Ingesteld bij Koninklijk besluit van 26 oktober 1948 (Staatsblad no. I 457). Het wordt toegekend aan hen, die zich in de jaren 1942-1945 op door Japans bezet of Japans gebied in Oost-Azië door geestkracht, karaktervastheid of gemeenschapszin op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor door krijgsgevangenschap, internering of anderszins in de macht van de vijand geraakte Nederlanders of Nederlandse onderdanen, dan wel in het verzet tegen de vijand.
Het ereteken bestaat uit een lichtbronzen zespuntige vlammende ster met een breedte van 42 millimeter. In het midden van de ster is een medaillon geplaatst waarop een vlammende zon omgeven door een band met het omschrift "DE GEEST OVERWINT". De keerzijde vertoont het opschrift: "MAART / 1942 / -O.AZIË- / AUGUSTUS / 1945" binnen een ronde verdieping. Langs de rand van deze verdieping is tevens te lezen: F.S.INV., wat de afkorting is voor de onderwerper: Frans Smits.
Het lint van het ereteken is karmozijn rood met twee smalle goudgele strepen in het midden. Deze twee goudgele strepen hebben een symbolische betekenis: als in Indië een geschenk werd aangeboden, dan werd dat verpakt in een goudkleurige doek.
Het is een vierarmig zilveren kruis met een breedte van 40 millimeter. Op de horizontale arm is de tekst "DE TYRANNY VERDRYVEN" te lezen, welke een onderdeel is van het zesde couplet van het Wilhelmus en als zodanig symbool staat voor het verzet tegen de bezetter. Het vlammende zwaard op de horizontale arm symboliseert zowel de slagvaardigheid van het gewapend verzet als het vuur van het geestelijk verzet. De daarboven afgebeelde Konigskroon symboliseert de verbondenheid van het verzet met het Koningshuis. Onderaan de horizontale arms zijn de data 1940 en 1945 geplaatst.
De keerzijde vertoont in het midden de Nederlandse Leeuw en op de horizontale arm het jaartal van instelling: 1980 (boven) en de afkortingen "F.S.INV." (Frans Smits Inv.) en "KON.-BEGEER VOORSCHOTEN" (Koninklijke Begeer).
Een leuk weetje is dat het oorspronkelijke ontwerp een gekroonde "W" bevatte, welke symbool moest staan voor Koningin Wilhelmina als Moeder van het Verzet. Koningin Beatrix kon zich hier echter niet in vinden, zodat Frans Smits, hier al enigszins op voorbereid, zijn tweede ontwerp te voorschijn haalde en Hare Majesteit hier haar goedkeuring onder liet zetten.
Het lint, 27 mm breed, heeft aan de linkerzijde drie banen in de kleuren rood, wit, blauw (ieder 3 millimeter breed) en aan de rechterzijde de kleur oranje (9 millimeter breed). Deze kleuren symboliseren de eenheid van Nederland en het Huis van Oranje. Aan weerszijden 4,5 millimeter brede zwarte banen, welke de duisternis en de rouw symboliseren die de bezetters over de Nederlandse bevolking deed neerdalen.
(1) Zij is getrouwd met Friedrich Heinrich Altman.
Zij zijn getrouwd op 11 juli 1929 te Amsterdam, zij was toen 17 jaar oud.
Kind(eren):
Het echtpaar is gescheiden 20 mei 1952 te Djakarta (Ind).Bron 2
(2) Zij is getrouwd met Bastiaan N. Goedhart.
Zij zijn getrouwd juni 1954 te Hampstead (UK), zij was toen 42 jaar oud.
Bij het Indisch verzet bekend als Corrie Altman.
