Vertrekt in 1694 naar Harlingen en wordt ald. in 1698 leerling van
meester-zilversmid Theodorus Huigen. Wordt op 30-03-1718
meester-zilversmid te Harlingen, waar hij blijft wonen tot na 1768. Hij
vervaardigt fraaie werkstukken, waarvan enkele nog in de Friese musea
zijn te bewonderen. In 1753 is hij ook hopman van de schutterij. In het
Quotisatiecohier van 1749 wordt hij vermeld als "welvarend".
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.