Hij testeerde voor schepenen van Venloon op 1 september 1521, toen hij al wel getrouwd was, maar nog geen kinderen had. Er werd bij die gelegenheid vastgelegd dat wanneer Aert eerder zou overlijden aan zijn vrouw Aleyt Leempoel alle goederen die Aert in de heerlijkheid Venloon en in Holland bezat voor de helft haar bezit zouden over aan als er dan geen wettige nakomelingen zouden zijn terwijl er in het geval dat Aleyt eerder zou overlijden dan Aert en er dan evenmin wettige kinderen zouden zijn, haar erfgenamen pas zouden erven nadat ook Aert was overleden. Zes weken later, op 15 november 1521, verkocht Aert samen met zijn broer Thonis aan hun broer Hendrick alsulcken hofstat metten lants als Hendrick nu hebbende is. Ruim een kwart eeuw jaar later, op 29 januari 1547, deed Aert opnieuw van zich spreken, toen hij voor de schepenen van Loon op Zand liet vastleggen dat allen alzulcken gueden als hij nu ter tijt hebbende is, ´t zij in haeve ende in erve, ruerende ende onruerende, hoedanich dije bevonden ofte zullen moegen worden bevonden in de parochie ende heerlyckeyt van Venloen ende daarbuyten, heeft dye voerscreven Aert opgedraegen ende overgegeven Aleyten zijne wittighe huysvrou ende Adriaen ende Adriaen zijnen wittighen kynderen. Vrouw en kinderen kunnen echter nog niet helemaal zeker zijn van hun zaak, want Aert liet een belangrijke beperking in deze akte opnemen: ende heeft voirts Aert voirscreven vertegen ende gelooft dye opdragende ende vertegen altijt ende alzoe lange vast ende van weerden te houden tot ter tijt toe dat den voirsegden Aert gelyeven zal ´t voirsegde opdragen, overgeven ende vertijen te weederroepen, ende nyetlanger Aert Adriaens Oerlemans was op 4 april 1556 nog betrokken bij de koop van 6 1/2 lopenzaad moer, gelegen in de heerlijkheid van Venloon booven den Egmont. Hij kocht deze moergronden gezamenlijk met zijn neven Symon en Dierickck Hendrickserlemans.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.