Kind(eren):
24. Jacob van Winssen, kanunnik van St. Pieter te Utrecht, geboren ca. 1475 te Woerden, overleden op 2.1.1547 te Utrecht. Archief Kapittel van St. Pieter (RAU, Toegang Nr. 20): Inv.Nr. 139, anno 1492 (1 charter): Jacob van Winssen, kanunnik van het kapittel, erkent, dat het kapittel hem voor zijn leven verkocht heeft een huis en hofstede binnen de montade van de kerk, daar Jan van Renesse van Wulven in gewoond heeft, en zulks op voorwaarden en renten, vermeld in de hier ingelaste brief van het kapittel. Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880. Inv.nr. 1088: Akte waarbij deken en kanunniken van het kapittel van St. Pieter te Utrecht Jacobus van Winssen als kanunnik opnemen, gepasseerd voor notaris Ghijsbert Stevensz. van Merlo, 1484 (1 charter in het Latijn). Vicarien op het altaar van de heilige Drievuldigheid in de Nieuwekerk te Amsterdam, (Inv.nr. 1641): Akte van overdracht van het collatierecht van de vicarie door Jacob van Winssen aan zijn broer Gerrit van Winsen, gepasseerd voor notaris Gerardus Bijer, 1507; met akte van bekrachtiging van de overdracht door Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, 1507 (2 getransfigeerde charters in het Latijn).Vicarien op het altaar van de heilige Drievuldigheid in de Nieuwekerk te Amsterdam, (Inv.nr. 1641): Akte van overdracht van het collatierecht van de vicarie door Jacob van Winssen aan zijn broer Gerrit van Winsen, gepasseerd voor notaris Gerardus Bijer, 1507; met akte van bekrachtiging van de overdracht door Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, 1507 (2 getransfigeerde charters in het Latijn). Inv.nr. 1089: Octrooi van keizer Karel V voor Jacobus van Winssen om bij testament over zijn leengoederen te mogen beschikken, 1539 (1 charter). ".... Doen te weten dat ten ootmoedigen bede ende begeerte van heer Jacob van Winsen canonick van Sinte Pieters kercke In onsse stede van Wuijtrecht geboren van Woerden ... ... wettige zone wijlen Pieter van Winsen ende Janna van Woudenberch zijne huisvrouw" etc. etc Verwijzingen van Cornelis Booth naar zijn eigen delen met transcripties (de nummers geven de inventarisnummers in het Rijks Archief te Utrecht aan): 155-7, fol.197, 197 verso, d.d. 1520: Deijlenisse gedaen bij Jacob van Winssen ten behoeve van Loef Verhaer (pruster?): "Ick, Willem van Rossum, h[eer] van Zoelen, Reijnauwen, doe condh[eer] Jacob van Winsen, can[onick] S[inte] Peters tUtr[echt] en[de] bekende met sijns voechts hant, daer hij mit recht en[de] oordeel toequam voor hem ende sijnen leenvolger schuldich te wesen vuijt 24 m[ergen] l[and] alse die gelegen sijn int nedersticht va[n] btp.(?) in Vechterebroeck, dat hij van de hoffstede Reijnauwen te leen houdende is, den eers[ame] h[eer] Louff van der Haer ende sijnen nacomelingen, 4 goede goude overlantse keurvorster Rijnse g[uldens], gewichten voor datum sbriefs gemunt, of ander goet paijement der weerden, sjaers erffelicke losrenten, te betalen d'een helfte opten paeschdach nu naestcomende en[de] dander op h[eilige] Victoeren d[ach] daer naest volgende ende soe voorts, jaerlics erffelick, mit sulcke vorwarden, dat h[eer] Jacob van Winsen voors., of sijne nacomelingen, dese voors. 4 goude g[uldens], tot alre tijt alst hem betreft, op enich termijn van betalinge, van h[eer] Loef v[ander] H[aer], of sijne nacomelingen, sullen mogen vrijen en[de] of coopen, elcken pen[ning] met sestien der selve pen[ningen] paijements voors[creven], ende mitte renten, die dan dair of verschenen en[de] onbetaelt waren, welcke vercopinge der renten vuijt die 24 m[ergen] l[and] voors[creven] bijden hier voors[creven] h[eer] Jacob van Winsen, can[onick], aldus gedaen. Ick, Willem van Rossum, als leenheer mit onse hant vertegen, toe laten ende confirmeren ten leenrecht stedicheijt te houden, als dat van rechten wegen behoort, hier waren over ende aen Athonis van Kuijck en[de] Pelgrum van Hoeij, onse mannen van leen van[de] alle luden dat voor ons ende onse mannen van leen nabescreven gecomen is den eersamen
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen