Met de val van Rome op 20 september 1870 kwam er een einde aan de wereldlijke macht van de paus. Vanaf de 8ste eeuw was het z.g. "Patrimonium Petri" (erfgoed van de paus), waarvoor een schenking van Pepijn de Korte de basis had gelegd, door een handige politiek van de pausen steeds uitgebreid.
In de loop der eeuwen waren geestelijke en wereldlijke macht zo verweven dat zij meenden de eerste niet zonder bezit van de tweede te kunnen uitoefenen. Toen het Weense Congres de Kerkelijke Staat in 1814 nagenoeg in zijn oude omvang had hersteld, trachtten de opeenvolgende pausen de absolutistische politiek, die hun voorgangers voor de Napoleontische oorlogen hadden gevoerd, voort te zetten. Ze negeerden daarbij volkomen het streven naar Italiaanse eenheid dat bij de bevolking van de verschillende vorstendommen was ontwaakt.
Na eerst nog de bescherming van Oostenrijk te hebben genoten, dat wegens de invloed die het in grote delen van Italië kon uitoefenen, eveneens belang had bij behoud van de oude toestand, kwam in 1859 het begin van het einde. Het koninkrijk Sardinië-Piëmont had kans gezien om met behulp van een vrijwilligersleger onder de bekende revolutionair Garibaldi Lombardije te veroveren. Oostenrijk was daardoor genoodzaakt zijn troepen terug te trekken, waarna de Kerkelijke Staat door het Piëmontese leger onder de voet werd gelopen. Na de nederlaag van het pauselijke leger bij Castelfidardo resteerde van de oude staat nog slechts het oorspronkelijke "Patrimonium Petri": Rome en omgeving.
Het verslagen leger, de "tirailleurs franco-belges", had voor het overgrote deel uit Fransen en Belgen bestaan, die gehoor hadden gegeven aan de oproepen in de katholieke pers om paus Pius IX daadwerkelijk te komen helpen. Dit Ieger werd na de nederlaag ontbonden en vervolgens onder de naam "pauselijke zouaven" opnieuw opgericht. Oorspronkelijk stonden zij bekend als de tirailleurs (scherpschutters) van Becdelièvre, hun commandant. Hun schilderachtige uniform bestond uit een vest, een kort jasje en een wijde broek van grijsblauw laken, afgezet met veel dofrode tressen en chevrons, met rechts op de borst een klein pauselijk wapen van verguld koper aan een sierlijk kettinkje. Om het middel droeg men een brede rode ceintuur en om de benen beenwindsels of witte slobkousen. Lage bergschoenen en een grijze kepi, versierd met een kleine jachthoorn, completeerden het geheel. Dit tenue had graaf Becdelièvre ontleend aan het guerrillakostuum van zijn vroegere tegenstanders in de bergen van de kolonie Algiers, de z.g. Zouaven-keurbenden van de Kabylen-stammen. Hierdoor werden de tirailleurs al spoedig in de volksmond "Zouaven" genoemd. En zo zou later hun officiële naam ook worden.
Overigens vochten er niet alleen zouaven voor de paus; zij maakten ongeveer één derde deel uit van het leger, dat verder bestond uit jagers, karabiniers, gendarmes en een regiment infanterie.
In Nederland kwam de werving van zouaven omstreeks 1860 op gang. Die werving liep over vier bureaux, gevestigd in Amsterdam, Oudenbosch, Tilburg en Maastricht. De meeste zouaven werden gekeurd in Brussel en daar geregistreerd. Vervolgens trokken ze via Parijs naar Marseille, vanwaar ze per schip naar Civitavecchia, een havenplaats bij Rome, werden vervoerd. In Rome volgde een tweede, strengere keuring. Daar werden ze opnieuw ingeschreven en ontvingen ze een wapennummer, het matricule nummer.
KUIJUS, Gerrit, geb. aldaar, Westerzij, 29-8-1839, z.v. Jacobus Kuijs, landbouwer, en Catharina Peperkamp (geh. Bergen 26-4-1835). Uit Bergen te Brussel 8-7-1867, matr.no. 4201.
Hij is getrouwd met Grietje Koppes.
Zij zijn getrouwd op 5 januari 1883 te Bergen, hij was toen 43 jaar oud.
Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Gerrit Kuijs | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
1883 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Grietje Koppes | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.