NNBW :
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
LUBBERS (Theodorus), geb. te Beerta 9 Aug. 1731, overl. te Groningen 6 Juli 1804. Zijn ouders waren Johannes Lubbers, predikant (overl. 1773) en Bouwina Kimminga. Hij studeerde te Groningen in de godgeleerdheid en werd predikant te Breede (gem. Warfum) 19 Mei 1754, te Noorddijk 4 Jan. 1756, te Scheemda in 1766, te Groningen in 1768. In 1773 begon zijn arbeid in de commissie voor de nieuwe psalmberijming. Na den dood van Frans Lodewijk Cremer, overl. 20 Juni 1776 (zie dl. IV, kol. 472v.), werd hij hoogleeraar te Groningen. Zijn inaugureele rede hield hij 23 April 1777: Oratio inauguralis de theologo ad Christi, doctoris perfectissimi, exemplar formato. Te voren, 26 Aug. 1776, was hij doctor geworden. Na den dood van Paulus Chevallier (overl. 7 Maart 1796) onderwees hij ook de kerkgeschiedenis. Toen hij in 1780 het rectoraat had waargenomen, droeg hij het over met: Oratio de eoquod decet publicum religionis doctorem, quod ad studium curamque decoris civilis; en in 1796 met: Oratio pro historia ecclesiastica. Voorts verscheen van hem een lijkrede op Johannes Brill (overl. in Sept. 1764; zie dl. IV, kol. 303): De dood, de blijde rust en 't zalig lot van Daniël .... Dan. 12:13 .... (Gron. 1764); en Groningen tot dankbaarheid aangespoord in een kerkrede bij gelegenheid der plechtige inhaling van .... Willem V (Gron. 1773). Zijn vrouw was Elisabeth Sophia Wichers. Hun namen en familiewapens vindt men in de brandglazen van de kerk te Noorddijk. Op het einde van zijn leven heeft hij nog als afgevaardigde van Groningen meegewerkt aan de voorbereiding van de uitgave der evangelische gezangen voor de Ned. Hervormde Kerk. Bennink Janssonius schrijft (a.w., blz. 161): Het was voor de gemeenten een verblijdend teeken dat hij in de commissie werd benoemd. In zijn, door degelijkheid van inhoud en dichterlijken stijl uitmuntende redenen had hij zich als een man van wetenschap, oordeel en smaak doen kennen.
Er bestaat een portret van hem.
Zie: B. Glasius, Godgeleerd Nederland II ('s Hert. 1853), 409, III ('s Hert. 1856), 670; Kerkelijk Handboek (1914) Bijl. 146, 147 (aan te vullen), 151, 159, 162, 167; W.J.A. Jonckbloet, Gedenkboek der hoogeschool te Groningen (Gron. 1864), 98; R. Bennink Janssonius, Gesch. van het kerkgezang bij de Hervormden in Ned., 2e dr. (Amst. 1863), 161, 197, 207-211, 222; L. Knappert, Gesch. der Ned. Herv. Kerk II (Amst. 1912), 141, 225; Bibliotheca theologica et philosophica (Lugd. Bat., Burgersdijk en Niermans 1900), 785 (no. 554); Nederland in Woord en Beeld (Leid., Burgersdijk en Niermans 1924), 418.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Theodorus (= Derck) Lubbers | ||||||||||
1760 | ||||||||||
Elisabeth Sophia Wichers | ||||||||||