Blijkens het doopboek van de R.K. gemeente te Bentheim werd aldaar op 18 februari 1718 gedoopt Hermannus Fridericus Carolus d'Ouhson, zoon van Maximilianus Franciscus d'Ouhson en vrouwe Anna Maria Schürmanns. Zijn voornamen dankte hij aan zijn peten, graaf Hermannus Fridericus van Bentheim en diens gemalin gravin Carolina. Vader de Hosson was namelijk hofschilder van de graaf en zijn vrouw een dochter van de eerste kamerheer van de vorst. Hermannus F.C., wiens eerste voornaam op den duur wordt weggelaten, heeft net als zijn vader de schilderkunst beoefend, maar is aanvankelijk ook militair (Hauptmann) geweest.
Na Bentheim heeft hij gewoond in Meppen. Heeft in 1761 Joannes Palthe, burgemeester van Oldenzaal, geschilderd alsmede diens dochter Lucia Aleida. Ook portretten gemaakt van de families van Rheden en van Swinderen. H.C. verwierf op 15 april 1768 het burgerrecht. Op 10 mei 1768 staat in de Groninger Courant te lezen, dat F.C. voornemens is een tekenschool te starten, teneinde de jeugd het portretschilderen, het vervaardigen van kamerbehangsels en alle soort van fijne werken bij te brengen. Heeft voorts geschilderd in 1768: luitenant-kolonel Gellius Joseph Pathuis, oprichter van de Grote Sociëteit van Groningen. In 1769: Doetje Catharina Bieruma, weduwe van wijlen kapitein Kemmerer van Oostbroeck (Drents Museum). In 1770: de convooimeester
Frederik Johan Cloeck van Berenklauw en echtgenote. Voorts in 1775 Joost Jan Simon baron van Goltstein en zijn vrouw en in 1776 hun zoon Steven Adolf. In 1779 schilderde hij nog de familie Berghuijs. Hij was raadsheer te Groningen. Van de Groninger professoren heeft F.C. er slechts een geschilderd, n.l. Leonardus Offerhaus in 1774. Over de kamerbehangsels is o.a. bekend, dat F.C. in 1774 schilderingen heeft aangebracht in het pand Herestraat 78 te Groningen.(later bioscoop Luxor, nu deels C&A). Deze schilderingen zijn in 1917 geveild in Amsterdam bij de Roos en Co, Rokin 5 en hebben toen fl. 1910,- opgebracht. Een gedeelte ervan is in New York opnieuw geveild in 1923. In het oude gemeentehuis van Haren moet zich een schoorsteenstuk van F.C. hebben
bevonden, dat het "Offer van Abraham" voorstelde. In 1781 schilderde hij een schoorsteenstuk getiteld "Landmans Welvaren" in het nieuwe huis van jhr. F.J.J. van Eysinga, thans het Fries museum te Leeuwarden. In 1786 mocht F.C. het zevenjarig dochtertje van Eysinga schilderen (Catharina Johanna). F.C. is regelmatig verhuisd: in 1780 van de Oosterstraat naar de Nieuwe Boteringestraat. In 1782 woont hij in de Oude Boteringestraat. Vanuit dit adres biedt hij op 5 november 1782 een middel aan tegen de eerste, tweede, derde en vierdaagse koortsen. In de Leeuwarder Courant van 17 november 1784 maakte hij bekend woonachtig te zijn bij de apotheek C. de Hosson op de Breedzijde van Nieuwstad. Deze apotheker was zijn oudste zoon Maximilianus.
F.C. is omstreeks 1787 meeverhuisd met zijn zoon naar Oude Pekela, alwaar hij is overleden.
Hij is getrouwd met Christina Elisabeth Ludovica A Holtman.
Zij zijn getrouwd op 10 oktober 1751 te Bentheim, Nordrhein-Westfalen, Duitsland, hij was toen 33 jaar oud.
Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.