Hij stierf aan ouderdoms suikerziekte.
Hij is getrouwd met Sophia Carolina Frederika Saueressig.
Zij zijn getrouwd op 23 november 1882 te Arnhem, hij was toen 27 jaar oud.
Kind(eren):
Na de dood van zijn vader heeft de fam. Six hem verder opgevoed. Hij werd evenals zijn oudere broer als militair in 1870 naar Ned.Indieen gestuurd. Dit was toen een nette, maar toch goedkope oplijding. Als betaling hiervoor behield zij de fam. bezittingen, waaronder de fam. schilderijen. In tegenstelling tot zijn broer beviel hem dit in het begin wel. Hij vocht mee in verschillende veldslagen van de Atjeh-oorlog en bracht het tot Luitenant-Colonel, adjudant van generaal van Heutsz en chef van de staf. Van Heutsz organiseerde verder onderwijs voor hem. Hij was bevriend met de latere generaal-majoor P.C.Spruijt. Deze schreef over hem| Ik had altijd een grote bewondering voor de geniale veel jongere spruit.
Op 22.7.1877 werd hij tot 2. Luitenant bevordert, op 27.4.1883 tot 1. Luitenant, op 8.4.1893 tot Kapitein, op 6.6.1899 tot Majoor en op 8.6.1902 Luitenant/kolonel. Hij was in Mei 1900 tot oktober 1900 commandant Marechaussee en onderhorigen in Atjeh. Hij nam een Sultan gevangen en kreeg verscheidene onderscheidingen waaronder de orde van Oranje Nassau (blau sterretje) en de militaire Willemsorde (groen sterretje). Verder het kruis voor bijyondere krijgsverrichtingen met de gespen 9, 11 en 12 (Atjeh 1873-1896, Tamiang 1893, Atjeh 1896-1900). Trouwe dienst met cijfer 25 en Officier Oranje Nassau met zwaarden.
Zij kregen eens in de 12 jaar verlof om dan een jaar naar Nederland te gaan. Het Garnizoen van de NOI lag in Nijmegen. Hier woonde ook Sophia, de dochter van een NOI-Officier Saueressig, waarmee hij in zijn eerst verlof in Arnhem op 23-11-1882 trouwde. Tijdens het tweede verlof in 1894 lieten zij hun zoon Egbert achter in Nederland. Hij wilde niet terug naar Atjeh maar moest om twee redenen : ten eerste zou hij zijn inkomen verliezen en ten tweede zei van Heutz dat hij terug moest en dat hij zijn angst wel weer zou verliezen als hij in front van de troepen de aanvallen zou lijden. Het nu volgende verlof kreeg hij na 6 jaar in 1900. In Nederland aangekomen herkende zij hun zoon niet meer.
Tijdens een Klewang-aanval van de Atje'ers werd hij door een klewang op zijn hoofd getroffen maar overleefde, later toen hij kaal en grootvader was liet hij zijn kleinkinderen vaak dit litteken zien en de kinderen aaide er dan over terwijl hij sterke verhalen vertelde. Een van die verhalen ging als volgt : Toen hij met zijn vrouw aan de oever van een riviertje zat te ontbijten zat de vijand aan de andere kant van de revier zonder dat hij dat wist. De Atjeers besloten deze gehate officier eens duchtig onder vuur te nemen. In die tijd beschikten de atjeers over toen al oude engelse percussie voorladers(omgeboude vuursteen geweren). Het resultaat van hun schieten was dat de stoelpoot van zijn vrouw weggeschoten werd, waardoor zij viel en van het talut af rolde tot in het water. De kogel (een stuk opgerold ijzer) hebben zij bewaard en hebben wij nog steeds. Verder had hij de bijnaam /de grijye veldheer met een coeur dor, een gouden hart/ Zijn oorlogsbuit, enige Atje wapens en zijn eigen sabels, zijn ook bewaart gebleven. Bij de kapitulatie van Atje staat hij als kalende oude militair links van de Sultan van Atje (zie foto in boek "Pang Paneu de Toenonger" van de Vries). Na 1904 is hij weer in Nederland waar hij tot zijn pensionering Landweerdistrictscommandant was en in Heerenveen woonde. Hier werd hij later direkteur van de Rotterdamse-Bank. Hij verdiende bij met schrijven en zette alles in het werk om zijn zoon een goede start te geven. Zijn verheffing in de Adelsstand en de door hem georganiseerde kennismaking van zijn zoon met het rijkste meisje uit de omgeving, Maria Blom, zijn hier een voorbeeld van. Hij liet schriftstukken die hij geschreven had voor de notaris van Blom door zijn zoon naar de fam. van Blom brengen. De adelstitel en de natuur deden de rest. Hij werd in de adelsstand verheven tot Jonkheer (omdat hij uit een Nijmeegs regeringsgeschlacht kwam) en niet erkend tot Baron waar hij recht op had omdat hij afstamde van iemand die Ambtsman en Richter in de 15e eeuw was (zie "Opmerkingen over de geschlachten, behandelt in het Ned. Adelsboek" door WJJC Bijleveld bl. 211). De reden hiervoor was dat hij wijgerde een knieval te maken voor een Konigin die niet eens afstamde van de Oranjes. Dit was toen bekent geworden. Voor de Jonkheren titel was geen knieval nodig!
Sindsdien is de officiele naam "de Beyer". Egbert voerde dus als laatste de naam "de Beijer".
Hij was de laatste de Beijer in een lange rij die in het bestuur zaten van de Vrijmetselaars.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Egbert Willem Justinus (Jonkheer) de Beyer | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
1882 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Sophia Carolina Frederika Saueressig | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.