Hij is getrouwd met Bertha van Egmond.
huwelijkse voorwaarden)
(AHC 18, regest 235
Zij zijn getrouwd op 6 juli 1371, hij was toen 36 jaar oud.
Kind(eren):
Gerrit was beleend met Culemborg (1379).
Heer van de Leck , Werth en Wertherbruch, Culemborg en Schalkwijk.
Ridder en borg en raadsvriend hertog van Gelre.
Het wapen is waarschijnlijk afgeleid van het wapen van Zuilen en is bekend sinds de 14e eeuw. Het
wapen werd oa gevoerd door Gerrit van Culemborg (1379-1394) en Zweder van Culemborg, bisschop van
Utrecht (1425-1433), gevierendeeld met een zwarte leeuw op een veld van zilver.
fOp 20 juli 1340 'des donredaghes voer sinte Marien Magdalenendach' verhuren deken en kapittel van
St Johan tUtrecht, aan heer Hubrecht Sceijnk, heer van Culenborch, ridder, en zijn twee kinderen
Johan en Gherijd, een halve hoeve land te Scalcwiic in de Gheer.
Op 6 maart 1360 'des vrijdaechs voer sente Gregorius dach' belooft Alaert, heer van Bueren, knaap,
Gherijt van Culenborch schadeloos te houden voor de medebezegeling van den brief waarin hij zijn
vrouw Elisabet lijftocht. Op 31 maart 1362 'des donredaghes na onser Vrouwendach annunciacio'
beloven Johan, bisschop tUtrecht, en Gherijt van den Vene, proost van Aernhem, Gherijt van
Culenborch, knaap, schadeloos te houden voor een borgstelling bij Wouter Coevoet. Op 2 september
1363 'des saterdaechs na sente Johansdach decollatio' erkent Gherijt van Culenborch, knaap, van
zijn broeder den heer van Culenborch en van der Leck, voor zijn versterf ontvangen te hebben het
gericht van Jaersvelt, een aantal goederen in de maalschap van Mouderic en 2 waarden in het land
van Cleve, alle welke goederen leengoed van Culenborch zullen zijn. Op dezelfde dag erkent Jan,
heer vanCulenborch en van der Lecke, aan zijn broeder Gherijt van Culenborch de goederen te
hebben gegeven, vermeld in den brief van denzelfden datum.
Op de afbeelding kasteel Culemborg in 1646-1647 naar een tekening van Roelant Roghman. De aanzet
tot de bouw van het kasteel is gegeven door Gerrit's broer Johan van Culemborg tussen 1347 en
1377. Het kasteel is in de 17e eeuw in verval geraakt en aan het eind van de 18e eeuw gesloopt.
Op 1 april 1366 'des woensdaechs na Palmdach' belooft Peter van Culenborch, om Gherijt van
Culenborch schadeloos te zullen houden wegens een borgtocht bij Heinric van Keken. Op 24 februari
1367 'op sente Mathiis dach des apostels' belooft Peter van Culenborch, heer van Meere, zijn
broeder Gherijt van Culenborg schadeloos te houden voor een borgtocht bij Jan Codken van Sellaer.
Op 4 februari 1370 'des manendaghes na onser Vrouwendach te Lichtmisse' beloven Peter van
Culenborch, ridder, en Johan, heer en vrouwe van Meer, om Gherijt van Culenborch schadeloos te
houden voor zijn borgstelling tegenover Peter van Steenberghen bij den verkoop aan dezen van
goederen op de Velue.
Op 6 juli 1371 'des sonnendaghes na sinte Martiinsdach translacio' maken Ghijote, vrouwe van
IJselsteijn en van Egmond, Aernt, heer van Egmond, en Gherijt van Culenborch, knapen,
huwelijksvoorwaarden op tusschen Gherijt voornoemd en Berte van Egmond, dochter van Ghijote en
zuster van Aernt.
Op 31 mei 1372 'des manendaghes na des heijlighen Sacramentsdach' belooft Johan, heer van Lienden,
ridder, om heer Gherit van Culenborch, ridder, schadeloos te houden voor diens medebezegeling van
den brief waarin hij aan zijn vrouw Margriete van Ghenep een lijftocht toezegt. Op 15 augustus
1374 'op onser Vrouwendach assumptio' belooft Vrouwe Marie van den Vliet, haar broeder heer
Gherijt van Culenborg schadelooste houden voor de medebezegeling van een schadeloosbrief voor
Ghisebert, bastaard van Culenborg, en Willem van Rumelaer. Op 24 september 1376 belooft Gherijd
van den Vliet, knaap, zijn oom heer Gherijd van Culenborch, ridder, schadeloos te houden voor een
borgtocht bij heer Danel, heer van der Merwede, wegens den lijftocht van diens dochter Mechteld.
Op12 december 1376 'des vrijdaghes na onser Vrouwendach conceptio' beloven Heinric van Mauderic,
ridder, en zijn broeder Steven van Mauderic, om heer Gherijt van Culenborch, ridder, schadeloos
te houden wegens een borgtocht bij heer Johan van Groenenvelt en heer Reijnaer den Ever, ridders.
Op 10 april 1377 beloven Ghisebrecht, heer van Vijanen en van den Goeije, en Henric van Vianen,
heer van de Ameijde, om heer Gherijt van Culenborch schadeloos te houden voor de medebezegeling
van een schuldbekentenis.
Op 29 september 1377 'op sinte Michielsdach' bepalen deken en kapittel der kerk van St Marie
tUtrecht, dat voortaan heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, ridder, voor den tol te
Smijthusen, thans te Emmeric gelegen, en de hoven Ewiic en Malberghen een pacht van 20 en 12 mark
zilver 's jaars, en bij een nieuwe ontvangst 16 pond zilver zal betalen. Op dezelfde dag belooft
Gherijt, heer van Culenburch en van der Leck, ridder, zich aan de voorwaarden, vermeld in den
brief van 1377 september 29, te zullen houden. Op 16 maart 1378 'des dinxdaghes na sente
Gregorius dach pape' belooft Wouter, heer van Miinden en van Ruweel, om Gherijt, heer van
Culenborch en van der Lecke, schadeloos te houden wegens medebezegeling van een brief.
Op 10 oktober 1378 verklaart Mechtelt van Culenborch, vrouwe van Montfoert, met haar broederheer
Gherijt, heer van Culenbroch en van der Leck, een scheiding gemaakt te hebben over de
nalatenschap van hun broeder heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck. Op 25 maart 1379
'des vridaechs op onser Vrouwendach annunciatio' beleent Willem van Gulijc, hertog van Gelre en
graaf van Zutphen, heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, metde goederen waarmede
diens broeder beleend was. Op 2 januari 1381 'des woensdaghes nae Jaersdach gheheijten
Circumcisio domini' erkent Vrouwe Marije van Culenbroch, vrouwe van den Vlijet, door haar broeder
heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, voldaan te zijn van haar aandeel in de
nalatenschap van hun broeder Johan, heer van Culenbroch en van der Leck. Op dezelfde dag erkent
zij tevens dat zij aan haar broer Gherijt, heer van Culenbroch en van de Leck, beloofd heeft om
op zijn eerste aanmaning gerichtelijk afstand te zullen doen van hetgeen haar aanbestorven is van
haar broeder heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck. Dit wordt op 3 januari 1381
bevestigd door de richters van de gebieden die onder dit aanbestorven goed vallen, te weten door
Dijrc Borrenz, richter van Lanxmeer, en door Vranc die Blote, richter te Culenborch. Op 4 januari
1381 'des vridaghes na dertiendage' geeft Vrederic van Hekeren, ridder, kwijtschelding aan heer
Gherart, heer van Culenborch en van der Leck, van de verbintenis van wijlen heer Johan, heer van
Culenborgh en van der Leck, met een aantal andere heeren, bij heer Elbrecht van Eijl, ridder, en
diens vrouw Jutte, ten behoeve van heer Johan van Arkel, bisschop tUtrecht.
