Hij is getrouwd met Marie (Maria) Heusschen.
Ze zijn in de kerk getrouwd in het jaar 1748 te Sint Pietersvoeren, hij was toen 24 jaar oud.Bron 1
Zij zijn getrouwd in het jaar 1748 te Sint Pietersvoeren, hij was toen 24 jaar oud.Bron 1Kind(eren):
EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN
Tijdens een genealogisch onderzoek van de familie Dobbelstein kwam ik ook in Sint Pietersvoeren terecht. Hieronder een samenvatting van de door mij verzamelde gegevens over de periode dat de familie Dobbelstein in Sint Pietersvoeren heeft gewoond.
Volgens het kerkregister trouwde in 1748 (datum niet vermeld) in Sint Pietersvoeren Johannes (Jan) DOBBELSTEIJN en Maria HEUSSCHEN.
Jan was op 14 maart 1723 in Teuven geboren, hij was een zoon van Laurentius Dobbelsteijn en Elisabeth Vanderlip(pe).
De geboortedatum van Maria heb ik niet kunnen achterhalen, we`l vond ik in het schepenbankarchief Sint Pietersvoeren (register 33, Rijksarchief Hasselt) volgende kant-en-klare stamreeks van haar voorouders:
* ouders: Peter Heusschen en Maria Heijmans (zij woonden aen `t Velt" Sint Pietersvoeren)
* grootouders: Matthijs Heusschen en Maria Coumont;
* over-grootouders Jan Heussohen en Maria Bergenhousen (laatstgenoemde is na het overlijden van Jan getrouwd met Frans Franssen).
Jan en Maria hebben de eerste jaren van hun huwelijk in Eijsden gewoond. Zij hadden daar een grote boerderij (de pagthoff Caustert") gepacht van de Heer Majoor Henry Reinich. (vgl. Reinekenshof, zie Eijsdens Verleden nr. 48, 1989). Uit het schepenbankarchief van Eijsden blijkt dat zij in de nacht van 5 november 1753 tussen 4 en 5 uur net hun hele hebben en houden zijn gevlucht naar Sint Pietersvoeren.
Mevrouw de Douarie`re van wijlen de Heer Majoor Reinich beweerde op 14 mei 1756 dat Jan een aanmerkelijke pachtschuld had en dat zij beslag had laten leggen op zijn goederen, doch dat hij, zoals gemeld, "alle desselfs gearresteerde Effecten en Bestialia ex loca arresti" heeft vervoe~d en t, nae elders buijten dese jurisdictie" heeft getransporteerd.
In het schepenbankarchief van Sint Pietersvoeren liggen heel wat stukken over dit proces. De uitspraak luidde als volgt: "Gelet op den inhoud deser reguessen verclaeren dijen tot St. Peters vouren met sijne effecten en bestialen gerefugeerden Jan Dobbelsteyn geen asylium te consedeeren".
Het gezin Dobbelstein-Heusschen heeft vanaf 1753 steeds in Sint Pietersvoeren gewoond. Zij hadden daar een boerderij met stallen, schuur, bakhuis, moestuin en wei, gelegen "in de koobach", gekocht.
Jan moet een voortvarend landbouwer zijn geweest, in het archief van de schepenbank bevinden zich wel dertig akten waarbij Jan partij was. Deze akten hadden ondermeer betrekking
op koop of verkoop van landerijen of weiden en geldlenigen, ontvangen van ondermeer de molenaar van Sint Pietersvoeren, de kapelaan van Mheer en de rentmeester van de Commanderij.
Uit metingen van 1787 bleek dat Jan toen 158 groot roeden grond bezat, hij behoorde hiermee tot een van de grootste grondgezitters van Sint Pietersvoeren.
Op bijna veertigjarige leeftijd, op 13 januari 1763, werd Jan door "Wirich Leopold, vrijheer van Steinen en Scharven en Kepenich, ridder van het hoogh Duijts orden, lant Commandeur der Balleye Aldenbiessen, Commandeur tot Aldenbiessen ende tot Maestricht, vrijheer der vije rijckx neutrale grond heerlijkheijt Gemert, St. Peters vouren en Gruijterode" enz. het ambt van schepen "gegund". Genoemden "beveelen daerom aen onsen officier, Schepenen, ende onderdhaenen van St. Peters Voeren voorschreven Johan Dobbelsteijn voor schepen aenteneemen, te kennen en te eeren, hem oock alle rechten ende emolumenten van outs daertoe staende te laeten genieten".
De schepenen stonden bij de bevolking in hoog aanzien en hun macht was groot, zij werden voor het leven benoemd.
Dat Jan dit ambt ook serieus uitoefende blijkt uit de vele stukken in het schepenbankarchief. Zo werd ondermeer alles opnieuw opgemeten in Sint Pietersvoeren, nadat uit een onderzoek van hemzelf was gebleken dat er vaak niet goed werd opgemeten.
Maria Heusschen is op 9 februari 1790 in Sint Pietersvoeren overleden. Jan Dobbelstein is vermoedelijk op 12 april 1799 in Sint Pietersvoeren overleden.
