Stamboom Dullemen » Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa (570-632)

Persoonlijke gegevens Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa 

  • Hij is geboren op 9 mei 570.
  • Hij is overleden op 8 juni 632, hij was toen 62 jaar oud.

Gezin van Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa

Hij is getrouwd met KhadîJah Bint Khuwaylid Banu As'Sad al-Qurayshiyya.

Zij zijn getrouwd.


Kind(eren):



Notities over Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa

Mohammed (Mekka 570 - Medina 8 juni 632), de stichter van de islam, naar hem door niet-moslims ook
wel de mohammedaanse godsdienst genoemd. Hij werd geboren te Mekka, uit de verarmde tak Hasjim
van de machtige stam van de Koeraisjiten. Daar zijn vader, Abdallah, voor zijn geboorte overleed
en zijn moeder, Amina, overleed toen hij zes jaar oud was, werd Mohammed als wees opgevoed door
zijn grootvader, Abd al-Moettalib, en later door zijn oom van vaderskant, Aboe Talib. 1.
Openbaring Op 25-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met zijn oorspronkelijke werkgeefster,
de vijftien jaar oudere, rijke weduwe Chadidja, die tot haar dood zijn enige vrouw bleef. Zij was
de eerste die in Mohammeds verheven zending geloofde. Uit de verbintenis werden verscheidene
kinderen geboren, van wie echter alleen Fatima, later gehuwd met Aboe Talibs zoon Ali, haar vader
overleefde. Hun afstammelingen, de sjarifs en de sajjids, genieten tot op heden groot aanzien
onder de moslims. Als inwoner van het handelscentrum Mekka kwam Mohammed reeds op jeugdige
leeftijd in contact met joden en christenen. Dikwijls zonderde hij zich af in de heuvels buiten
Mekka om zich aan meditatie over te geven. In 610, gedurende een van deze perioden, zou hij voor
het eerst een stem (later geïdentificeerd als die van de engel Gabriël) gehoord hebben, die hem
beval: 'Reciteer (ikra), in de naam van uw God die schiep' (vgl. Koran 96:1). De profeet had
zijn roeping: de verkondiging van de hem geopenbaarde goddelijke woorden. Dit was de eerste van
een lange, tot 632 voortdurende reeks van openbaringen, die na zijn dood werden verzameld en als
soera's (hoofdstukken) gerangschikt in de koran. In de oudste openbaringen vindt men de volgende
opvattingen: God is één. Hij is almachtig. Hij is de schepper van het universum. Er is een dag
des oordeels. Schitterende beloningen wachten de gelovigen in het paradijs, vreselijke straffen
in de hel zullen de ongelovigen ten deel vallen. 2. Eerste volgelingen In zijn geboortestad had
Mohammed als profeet aanvankelijk weinig succes, vooral omdat de rijke Mekkanen vreesden dat het
afschaffen van de oude heidense tempels nadelige invloed zou hebben op hun stad als commercieel
centrum. Bescherming door vooraanstaande familieleden en vrienden maakte het Mohammed echter
voorlopig nog mogelijk zijn profetische activiteit voort te zetten. Tot zijn eerste en ijverigste
volgelingen behoorden Chadidja, zijn dochter Fatima, Ali, en zijn vrienden Aboe Bakr en Omar ibn
al-Chattab, na zijn dood resp. de eerste en de tweede kalief (plaatsvervanger). Gedurende deze
periode had Mohammed zo nu en dan contact met bewoners van het ten noorden van Mekka gelegen
Jathrib, bij wie zijn boodschap meer weerklank vond dan bij zijn stadgen en die hem bovendien een
arbitrale functie in de reeds jaren durende veten tussen de Jathribijnse stammen van de Aws en
Chazradj hadden toebedacht. 3. Vlucht uit Mekka Toen Mohammed, na het overlijden van enkele
beschermers, zijn hopeloze positie in Mekka inzag, liet hij zich al spoedig overhalen naar
Jathrib te emigreren, welke verhuizing in het Arabisch hidjra wordt genoemd. In sept. 622 kwam
Mohammed te Jathrib aan; de stad werd nadien Madinat al-Nabi (stad des profeten) of kortweg
al-Madina (Medina) genoemd. Niet lang na zijn komst wist Mohammed de te Medina heersende
stamveten op te lossen. In Medina was hij niet alleen profeet, maar ook politiek leider van de
gemeenschap. Deze ommezwaai wordt duidelijk in de inhoud van de openbaringen weerspiegeld:
terwijl in de Mekkaanse soera's het profetisch vuur vrijwel voortdurend aanwezig is, worden in de
te Medina geopenbaarde soera's steeds meer de sociale en economische problemen van de nieuwe
moslimgemeenschap (oemma) behandeld. In Medina had Mohammed vnl. te maken met drie groepen:
allereerst de groep gelovige Mekkanen, die met hem de reis naar Medina hadden gemaakt
(moehadjiroen), verder de Jathribijnse gelovigen van het eerste uur, de helpers (ansar), en ten
slotte met een groep weifelaars (moenafikoen). Mohammed wist hen met groot politiek inzicht in
een geordende samenleving bijeen te brengen. 4. Verhouding tot de joden De drie joodse stammen te
Medina werden door Mohammed aanvankelijk ook tot de oemma gerekend, omdat hij zelf zijn boodschap
zag als een voortzetting van de vroeger aan joden en christenen geopenbaarde godsdiensten. Toen
de joden evenwel weigerden hem als profeet te erkennen en hij zelfs door hen werd bespot, werden
zij door Mohammed onverzoenlijk vervolgd. Als gevolg van dit conflict met de joden veranderde
Mohammed de gebedsrichting (kibla) van Jeruzalem naar de Ka'ba te Mekka, met welke maatregel hij
tegelijkertijd aan de tegenstand van de Mekkanen tegemoet kwam. Toen Mohammed niet de bijval van
joden en christenen kreeg die hij aanvankelijk verwachtte, begon zich de islam steeds meer als
een nieuwe godsdienst af te tekenen. Joden en christenen zouden 'de hun geopenbaarde teksten
hebben vervalst', die nu, in een nieuwe vorm, door Mohammed opnieuw aan de mensheid werden
voorgelegd. 5. Strijd en verzoening met Mekka Nadat Mohammed zijn positie in Medina had zeker
gesteld, bleven conflicten met de oude vaderstad Mekka niet lang uit. Na wat kleine
schermutselingen volgden de veldslagen van Badr en Oehoed en de 'greppeloorlog'. In het zesde
jaar na de hidjra, die als uitgangspunt van de islamitische jaartelling wordt genomen, werd met
de Mekkanen het verdrag van Hoedaibijja gesloten. Het jaar daarop bezocht Mohammed de Ka'ba te
Mekka, waar hij vele nieuwe aanhangers verwierf. Na verbreking van het verdrag door enkele
Mekkanen kon hij dan ook zonder slag of stoot zijn oude vaderstad binnentrekken. Mede door zijn
buitengewone lankmoedigheid als overwinnaar werd hij spoedig door alle Mekkanen als profeet en
leider van de oemma aanvaard. Het was voor Mohammeds doeleinden essentieel dat de Mekkanen zich
eigener beweging bij hem zouden aansluiten, zodat hij een gedegen basis had voor verdere
uitbreiding van de moslimgemeenschap. Bij zijn dood (632) was vrijwel het gehele Arabisch
schiereiland, althans in naam, bekeerd. Later, toen in verband met Mohammeds dood de islam zijn
eerste grote crisis kreeg te doorstaan, gingen de Mekkanen voorop in het herstellen van de
islamitische suprematie in Arabië. 6. Persoonlijkheid en invloed Bij het bezien van Mohammeds
persoonlijkheid en zijn morele en sociale invloed valt het moeilijk onderscheid te maken tussen
authentieke overlevering en latere verzinselen en toevoegingen. Vast staat wel dat hij uiterst
eenvoudig leefde en altijd bereikbaar was voor zijn volgelingen; het enige privilege waarop hij
aanspraak scheen te maken, was zijn uitgebreid huwelijksleven. Hoewel hij aan anderen ten hoogste
vier echtges toestond, trouwde Mohammed na de dood van Chadidja nog een dozijn andere vrouwen,
waarvan sommigen om politieke redenen. Zijn lievelingsvrouw, Aisja, speelde ook na zijn dood nog
een belangrijke rol. Voor hij stierf volbracht Mohammed de later zo genoemde afscheidsbedevaart
naar de Ka'ba te Mekka. De verschillende handelingen die hij hierbij verrichtte, werden later
door de moslims als rituele voorschriften voor de hadj (bedevaart) genomen. In het islamitisch
geloof staat de figuur van Mohammed centraal; de geloofsbelijdenis (sjahada) getuigt: 'Er is geen
God dan Allah (dé God), en Mohammed is zijn boodschapper'. Mohammeds bijzondere positie komt
voort uit zijn rol als boodschapper van God en voorbeeld voor de gelovigen. Zijn uitspraken en
handelingen (soenna) zijn verzameld in de hadith en in canonieke werken. Na de koran is dit de
belangrijkste bron van de islamitische plichtenleer (fikh). Hoewel Mohammed in de koran en de
oudste overleveringen als gewoon mens wordt afgeschilderd, werden hem in de loop van de tijd
steeds meer bovennatuurlijke gaven toegekend en werd hij voorwerp van steeds grotere verering.
Mohammeds vermoedelijke graf te Medina, waarboven een grote moskee is gebouwd, wordt jaarlijks
door vele pelgrims bezocht. Een van de oudste islamitische bronnen is: Ibn Ishak (gest. 768), Het
leven van Mohammed, vert. d. W. Raven (1980); Idem, The life of Muhammad (1955). "Mohammed
[religie]", Encarta(R) 99 Encyclopedie Winkler Prins Editie. Alle rechten voorbehouden.

Heeft u aanvullingen, correcties of vragen met betrekking tot Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa?
De auteur van deze publicatie hoort het graag van u!

Voorouders (en nakomelingen) van Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa


Via Snelzoeken kunt u zoeken op naam, voornaam gevolgd door een achternaam. U typt enkele letters in (minimaal 3) en direct verschijnt er een lijst met persoonsnamen binnen deze publicatie. Hoe meer letters u intypt hoe specifieker de resultaten. Klik op een persoonsnaam om naar de pagina van die persoon te gaan.

  • Of u kleine letters of hoofdletters intypt maak niet uit.
  • Wanneer u niet zeker bent over de voornaam of exacte schrijfwijze dan kunt u een sterretje (*) gebruiken. Voorbeeld: "*ornelis de b*r" vindt zowel "cornelis de boer" als "kornelis de buur".
  • Het is niet mogelijk om tekens anders dan het alfabet in te voeren (dus ook geen diacritische tekens als ö en é).

De getoonde gegevens hebben geen bronnen.

Over de familienaam Al-Mustafa


De publicatie Stamboom Dullemen is opgesteld door .neem contact op
Wilt u bij het overnemen van gegevens uit deze stamboom alstublieft een verwijzing naar de herkomst opnemen:
Ton Deunhouwer, "Stamboom Dullemen", database, Genealogie Online (https://www.genealogieonline.nl/stamboom-dullemen/I36905.php : benaderd 16 januari 2026), "Muhammad Ibn Abd AllâH al-Mustafa (570-632)".