het volgende is verschenen in : Verzet in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting 1942-1945. Redactie: B.R. Immerzeel - F. van Esch ©SDU uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag 1993 ISBN 90 12 06847 9
'Onze Kenau'
Naast de vier genoemde vrouwen ten slotte was Corrie Altman van grote betekenis voor de organisatie van Meelhuysen. Zij was in het verzet gerold door haar werk als verpleegster in het Centraal Burger Ziekenhuis in Soerabaja. Ten tijde van de capitulatie verpleegde zij daar de gewonden van de slag in de Javazee. Haar verzet was begonnen met het regelen van medicijnen voor haar patiënten en het manipuleren van de ziekenlijsten om hen zo lang mogelijk voor overbrenging naar een krijgsgevangenkamp te vrijwaren. Tegelijkertijd verstrekte zij medicijnen en voedsel aan behoeftige Molukse vrouwen en kinderen in Tambaksari. Dit voedsel was voor haar ontvreemd door twee Japanse chauffeurs van de Simutzu Butai, de Marine Export Afdeling, met wie zij toen een goed contact had. Ook voor Corrie Altman kwam van het een het ander, en zij raakte meer en meer bij het verzet betrokken. Altijd op zoek naar manieren om de kas van de ondergrondse te vullen, organiseerde zij onder Nederlandse en Nederlands-Indische vrouwen een breicentrale. De opbrengsten gebruikte zij voor het aanschaffen van wapens of van voedsel en medicijnen voor geïnterneerden. Via Frans Hengst, ambtenaar bij de gemeente Soerabaja, verkreeg zij blanco pendaftarans, die zeer wel van pas kwamen voor de illegale werkers. Verder had zij contacten met het Chinese verzet in Soerabaja, en werd op zekere dag door Wiwi Pangemanan haar hulp ingeroepen bij het verzamelen van wapens en medicijnen voor de groep van Trouwerbach.
Het was Pangemanan die Meelhuysen op de hoogte bracht van hetgeen Corrie Altman voor de organisatie zou kunnen doen. Op een avond zocht Meelhuysen haar thuis op en vroeg haar te helpen bij het werven van fondsen. Zij stemde toe en ging behoren tot de kring van zijn naaste medewerkers. Groothuizen noemt Corrie Altman in zijn rapport 'onze Kenau, die van commanderen hield'. Hij had bewondering voor haar kordate en vastberaden manier van handelen, maar meende tegelijkertijd dat zij te driest optrad en daarmee te veel risico nam. Dit mocht zo zijn, Corrie Altman werd desondanks een van de motoren van de organisatie Meelhuysen. De contacten die zij inmiddels had opgebouwd met verzetsmensen niet alleen in Soerabaja, maar over heel Java, waren van onschatbare waarde. Als schoonzuster van overste Van Ardenne was zij min of meer op de hoogte van het illegale werk in West-Java; zij stond daarmee ook in verbinding. Zij won inlichtingen in over de Japanse militaire sterkte en maakte tochten naar verzetsmensen in Malang en Lawang, waarbij zij soms de haar schaduwende PID'er van zich af moest schudden. Telkens wist zij weer een manier om aan geld te komen waarmee het illegale werk gefinancierd kon worden.
In die niet aflatende speurtocht naar fondsen voor het verzet kwam zij onder meer bij Pieter Colijn terecht. Het was bekend geworden dat Colijn, zoon van de oud-minister-president en agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, nog over aanzienlijke bedragen beschikte. Colijn gaf Corrie Altman inderdaad geld ten behoeve van de verzetsorganisatie van Meelhuysen. In ruil hiervoor zegde zij hem steun toe bij zijn pogingen een verbinding met de Nederlands-Indische regering in Australië tot stand te brengen.
Heeft zich bij het verzet tegen Japan onderscheiden door bijzondere daden van moed, beleid en trouw.
Werkte in de verzetsgroep Meelhuijsen in Soerabaja. Zij zocht verbinding met de guerrilla's te Malang, Lawang en in de bergen. Regelde bijeenkomsten en hoewel reeds maanden geschaduwd, wist zij de P.I.D. te ontlopen. Had een belangrijk aandeel in het vervoeren van de Heren Hamelink en van Lier, die met gegevens en codes naar Australië trachtten te ontkomen. Haar moed en uithoudingsvermogen bij het onderzoek van de Japanner waren wonderbaarlijk. Hoewel zij de grootste wreedheden had te verduren, bleef zij de medegevangenen moed inspreken en wist zij soms door het zingen van het Wilhelmus hen tot grotere standvastigheid aan te sporen. Maart 1943 werd zij veroordeeld tot de doodstraf, doch deze straf werd gewijzigd in 15 jaar gevangenisstraf.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Lena Cornelia de Moet | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1929 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Friedrich Heinrich Altman | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1954 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bastiaan N. Goedhart | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
http://www.onderscheidingen.nl/decorandi/wo2/dec_a01.html