Uit dit huwlijk werden vijf kinderen geboren:
1. Maria Elisabeth, gedoopt op 5 februari 1750 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Math Heusschen en Maria Dobbelstein.
Zij is reeds op 9 maart 1760 in Sint Pietersvoeren overleden;
2. Maria Catharine, gedoopt op 22 december 1752 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Henricus Dobbelstein en Maria Catharina Neven. Zij was getrouxd met Renier Spronck. Op 8 oktober 1781 is zij in Si~t Pietersvoeren overleden;
3. Petrus, gedoopt op 2 november 1756 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Laurentius Dobbelstein en Maria Heghmans (zie vervolg);
4 Maria Elisabeth, gedoopt op 21 september 1760 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Jacques Nederlandts en Maria Margaretha Halleux.
5. Josephus Laurentius, gedoopt op 12 maart 1766 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Nicolaus Wernerus Heusschen en Maria Joeepha Halleux.
*******************************************************************************************
EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN (vervolg)
Op 2 november 1756 werd in de kerk van Sint Maartensvoeren gedoopt Petrus (Peter) DOBBELSTEIJN (ook wel DOBBELSTEEN). Hij was echter in Sint Pietersvoeren geboren, als zoon van Johannes Dobbelstijn en Maria Heusschen.
Peter trouwde op 9 april 1782 met Anna Maria (Maria) DEBIE (ook wel de BIE, DEBEY of DEBIJ).
Maria was op 11 januari 1761 in Gulpen gedoopt, ze was een dochter van Jacobus Debie en Laurentiana Knops.
Na hun huwelijk woonden zijn aanvankelijk in Sint Pietersvoeren, daarna zijn zij enkele malen verhuisd, eerst naar Gulpen, dan weer terug naar Sint Pietersvoeren, daarna naar Amby en uiteindelijk in 1797 naar "Op het Cruts" (Hoogcruts).
In het schepenbankarchief van St. Pietersvoeren vond ik een aantal stukken over een klein familiedrama binnen dit gezin.
Op zondag 22 april 1792 ging Anne Marie Debye, de huisvrouw van Peter Dobbelstein, samen met Maria Catharina Meijs, de huisvrouw van Peter Heusschen, naar de vroegmis in de kerk van Sint Pietersvoeren.
Deze mis duurde, als gevolg van "ceremonie"en daers gehouden bij "t aennemen der jonkheid tot d'eerste H. communie", langer dan normaal.
Na de mis keerden de beide vrouwen weer gezamenlijk huiswaarts. Toen men bij het huis van Dobbelstein aankwam hoorden men binnen geschrei van een kind. Maria is toen direkt naar binnen gegaan. Toen Maria Catharina Meijs ook op het geschrei was afgekomen, zag zij binnen een klein meisje van ongeveer drie jaar op de schoot liggen van Maria. De kleren van het kind waren over de helft van het lichaam geheel verbrand. Een kwartier daarna is het kind op de schoot van haar moeder overleden, waarna Maria Catharina het dode lichaampje op het bed heeft neergelegd. Buiten de drie andere kinderen, waarvan het oudste ongeveer zes jaar was en het jongste ongeveer zeven maanden, was er niemand in huis.
Door de Officier van de Heerlijkeid werd een onderzoek gelast, er diende onderzocht te worden of de ouders schuld hadden aan de dood van hun kindje.
De schepenen Halvenwegh en Neven waren verantwoordelijk voor dit onderzoek (de grootvader van het overleden kindje was op dat moment ook schepen!)
Allereerst werd de hulp ingeroepen van de chirurgijn van Sint Maartensvoeren de heer Halleux. Deze rapporteerde op 23 april dat het "kind geheel verbrandt is geweest te weeten van sijne knijen tot aen sijnen hals Waer op De Doodt Heeft moeten volgen". De twee genoemde schepenen bevestigden dit nog eens.
Op 25 april werd Maria Catharina Meijs verhoord, zij vertelde het verhaal zoals hierboven beschreven. Uit de stukken blijkt verder dat het kind "bij een ongeluck door het vier aen den Stoven oven is koemen aftlijvigh te worden".
De justitie van Sint Pietersvoeren stelde verder vast dat de vader van het overleden kindje op de zondag van het ongeluk niet aanwezig was, daar hij "buyten dorps gegaen sijnde om eene bedevaart af te leggen".
De justitie konkludeerde uiteindelijk op 15 mei dat de ouders niet zo zorgeloos zijn geweest dat ze hun "menagie moetwilligh veronachtsaemen", doch dat de ouders niettegenstaande "gehouden zijn van meer voorsorge te draegen voor hunne kinders".
Op 13 juni 1792 besloot de landscommandeur van Aldenbiesen dat Peter Dobbelsteen vrij werd gesteld van straf, doch dat hij in plaats van de straf aan de armen van St. Pietersvoeren een bedrag van vijftig gulden diende te geven.
Dit gezin is vrij kort hierna naar Ambij verhuisd, daar heeft men echter slechts een korte periode gewoond, want vanaf 1797 woonde men reeds te Hoogcruts.
