Uit "oud Schiedam" geschreven door Herman Boordegraaf
Het was in 1935, dat Anna Ronteltap (nu: J. van Steenoven-Ronteltap) als werkster voor fl 5,-- per week in dienst kwam van juffrouw Wenneker. Deze woonde in de grote villa aan de Singel, recht tegenover de Villastraat, die aan dit forse huis zijn naam te danken heeft.
Mevr. van Steenoven maakte het ons mogelijk om samen met andere, nog te noemen informatiebronnen, een beeld te schilderen van de laatste bewoonster van de villa. Een vrouw, die in letterlijke zin van kapitale betekenis is geweest voor de (roomskatholieke) Singelkerk.Maria Carolina Geertruida Wilhelmina Wenneker was afkomstig uit een rijk distillateursgeslacht. Op 8 november 1852 werd ze geboren als dochter van Johannes Wenneker en Maria Petronella Jacoba Nolet. Haar vader was in de 19e eeuw één van de meest aanzienlijke distillateurs in Schiedam. Haar moeder was uit het gefortuneerde geslacht van de Nolets.
Juffrouw Wenneker was een volle nicht van Dr. E.J.M. Nolet, die met een legaat van 300.000,-- de bouw van het Rooms-katholieke ziekenhuis hielp mogelijk maken. Dit kreeg niet voor niets zijn naam.
WasEduard Nolet een weldoener, juffrouw Wenneker was dat evenzeer. Ook zij was zeer rijk. Ze leefde van de opbrengst van dat deel van het familiekapitaal dat haar was toegevallen. Zij had dat ondermeer belegd in aandelen Van petroleum- en scheepvaartmaatschappijen. Eens in de twee maanden kwam de heer Mees van de gelijknamige bank de financiële situatie met haar bepraten en geld uitbetalen. Nauwgezet volgde ze elke dag de beursberichten in de krant.
Zelf leefde juffrouw Wenneker in grote eenvoud, grenzend aan armoede. Wellicht was soberheid haar eigen, maar dat werd versterkt door gebeurtenissen die diepe indruk op haar maakten. Eén van haar broers was aan de boemel geslagen en op het verkeerde pad terecht gekomen. De rijkdom was hem naar het hoofd gestegen. Het paste bij zijn uitbundige levensstijl, dat hij zich liet rondrijden in een eigen koets met koetsier. Wat het verkeerde pad precies inhield, is niet meer te achterhalen. In ieder geval nam deze broer op een gegeven moment de wijk naar Amerika om nooit meer terug te keren. Een schril kontrast met een andere broer, die als priester-Jezuïet al jong in de missie is gegaan en meer dan vijftig jaar in Nederlands-Indie werkte. Nimmermeer is hij in Nederland geweest. Zijn weinige bezittingen, waaronder een pauselijke onderscheiding, werden na zijn dood aan juffrouw Wenneker opgestuurd.
Die verkeerde broer vond juffrouw Wenneker iets verschrikkelijkst ze wilde hem redden door boetedoen en weldaden van hel en vagevuur! Na zijn vlucht naar Amerika durfde ze zelfs zeven jaar lang niet in de kerk te komen, hoe vaak de paters haar ook bezochten en haar probeerden over te halen om toch te komen.
Uiteindelijk werd ze weer de trouwe kerkgangster die ze altijd was geweest. Iedere dagstond ze vroeg op om haar dag met bidden te beginnen. Om half zeven luidde het kleine klokje van de Singelkerk om de parochianen op te roepen voor de eerste mis. Juffrouw Wenneker behoorde altijd totdegenen die over de Singel kwamen toegelopen. Nuchter uiteraard, want dat was voorgeschreven. Ze liep in oude, afgedragen en verstelde kleding. Haar schoenen waren van het hemelwijzers-type, van dat soort dat een clown draagt. In de winter had ze een mof van bont, waarin je je blote handen kon steken tegen de kou (men ziet deze dingen nog wel afgebeeld op tekeningen van Anton Pieck). Uiteraard droeg ze een hoed, want dat hoorde als men naar de kerk ging. Op de tweede bank van voren had ze haar gereserveerde zitplaats met daarnaast nog een plaats voor het dienstmeisje, dat haar meestal begeleidde als ze naar de kerk ging. Ze weigerde kerkegeld te betalen, want, zo stelde ze, ik geef altijd zoveel dat ik dit niet betaal.Hiermee komen we bij de betekenis van juffrouw Wenneker voor de Singelkerk. Deze kerk heeft haar bestaan en voortbestaan te danken aan gegoede rooms-katholieke burgers. Zo was het Jan van der Burg geweest die een stuk land beschikbaar stelde voor de bouw van een kerk in het zich uitbreidende Singelkwartier.
Op 19 februari 1878 werden de eerste heipalen geslagen, en op 12 mei 1881 werd de kerk in gebruik genomen. Het waren weer welgestelden, waaronder de families Van der Burg en Nolet, die het hoofdaltaar, de kruiswegstaties en andere benodigdheden schonken. Van der Burg schonk het uurwerk en de klokken. Jaarlijks op Sint Jacob, de 25ste juli, zijn verjaardag, luidden de klokken speciaal voor hem. Toen hij in 1886 op 97-jarige leeftijd overleed, werd hij, bij uitzondering, door zijn klokken overluid. Zijn kapitaal dankte hij onder meer aan zijn zuinigheid. Zo viste hij op zijn oude dag dikwijls, en soms niet zonder gevaar, drijfhout en mandwerk uit de Schie, om dit als brandstof te drogen. Met de kippen ging hij naar bed om licht uit te sparen.
Welnu, in deze traditie stond ook juffrouw Wenneker. Ook zij had geen licht. Als ze licht nodig had, liet ze haar kaarsen branden. Gordijnen vond ze niet nodig. De kachel mocht 's winters niet te vroeg op de dag aan en moest om vier uur's middags uit. Na één maart, koud of niet, ging de kachel helemaal niet meer aan. Radio en telefoon had ze evenmin. Na de vroegmis dronk ze thee en at ze een beschuit. Verder op de dag dronk ze vaak alleen nog maar een kopje water en at ze een sneetje brood. Zoals gezegd droeg ze oude kleren. Alleen als ze jarig was, had ze mooie kleren aan.
Zo sober als ze leefde, zo weldadig was ze voor de Singelkerk. Om een opsomming te geven: ze schonk het Heilig Hartaltaar, beschilderingen, doopvont en kerkbanken. In 1912 bekostigde ze het schilderwerk aan het Hoogaltaar, het klein altaar, het schip en nog ander schilderwerk ten koste van fl 30.000,--. Ze was namelijk ernstig ziek geweest en had beloofd, dat zij als zij beter zou worden, het schilderwerk zou betalen. In 1917 schonk ze geld voor het aanleggen van elektrische verlichting in de kerk. Weer later schonk zij voor de restauratie van misgewaden en voor nieuwe kerkbanken.
Haar weldaden beperktenzich echter niet tot de Singelkerk. Elke dinsdag (Anthonisdag, de dag voor de armen) mochten er 15 mensen bij haar komen. Deze kregen dan een bonnetje, waarvoor zij brood konden krijgen bij bakkerij van Tienen (vlakbij de Oosterstraat). Ze gaf ook veel geld voor de armenzorg.
Als het Sinterklaas was, liet ze veel snoep halen in de snoepwinkel schuin tegenover de villa. Dit deelde ze uit aan kinderen. De krant die ze elke dag las, liet ze wegbrengen naar mensen in één van de hofjes aan de Singel.
Juffrouw Wenneker was klant bij de grootvader van schrijver dezes, die op 3 februari 1910 een slagerij aan de Singel had geopend. Ze komt voor in het eerste notitieboekje met bezorgklanten van mijn grootvader. Ze kende hem uit de tijd dat hij nog bij slagerij van Dorp in de Lange Kerkstraat werkte. Ondanks dat deze goed katholiek was en mijn grootvader hervormd, ging ze toch naar de nieuwe zaak over, omdat ze mijn grootvaders bediening van de klanten op prijs stelde. Later, zo had ze eens in de winkel verteld, was de pastoor bij haar geweest die haar had meegedeeld, dat een roomskatholiek slager bij hem was geweest om te vragen of hij er geen eind aan kon maken, dat een niet roomse slager haar vlees leverde. Hoewel haar eerbied voor de geestelijkheid groot was, had ze dat geweigerd. Elke maandagmorgen kwam ze persoonlijk rond 9 uur in de winkel om af te rekenen van de afgelopen week. Meestal was het het voor die tijd behoorlijke bedrag van fl 9,-- per week. Ze at zelf weinig vlees. Haar werkster mocht het meeste mee naar huis nemen.
Elk jaar moest mijn grootvader in de slachtmaand november vier varkens kopen van zo'n 300 pond geslacht gewicht. Deze waren bestemd voor het rooms-katholiek weeshuis, het Tehuis voor Halfwezen, het nonnenklooster in de Tuinlaan en het Broederklooster. Mijn grootvader mocht als niet-katholiek de beesten echter niet slachten en klaarmaken. Dat zou te ver gaan!
Van mijn grootvader herinner ik mij ook nog het volgende verhaal. In een wintermaand probeerde een inbreker door te dringen in het huis. Hij liep al in de gang, toen hij iemand hoorde roepen en als een haas maakte hij zich uit de voeten. Hij klom door een luik in de gang op het besneeuwde dak. Het geroep in de gang was van de toenmalige werkster, Jet van Noort, die, toen ze geraas hoorde uit bed kwam (ze was intern). Ze had de tegenwoordigheid van geest om hard te roepen 'Jan, Jan, er zit een vent in huis!, hoewel er geen man in huis was. Onderwijl zat die kerel op het dak. Hij durfde er niet af, omdat hij bang was om van het spekgladde dak te glijden. 's Morgens om vijf uur werd hij door de politie ingerekend en meegenomen. En de reaktie van juffrouw Wenneker? Ach, die arme man die heeft de hele nacht op het dak gezeten, waarom Jet heb je hem niet binnengehaald en koffie voor hem gezet?'
Wanneer juffrouw Wenneker en haar oudere zuster er zijn gaan wonen is nietmeer te achterhalen. Het pand liep van de Singel tot de Overschiessestraat. Aan de kant van de Overschiessestraat (en van de Singel af gezien) liep aan de rechterzijde een tuin. Daar was ook de officiële ingang. Deze werd echter nooit gebruikt. Iedereen ging via de keuken aan de linkerzijde naar binnen. Als men via de officiële ingang binnenkwam, trad men een grote hal binnen, waar een marmeren trap was, die naar de bovenetage leidde. Daar sliep juffrouw Wenneker in de kamer aan de voorzijde. Beneden was een gewone kamer, waarjuffrouw Wenneker altijd zat als ze niet met andere dingen bezig was. Met grote aandacht volgde ze het straatgebeuren. Daarnaast was een kamer, of beter gezegd een zaal, die alleen met haar verjaardag gebruikt werd.
De slaapkamers voor het dienstdoend personeel waren voor zover we weten ook boven. Anna van Ronteltap was intern. Ze had haar oudere zus opgevolgd, die daarvoor zes jaar als werkster bij juffrouw Wenneker in dienst was geweest. Ook was er nog een oude dienstbode, Sophie Laurens. Deze woonde echter in de Overschiessestraat.
Op 8 september 1937 kwam het uit dat juffrouw Wenneker de weg van alle vlees ging en het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Volgens haar uitdrukkelijke wens werd ze niet via de zijkant (de keuken) begraven, maar via de voorkant bij de Singel. Hiervoor moest een stuk van het hek weggehaald worden. Vanuit de door haar zo geliefde Singelkerk werd ze op de begraafplaats aan de Vlaardingerdijk begraven.
In haar testament bedacht ze, naast liefdadigheidsinstellingen, een neef uit Delft, Sophie Laurens en Anna van Steenoven. Deze laatste kreeg fl 117,--. Direkte familie had ze nauwelijks meer, hetgeen tot haar eenzaamheid in de laatste jaren had bijgedragen. De villa werd ontruimd.Het pand was niet meer in al te beste staat. Het was de laatste jaren nogal verwaarloosd. In de Nieuwe Schiedamsche Courant van 22 november 1937 vinden we een kort bericht, dat de villa de 23ste november op de openbare veiling verkocht zou worden. Kort hierna is de villa gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Zo was kort na het overlijden van juffrouw Wenneker ook het lot van de villa bezegeld.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Maria Carolina Geertruida Wilhelmina Wenneker | ||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.