Oorzaak: slokdarmkanker
(1) Hij had een relatie met (Niet openbaar).
Kind(eren):
(2) Hij had een relatie met (Niet openbaar).
Kind(eren):
Uiteindelijk is het de maandag op 78-jarige leeftijd overleden hoogleraar cardiologie Arend Jan Dunning niet gelukt 'staand' te sterven.
In 1999 zei hij in dagblad Trouw: ''Ik ben nu achter in de zestig. Ik heb enig lek en gebrek en begin dus na te denken over de beperkingen van mijn bestaan. De realiteit van het levenseinde is mij goed bekend. Ik voel er erg weinig voor om in mijn slaap te overlijden. Ik zou graag van iedereen afscheid nemen. Ik zou, zoals generaal De Gaulle zei, vivant, staande, 'levend dood' willen gaan, maar dat heb je niet te kiezen.''
Dunning, die slokdarmkanker had, overleed na een operatie in het AMC. Eigenlijk had hij het in de Volkskrant in 2002 voorspeld: ''De mens is geen olifant die op een dag omvalt en blijft liggen. De mens sterft door ziekte.''
Dunning (Arnhem, 1930) was tot 1993 hoofd van de afdeling cardiologie van het AMC. Hij was vice-voorzitter van de commissie Structuur en Financiering van de Gezondheidszorg (commissie Dekker) en voorzitter van de commissie Keuzen in de Zorg. Hij werd bekend vanwege 'de trechter van Dunning', maatstaf voor medische ingrepen die in het basispakket thuishoren.
Dunning was hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en schreef boeken, onder meer over het onvermogen in de geneeskunde. Voor de PvdA was hij voorzitter van de commissie die in 1998 de kandidatenlijst voor de Kamer verkiezingen opstelde. En hoewel hij een koninklijk lintje had ontvangen, was hij mede oprichter van het Republikeins Genootschap.
Als geen ander relativeerde Dunning de overspannen verwachtingen over de medische vooruitgang. Dat had ook te maken met de dood van zijn eerste vrouw - ze was midden dertig toen ze stierf vanwege borstkanker. ''We hadden drie kleine kinderen. Het is de meest ingrijpende gebeurtenis in mijn leven geweest. Na haar dood heb ik besloten mij van veel dingen niets meer aan te trekken. Ik heb toen wel eens gedacht: was ik maar dood, maar de kinderen moesten naar school, er moest gegeten worden en aan tal van andere verplichtingen worden voldaan. Ik kon het bestaan niet loslaten, maar het werd er door haar dood wel een stuk armer door,'' zei hij in 1999.
Dunning groeide op in een orthodox-protestants gezin. ''Mijn vader was een strenge, formele man die zijn gevoelens niet zo snel zou uiten, ook al had hij ze wel degelijk. Mijn moeder was een warme, hartelijke vrouw die dol was op haar drie zonen en met hen ook heel spontaan omging. Ik ben niet opgevoed in een kil, calvinistisch gezin, integendeel.'' Maar het geloof had zijn beperkingen. ''Het was een lust- en kunstvijandig geloof en bovendien buitengewoon gelijkhebbend. Ik herinner mij dat men in de Hongerwinter, in de allerdiepste misère die je je kunt bedenken, verbitterd met geloofsgenoten kon twisten over één of andere letter van de kerkorde - alsof de wereld niet in brand stond. Het geloof dat ik in een zekere dorre vorm leerde kennen, is bij mij niet beklijfd.''
De laatste sporen van religie werden uitgewist in het ziekenhuis. ''Zoveel zinloze ziekte en ontijdige dood heb ik nooit kunnen verenigen met het beeld van een goede of almachtige God.''
Een dokter moest zijn beperkingen kennen. ''Dokters als replica's van God, strijders in het wit, de ultieme priesterkaste die toegang moet geven tot een gezond en lang leven. De patiënten vragen wel eens: 'Hoe lang geeft u mij nog?' Maar ik héb niets te geven. Ik ben geen heer over leven of dood.''
Hij lag wel eens wakker van zijn werk. ''Er is ongetwijfeld wel eens iemand door mijn toedoen overleden. Het enige wat je kunt doen met een fout is hem erkennen en uitvinden hoe je hem een volgende keer kunt vermijden. Bovendien is er de volgende dag weer een andere patiënt. Er is een Frans spreekwoord dat zegt: iedere dokter heeft een kerkhof, waar het goed is om even te mediteren. Slordigheid is ernstig, maar voor fouten die gemaakt werden in een oprecht uitoefenen van het beroep, moet vergeving mogelijk zijn.''
Desondanks: ''Ik had het gevoel iets te doen waarmee ik anderen hielp... ja, dit klinkt zo pathetisch, maar toch: ik heb iets zinvols kunnen doen voor de mensen die onder mijn zorgen kwamen.''
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.