Op 4 februari 1381 'des manendaghes na onser Vrouwen Lichtmissedach' verklaart Henric Doijs van
Mauderic, knaap, aan Gherijt, heer van Culenborg envan der Leck, den halven wind te Mauderic
gegeven te hebben. Op 22 juli 1381 'op sente Marien Magdalenendach' erkent WIllem van Gulic,
hertog van Gelre etc, verzoend te zijn met heer Gherit, heer van Culenborgh en van der Leck. Op
27 maart 1384 'des sundages na halffasten' erkent Gerart, heer zu Culenburgh en zu der Leck,
trouw gezworen te hebben aan den aartsbisschop van Colne als leenheer.
Op 17 april 1386 'des dijnsdages na Palmedach' oorkondt Gherit, heer van Culenborch, dat zijn neve
Hubert van Mauderic opdraagt ten behoeve van zijn broeder Heinric van Mauderic 13 morgen land met
hofstede, gelegen op Pariservelt, en beleent Heinric daarmede. Op 17 september 1388 'op sente
Lambertsdach' erkent Hubrecht van Culenborch, heer van Meer, van zijn oom en gewezen voogd heer
Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, ontvangen te hebben wat hem aanbestorven is van zijn
vader Peter van Culenborch, heer van Meer, en doet afstand van al zijn rechten op de
heerlijkheden Culenborch, de Leck, Mauderic en de Weerd, den tol te Embrick en de nalatenschap
van zijn oom heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck, behoudens hetgeen aan zijn vader
was toebedeeld.
Op 15 november 1388 'des sonnendages na sente Mertinsdach episcopi hiemalis' geeft Willem van
Gulich, hertog van Gelre etc, aan heer Gherit, heer van Culenborch en van der Leck, het recht dat
diens poorters van Culenborch vrijdom van tol in zijn landenzullen genieten. Op 30 juli 1389
'des vridaghes nae sente Jacobsdach' oorkondt Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, dat
hij aan een door hem ter eere van de geboorte Christi gesticht altaar in de kerk te Culenborch
een vierdel land in Culenborgherbroeck, 11 hont op Zijdervelt, 10 hont te Everdinghen, een
vierdel land te Scalcwiic en 12 morgen te Scalcwiic schenkt, en verzoekt aan den bisschop van
Utrecht confirmatie van den door hem geprestenteerden vicaris heer Aelbert Zuurmont, priester.
Op 21 januari 1390 'op sente Agnietendach' erkent Herman van Wulven, knaap, verkocht te hebben aan
heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, al zijn rechten op de Steenweert in het gericht
van Honswiic, die hij in leen houdt van den bisschop van Utrecht, en waarmede hij Sweder van
Voern beleend heeft. Op 20 juni 1390 'des manendages nae Viti et Modesti' erkent Herman van
Wulven, knaap, ontvangen te hebben van heer Gerijt, heer van Culenborg en van der Lecke, 125
gulden in afkorting van den koopprijs van 250 gulden van de Steenweerd.
Op 27 februari 1390 verklaart Gerijt, heer van Culenborch en van der Lecke, dat zijn zusters de
vrouwe van Montfoorde, wijlen de vrouwe van den Vlijet, de vrouwe van Miinden en de vrouwe van
Weerdenberch met hemzelf erfgenamen zijn van hun broeder heer Johan. Op dezelfde dag verklaart
Gerijt, heer van Culenborch en van der Lecke, mede namens de erfgenamen van zijn zuster de vrouwe
van der Vliet, een accoord aangegaan te hebben met Johan Heldebol c.s. voor aan zijn overleden
broeder heer Johan voorgeschoten gelden.
Op 12 september 1391 'des dinxdaghes nae onser Liever Vrouwendach nativitas' geeft Gerijt van
Beesde, knaap, aan heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, kwijtschelding van alle
grieven die hij of zijn vader hadden. Op 8 november 1391 oorkondt de officiaal van den
choorbisschop van Traiectum dat Florentius de Jutfaes, knaap, die zijn geschillen met Gerardus,
heer van Culenborch en van Lecka, ridder, over het patronaatschap van Schalcwick heeft bijgelegd,
zijn rechten daarop aan heer Gerardus overdraagt. Op 4 januari 1392 'des donredages post
circumcisionem domini geheiten Jairsdach' verzoekt Gerit, heer van Culemborch, aan den bisschop
van Utrecht om confirmatie op de schenking door de broederschap en zusterschap van Onze Lieve
Vrouw van Hemelrick voor het Heilige Kruis altaar in de kerk te Culemborch.
