Hij is getrouwd met Gisbertgen Peters Brouwer.
Zij zijn getrouwd op 21 december 1606 te Vaassen, hij was toen 61 jaar oud.
“na 20 jaar te hebben samengewoond”
Hierde, Pilgrim van, ;(onder-)/trouwt op /21 12 1606 ;in Epe ;met Gisbertchen
Peters.
Kind(eren):
Het examen van Pelgrim van Hierden en het vervolg daarop:
Wij willen nu met behulp van de ,acta’ der classicale vergadering nagaan, hoe dat examen is afgeloopen. Tot vergadering waren behalve de reedsgenoemde personen verschenen afgevaardigden der magistrate van Harderwijk, Elburg en Hattem, predikanten en ouderlingen uit die steden, benevens de volgende ,,pastoren” van de Veluwe:
Wilhelmus die Weese uit Putten; Georgius van Coot, uit Ermelo; Johan Willemse, uit Nunspeet; Johannes ten Uutslach, uit Doornspyk; Johannes Cleeffken, uit Heerde; Peregrinus van Heerde, uit Vaasen; Bartholomeus ter Cluse, uit Oene; Henrick Wolterss, uit Voorthuizen; Evert Swaer, uit Nykerk ; bovendien 1 vicaris en 2 schoolmeesters. Niet opgekomen waren Timanus Alberti van Oldebroek en Ludolph Pieck van Epe, benevens enige vicarissen en schoolmeesters. Op verzoek van alle aanwezigen belastte Fontanus zich met de leiding der vergadering en het afnemen van het examen. Dit liep over de volgende punten:
1.De heilige schriften.
2. De wet.
3. Het onderscheid tusschen de wet en het evangelie.
4. Adams val.
5. De vrije wil.
6. De zonde
7. De middelaar.
8. Het evangelie.
9. Het symbolum.
10. God.
11. De engelen.
12. De schepping.
13. De voorzienigheid Gods.
14. Jezus Christus.
15. De apostelen en evangelisten.
16. Het priesterdom.
17. De eerstgeboren Zoon.
18. De hel.
19. De hemelvaart.
20. De kerk.
21. De rechtvaardiging.
22. De goede werken.
23. De sacramenten.
24. De doop.
25. Het avondmaal.
Onder het examen zijn de pastoors van Putten en Voorthuizen vertrokken met achterlating van eenen brief, waarin zij verklaarden te willen volharden bij hun oud geloof. Den heren uit Arnhem werd verzocht zulks aan het Hof mede te delen. De uitslag van het onderzoek was, dat de geexamineerden nog niet ,,gefondert” genoeg waren om tot den kerkdienst te worden toegelaten, waarom zij den raad ontvingen zich nog verder te ,bekeren’.
Vaassen.
Gelijk meerderen behoorde Pelgrum van Hierden oud-pastoor van Vaassen, tot hen, die met zeker voorbehoud in 1592 de artikelen onderteekenden. In November 1595 gelastte het Hof den Harderwijkschen kerkeraad hem voor zich te laten komen en te vermanen zich in allen deele aan de Gereformeerde kerkorde te houden, terwijl hem in 1597 — hij had nooit de vergaderingen bezocht — bevolen werd den Catechismus met ijver te bestuderenen met Gods woord te vergelijken. opdat hij in staat zoude zijn te verklaren. of hij dien al dan niet voor ,,schriftmatich” hield; alsook om zijne bijzit openlijk te huwen.
In 1599 verklaarde hij den Classis zijn bezwaar tegen art. 12 te hebbenlaten vallen, maar niet dat tegen den Catechismus en beloofde binnen een jaar te Apeldoorn het H. Avondmaal te zullen ontvangen en ,,sich alsoe der gemeinte Godts inlyven”. In April van het volgende jaar kwam hijna oproeping ter vergadering en bracht ten aanzien van het Avondmaal eenige uitvluchten te berde. Den Catechismus verklaarde hij ,,in sua qualitate” goed te vinden, maar zich op de onderteekening nog te wllen bedenken. Nu was het geduld der classicale broeders ten einde: zij oordeelden eenparig dat. ,,overmits he so langen tidt gehadt heeft ende so lange gedragen ist ende nochtans gehn runde verclaringe doen will, dat he in dinst des Wordes niet behoert geleden the worden inde derwegen door auctoriteit des Synodes van seinen dienst de facto the removeren". Tweemaanden later handelde de Synode in dezen geest. De zaak blijft echternog acht jaren lang zooals zij was. In 1601, 1603 en 1604 kwam zij in de Synode ter sprake, steeds zonder gevolg, totdat eindelijk in 1608, op aandringen der Classis de Synode het volgende bepaalde, dat licht werpt op de oorzaak van het handhaven van ongewenschte predikanten op veleplaatsen:
,,Sullen mede den Ed. Hove voordragen de grote ontstichtinge tot Vaeschen, allwaer een olden paep nu veele jaren tegen des Ed. Hoves meeninge ende placaten by den jonckeren is gemainteniert ende met eenen Jesuitschen schoelmeister versterckt, ten eynde door den Ed. Hoves eernstige bevehlen beide de paep ende schoelmeister mogen geremoviert worden”.
Wij zullen hierbij wel in de eerste plaats aan de heeren van Isendoorn van Blois, de Roomsch-Katholieke eigenaars van den Cannenburg, moeten denken.
Eerst in 1609 is de zaak ten einde gebracht.
Op 13 Maart gelastte het Hof den schout van Epe van Hierden te verbieden zich met den kerkdienst verder te bemoeien. Aan het antwoord hierop ontleen ik het volgende:
Hij zegt van den ,,pastoer” vernomen te hebben, dat 'siin L. een cranckelick, bedlegerigh, laemme, gichtich man sy ende nu een lange ruyme tiit van jaeren nerrigens anders heeft kunnen coemen als daer men hem heeft gevuyrt ende met een stoel gedraegen, ende light alnoch tegenwordich aen die vorschreven cranckheit den meesten tiit te bedde, weshalven hemonmoegelick op die sinodale vergaderingen te compareren, als die gantsche gemeintte alhier notoir is.
Seght oeck. dat hy sedert den jaer 1592 tot huyden toe niet heeft gedoceert noch ennige kerckelicke ceremonien in ‘t minste ofte meeste (syneswetens) geuseert, die ennichsins solden kunnen stryden tegens die Gereformeerde religie, ende verseuckt oetmoedelick. dat U.Ed. L. ende G. hem gelyeven goetlichen te vergunstigen, dat hy die gemeintte in dit aenstaende hoechtiit van Paesschen Godtz wordt noch mach trouligh prediceren sonder prejudicie der Gereformeerde religie, om inmiddels ende nae het hoechtiit te doen in dese saecke alst behoeren sall”
Het mocht niet baten: het Hof herhaalde zijn bevel met mededeling. dat op Paschen in den dienst te Vaassen zoude worden voorzien.
Vaassen vormde eenen uithoek der Nederveluwsche classis, waardoor de voorziening in den kerkdienst gedurende de vacature bezwaren opleverde. Men wendde zich daarom tot die van Overveluwe met een verzoek om "leendienst” der predikanten van Apeldoorn en Beekbergen. Dit verzoek werd ingewilligd met deze voorwaarde, dat ook uit de Nederveluwe twee predicanten zouden worden aangewezen, opdat er om de veertien dagen godsdienstoefening zoude kunnen plaats hebben.
Pelgrim Jansz van Hyerden | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1606 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gisbertgen Peters Brouwer | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.