Op Hoogcruts was men herbergier en broodbakker. Uit de vele akten van koop en verkoop blijkt dat men daarnaast ook nog als landbouwer in het levensonderhoud voorzag.
De kwalitiet van het bier en de prijs daarvan dienden in die tijd ook al aan bepaalde voorschriften te voldoen, dit werd ook regelmatig door speciaal daarvoor aangestelde ambtenaren gekontroleerd.
In het gerechtelijk archief van Maastricht bevindt zich een proces-verbaal waarbij Maria betrokken was.
Op 22 november 1807 om tien uur 's morgens kreeg Maria in de herberg bezoek van een tweetal kontroleurs. Zij vroegen haar de vergunning voor de hektoliter "bierre rouge", welke zij reeds op 21 oktober 1807 bij haar in de kelder hadden aangetroffen en waarvan zij toen had beweerd dat ze deze was kwijtgeraakt.
Zij antwoordde dat ze bij haar brouwer Scherville was geweest voor de vergunning, doch deze had tegen haar gezegd dat de kontroleurs die maar bij hem moesten gaan halen.
Hierna zijn de kontroleurs in de kelder afgedaald en troffen het bier daar aan. Op 21 oktober hadden ze gekonstateerd dat de hoeveelheid voor 1/10 leeg was, nu peilden zij opnieuw en konstateerden dat de ton nu voor 8/10 leeg was.
Ze zeiden tegen Maria dat ze in overtreding was en dat ze zich genoodzaakt zagen een proces-verbaal op te maken, waarna ze zich zou moeten verantwoorden voor het gerecht in Maastricht. Zij deelden haar tevens mede dat de hoeveelheid "bierre rouge" in beslag genomen zou worden, doch gezien de hoge transportkosten kon ze volstaan met een borg van tien franken.
Op dezelfde dag werd ze nogmaals door de kontroleurs bezocht en werd haar een kopie van het proces-verbaal overhandigd. Op 11 juni 1808 vond de rechtszitting plaats. Tijdens deze zitting verklaarde Peter dat het hem niet zou verbazen als de kontroleurs zelf een gedeelte van het bier hadden opgedronken en dat er daardoor minder in de ton zat (!)
De rechter sprak Maria en Peter uiteindelijk vrij van het hen ten laste gelegde en veroordeelde de Dienst waartoe de kontroleurs behoorden tot betaling van de proceskosten.
In 1827 werden de meubelen van de herberg openbaar verkocht en enkele maanden later verpachtte men het huis voor drie jaar aan Maria Johanna Leruth, weduwe van Laurius Nelissen, herbergierster van Schilberg onder Noorbeek.
Peter en Maria zijn beiden eerst op hoge leeftijd overleden. Maria overleed op 75 jarige leeftijd op 25 januari 1836 te Hoogcruts en Peter op 87 jarige leeftijd op 4 april 1844, eveneens op Hoogcruts.
Uit de aangifte van zijn nalatenschap blijkt dat hij ondermeer twee huizen met tuin en boomgaard te Hoogcruts, tien bouwlanden en een wei naliet.
Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren:
1. Eva Maria, gedoopt op 25 december 1782 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Joannis Dobbelsteen en Eva Marie Neulers;
2. Mathieu, gedoopt op 20 november 1786 in Gulpen. Hij was landbouwer van beroep;
3. Anna Mechtilde, gedoopt op 8 juli 1789 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Matthias Debie en Maria Mechtilde Haecquin. Zij is reeds op 22 april 1792 in Sint Pietersvoeren overleden (zie hiervoor);
4. Marie Catharine, gedoopt op 10 september 1791 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Jose' Laurentius Dobbelstein en Marie Catharine Spronck. Ze was met Hendrik Delvaux uit Luik getrouwd;
5. Marie Elisabeth, gedoopt op 6 oktober 1793 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Sebastian Debie en Marie Elisabeth Dethiou;
6. Antoinius Henry, gedoopt op 21 nobember 1795 in Amby. Hij was landbouwer in IJzeren;
7. Nicolaas, gedoopt op 3 oktober 1797 in Noorbeek. Hij trouwde op 13 juni 1822 in Mheer met Johanna Catharina Munnix. Op 26 augustus 1867 is hij in Mheer overleden; De afstammelingen van deze tak van de familie Dobbelstein wonen thans nog steeds in Mheer
8. Johannes Josephus, geboren op 26 december 1800 op Hoogcruts.
Le'on Olislagers oe't Groe'selt
***
Criminele procesdossiers, inventarisnrs 447.1 - 447.454, Criminele officier van Cadier en Keer contra Jan en Willem Bergmans: aanvallen van Jan Dobbelstein, circa 1781
Civiele procesdossiers 1707 - 1795, inventarisnrs 788.3000 - 788.3970Jan en Willem Bergmans in Keer onder Cadier contra A.I. de Jacobi, schout van Cadier, voortzettend proces van Jan Guichard, in leven schout van Cadier: smartengeld voor mishandelde Johannes Dobbelstein, 1783
***
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Johannes (Jan) Dobbelstein | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1748 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Marie (Maria) Heusschen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||