Op 7 april 1392 'opten heiligen Palmdach' erkent Willem van Gulich, hertog van Gelre etc. schuldig
te zijn aan heer Gherait, heer van Culenborgh en van der Leck, een som van 1000 rijnsche guldens,
en stelt tot borgen voor de terugbetaling heer Johan van Hoentselaer genaamd van den Velde, heer
Robbert van Apelteren, ridders, Herman van Wij, ambtman van Tiel en in Nederbetuwe, Gadert van
Stampraide, opperrentmeester, Arndt ten Boickoep, ambtman in Veluwe, en Johan van der Capellen,
rentmeester van het land van Zutphen. Op 24 februari 1393 'op sente Mathiis dach apostel' belooft
Gherijt van Heerler, heer van Poderoijen, om heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck,
schadeloos te houden wegens een borgtocht van eenigevan diens onderdanen.
Op 4 maart 1393 gaan Willem Sluter, abt van St Marijenweerde, en Gerijt, heer van Culenborg en van
der Leck, een overeenkomst aan ter beslechting van hun geschillen. Op dezelfde dag geeft Willem
Sluter aan Gherit het losrecht gedurende 6 jaar van de hofsteden en land in de Nijerpoirt. Op 21
maart 1393 komen burgemeester, schepenen en raad van Nijmeghen overeen met heer Gherit, heer van
Cuijlenborgh en van der Lecke, dat hun burgers vrijdom van den tol te Embnc zullen genieten, doch
gehouden zijn deze stad aan te doen om de herkomst der goederen en schepen te beëdigen. Op 1
december 1393 'des manendaghes nae sente Andries dach apostel' belooft Gerit, heer van Culenborch
en vander Lecke, Johan van Vijanen 400 Geldersche guldens te zullen betalen, zodra de bisschop
van Utrecht hem zal hebben beleend met de hofstede van Bloemensteijn met 3 morgen land, gelegen
te Honswiick
Op 12 september 1391 'des dinxdaghes nae onser Liever Vrouwendach nativitas' geeft Gerijt van
Beesde, knaap, aan heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, kwijtschelding van alle
grieven die hij of zijn vader hadden. Op 8 november 1391 oorkondt de officiaal van den
choorbisschop van Traiectum dat Florentius de Jutfaes, knaap, die zijn geschillen met Gerardus,
heer van Culenborch en van Lecka, ridder, over het patronaatschap van Schalcwick heeft bijgelegd,
zijn rechten daarop aan heer Gerardus overdraagt. Op 4 januari 1392 'des donredages post
circumcisionem domini geheiten Jairsdach' verzoekt Gerit, heer van Culemborch, aan den bisschop
van Utrecht om confirmatie op de schenking door de broederschap en zusterschap van Onze Lieve
Vrouw van Hemelrick voor het Heilige Kruis altaar in de kerk te Culemborch.
Op 7 april 1392 'opten heiligen Palmdach' erkent Willem van Gulich, hertog van Gelre etc. schuldig
te zijn aan heer Gherait, heer van Culenborgh en van der Leck, een som van 1000 rijnsche guldens,
en stelt tot borgen voor de terugbetaling heer Johan van Hoentselaer genaamd van den Velde, heer
Robbert van Apelteren, ridders, Herman van Wij, ambtman van Tiel en in Nederbetuwe, Gadert van
Stampraide, opperrentmeester, Arndt ten Boickoep, ambtman in Veluwe, en Johan van der Capellen,
rentmeester van het land van Zutphen. Op 24 februari 1393 'op sente Mathiis dach apostel' belooft
Gherijt van Heerler, heer van Poderoijen, om heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck,
schadeloos te houden wegens een borgtocht van eenige van diens onderdanen.
Op 4maart 1393 gaan Willem Sluter, abt van St Marijenweerde, en Gerijt, heer van Culenborg en van
der Leck, een overeenkomst aan ter beslechting van hun geschillen. Op dezelfde dag geeft Willem
Sluter aan Gherit het losrecht gedurende 6 jaar van de hofsteden en land in de Nijerpoirt. Op 21
maart 1393 komen burgemeester, schepenen en raad van Nijmeghen overeen met heer Gherit, heer van
Cuijlenborgh en van der Lecke, dat hun burgers vrijdom van den tol te Embnc zullen genieten, doch
gehouden zijn deze stad aan te doen om de herkomst der goederen en schepen te beëdigen. Op 1
december 1393 'des manendaghes nae sente Andries dachapostel' belooft Gerit, heer van Culenborch
en van der Lecke, Johan van Vijanen 400 Geldersche guldens te zullen betalen, zodra de bisschop
van Utrecht hem zal hebben beleend met de hofstede van Bloemensteijn met 3 morgen land, gelegen
te Honswiick
Op 12 september 1391 'des dinxdaghes nae onser Liever Vrouwendach nativitas' geeft Gerijt van
Beesde, knaap, aan heer Gerijt, heer van Culenborchen van der Leck, kwijtschelding van alle
grieven die hij of zijn vader hadden. Op 8 november 1391 oorkondt de officiaal van den
choorbisschop van Traiectum dat Florentius de Jutfaes, knaap, die zijn geschillen met Gerardus,
heer van Culenborch en van Lecka, ridder, over het patronaatschap van Schalcwick heeft bijgelegd,
zijn rechten daarop aan heer Gerardus overdraagt. Op 4 januari 1392 'des donredages post
circumcisionem domini geheiten Jairsdach' verzoekt Gerit, heer van Culemborch, aan den bisschop
van Utrecht om confirmatie op de schenking door de broederschap en zusterschap van Onze Lieve
Vrouw van Hemelrick voor het Heilige Kruis altaar in de kerk te Culemborch.
Op 7 april 1392 'opten heiligen Palmdach' erkent Willem van Gulich, hertog van Gelre etc. schuldig
te zijn aan heer Gherait, heer van Culenborgh en van der Leck, een som van 1000 rijnsche guldens,
en stelt tot borgen voor de terugbetaling heer Johan van Hoentselaer genaamd van den Velde, heer
Robbert van Apelteren, ridders, Herman van Wij, ambtman van Tiel en in Nederbetuwe, Gadert van
Stampraide, opperrentmeester, Arndt ten Boickoep, ambtman in Veluwe, en Johan van der Capellen,
rentmeester van het land van Zutphen. Op 24 februari 1393 'op sente Mathiis dach apostel' belooft
Gherijt van Heerler, heer van Poderoijen, om heer Gherijt, heer van Culenborch en vander Leck,
schadeloos te houden wegens een borgtocht van eenige van diens onderdanen.
Op 4 maart 1393 gaan Willem Sluter, abt van St Marijenweerde, en Gerijt, heer van Culenborg en van
der Leck, een overeenkomst aan ter beslechting van hun geschillen. Op dezelfde dag geeft Willem
Sluter aan Gherit het losrecht gedurende 6 jaar van de hofsteden en land inde Nijerpoirt. Op 21
maart 1393 komen burgemeester, schepenen en raad van Nijmeghen overeen met heer Gherit, heer van
Cuijlenborgh en van der Lecke, dat hun burgers vrijdom van den tol te Embnc zullen genieten, doch
gehouden zijn deze stad aan te doen om de herkomst der goederen en schepen te beëdigen. Op 1
december 1393 'des manendaghes nae sente Andries dach apostel' belooft Gerit, heer van Culenborch
en van der Lecke, Johan van Vijanen 400 Geldersche guldens te zullen betalen, zodra de bisschop
van Utrecht hem zal hebben beleend met de hofstede van Bloemensteijn met 3 morgen land, gelegen
te Honswiick
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Gerrit van Culemborg | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
1371 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bertha van Egmond | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.