Titel
Onderwerp
Beschrijving
De geschiedenis wil het echter beter weten en verhaald over een strijd van Belgische plunderaars die vergezeld met 5000 Belgische soldaten een mislukte veroveringsaanval uitvoerden op de Hollanders.
Bekijk volledige tekst
Bron
Datum
Bereik
Tekst
't Was in 1830 en de "Belze muiters", de Blauwkielen, gingen naar Zeeuwsch-Vlaanderen, om te zien of er niets te rooven viel. Daar was toen geen Hollandsche soldaat te bekennen. Hun heldendaden bepaalden zich echter niet alleen tot het lichten der geldkassen en het bedreigen der boeren, gelijk gij hooren zult.
Op een kwaden nacht naderen ze Oostburg, ze weten dat er niemand is om hen te weerstaan, en verheugen zich al op rijken buit. Doch wat zien ze daar... de wallen staan vol kanonnen; en de kanonniers zijn op hun post, de brandende lont in de hand. Dat was te veel voor die brave snoevers en ze vloden als hazen.
Toen konden de Oostburgers hun geschut weer binnen halen, en op zijn plaats zetten... hun geschut van louter boterpotten.
Tot zoover de overlevering.
De geschiedenis wil het, als altijd, beter weten.
Het open stadje Oostburg wordt doorsneden door den grooten straatweg, die van Breskens naar Sluis loopt. In den avond van den 22en october 1830 kwam een troep van zeventig Belgen langs dien weg, onder bevel van hun kapitein Alex Maréchal, en vergezeld door den commissaris van het voorloopig bewind te Brussel, Ernest Grégoire. Zij eischten van het stadsbestuur dat deze de regeering van Brussel zou erkennen. Hiertegen maakte de burgemeester bezwaar. Dit gaf oponthoud; de bende was niet in het stadje doorgedrongen, omdat de burgerij gewapend was, maar had aan het eind der lange Zuidstraat halt gehouden. Alleen de commissaris met eenige manschappen waren naar het stadhuis gegaan, om van de raad gedaan te krijgen, wat de burgemeester geweigerd had.
Toen rukte onverwachts een detachement van de 10e afdeeling, 50 man sterk, onder kapitein Groeneveld Oostburg van de andere zijde binnen; vele gewapende burgers voegden zichbij hen en men opende het vuur op de Belgen, die, niet op tegenstand bedacht, ijlings de wijk namen. Hun kapitein en vier man bleven daar, en nog dertien werden krijgsgevangen gemaakt.
Groot wasde indruk in Noord-Nederland. Het was de eerste tegenstand die de muiters ontmoetten. Maar de Belgen waren woedend; de schande moest uitgewischt en Oostburg gestraft worden. Zij bepaalden reeds welkebewoners het zouden moeten ontgelden, hun hoofden zouden op pieken worden rondgevoerd door Vlaanderen.
Tusschen gedachte en daad ligt gelukkig nog een breede kloof, dat zouden de Blauwkielen ondervinden.
Zondag, 31 october, brak aan.
Waren tot nu toe de Belgische plunderaars, in kleine colonnes, zonder geschut, gekomen, thans zetten ze alles op alles, en hadden geregelde troepen, 1000 à 1200 man bijeengebracht, natuurlijk onder bevel van Fransche officieren. Zij voerden drie stukken geschut mee, en werden vergezeld door wel 5000 Belgen, met snaphanen, hooivorken, zeisen en pieken gewapend.
Hiertegen konden wij slechts 300 man stellen en twee stukken geschut.
't Was tegen elf uur in den morgen van dien stillen herfstdag, en niemand in Oostburg verwachtte eenig onraad. Toen kwamen er van den kant van Aardenburg twee ruiters aan de herberg, waar de wacht stond; ze stegen af, en dronken een glas bier, daarop maakten ze de paarden weer los, stegen op en reden naar Aardenburg terug.
"Dat zijn zeker Brigands," zei de waard.
"Staat!" riep de schildwacht, maar ze reden nog eens zoo hard; de wacht loste een schot. Daar vertoonden zich opeens de Belgen van achter den dijk en openden een hevig snaphaanvuur; kort daarop begon ook hun geschut te vuren. Waren ze toegeloopen, dan was alles verloren geweest, doch het schieten maakte veel geweld, maar raakte niet, ze waren te ver af, schoten meest zonder vast doel en de wacht was gedekt door de herberg en eenige huizen. Het geschut der Belgen heeft in het heele gevecht geen schade aangericht, als gewoonlijk schoten ze te hoog, de kartetsen vielen aan den anderen kant van de stad neer.
In Oostburg zelf werd alarm geblazen. Men riep: "De Brigands! De Brigands!" Er was groote verwarring. Weldra echter spoedden zich verschillende manschappen met een stuk geschut naar het bedreigde punt.
Terwijl nu de groote hoop der Belgen van achter den dijk geweld maakte, zond hun bevelhebber, burggraaf de Pontecoulant, eenige soldaten uit om de onzen aan de rechterzijde aan te vallen. Zij trachtten door den polder te komen, maar het water in de breede sloot stond ver buiten de oevers, de polder was bovendien geploegd, en moeilijk te doortrekken. Toch zouden ze binnen een half uur hun doel bereikt hebben.
Middelerwijl hadden zich de scherpschutters der Belgen achter de huisjes van den grooten dam opgesteld, ze deden veel kwaad; kapitein Groeneveld en vele zijner mannen werden buiten gevecht gesteld, en daar de sergeant en twee der kanonniers gewond waren, raakte ook het stuk geschut onbruikbaar.
Nu achtte de burggraaf den tijd gekomen om aan te vallen; een vaandeldrager ging in 't midden van den straatweg staan, en in een gesloten rij rukte het krijgsvolk over den dijk langsden straatweg. Juist kwamen de overste Ledel en de luitenant der kanonniers ter plaatse; uit het stadje kwamen de onzen aanrukken; het andere stuk geschut werd in vliegende haast opgesteld, en vuurdedoor de gesloten rij der Belgen, de onzen schoten hun musketten af. Daar vielen de Fransche luitenants David en Caune en vele soldaten. De aanvallers weken; maar zoodra had de horde plunderaars en levenmakers dat niet gezien of ze kozen het hazenpad. Vluchten werkt aanstekelijk en de geregelde troepen volgden hun voorbeeld.
Zoo groot was de schrik bij sommigen, dat ze schuiten met mariniers op het water zagen en het gedruisch van wagens hoorden, die versterkingen aanbrachten. Ze bleven loopen, ofschoon ze niet vervolgd werden, en op drie uur afstands, in Maldeghem verspreidden zij zulk een schrik, dat velen met hen vluchtten, daar ze meenden dat de Nederlanders hen op de hielen zaten.

grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen