*G 205 Tekst volgens War.
1796 DEN 3 JUNIJ IS OVERLEEDEN HARMEN / WOUTERS BEEK-
KERK OUD OMTRENT 40 JAAR / IN LEEVEN SCHILDER TE
LEEUWARDEN EN LEGT / ALHIER BEGRAVEN /
1801 DEN 20 (AUGUSTUS?) IS OVERLEEDEN / TRIJNTJE HAR-
MENS BEEKKERK OUDRUIM/ 2(1) JAAR EN LEGT ALHIER BE-
GRAVEN /
Harmen Beekkerkt geb./ged. Leeuwarden 18 Nov./5 Dec. 1756, overl. ald.
aan een zinkingskoortst z. v. Wouter Harmensz. B., koopman en borger-
major, en Trijntje Haijesdr. Kroon, tr. Wirdum 13 Apr. 1777 Klaaske IJpesdr.
Cupery, ged. Dokkurn 7 Nov. 1753, vermoedelijk een d. v. IJpe Klaasz.,
majoor, en Aafke Freerksdr. Brouwer te Kollum. Kinderen: Trijntje (volgt),
Aafke (geb./ged. Leeuwardent Westerkerk, 31 Jan./14 Febr. 1783; tr. Jan
Klaasz. Koopmans, van Grouw) en Wolter (geb./ged. a.v. 24 Febr./17 Mrt.
1786; koopman; tr. Johanna Maria Reitsma, van Heerenveen).
Trijntje Harmensdr. Beekkerkt geb./ged. Leeuwardent Westerkerkt 31
Mei/16 Juni 1780t d. v. vorengenoemde echteliedent werd volgens het graf-
boek van Marsum op 25 Aug. 1801 begraven.
Vgl.: genealogie Beekkerk (Jierboekje 1956, blz. 36 e.v. en suppl, in Jier-
boekje 1959).
[Beekkerk, Herman Wouter]
BEEKKERK (Herman Wouter), geb. te Leeuwarden 18 Nov. 1756 en daar 3 Juni 1796 gest., was, nadat hij in zijn vaderstad op gebrekkige wijze teekenonderwijs gehad had, ongeveer van 1773 tot 1776 te Amsterdam leerling van Joh. van Dregt. In Leeuwarden teruggekeerd schilderde hij daar landschappen, genre- en dierstukken en groote decoratief behandelde historische tafereelen. In 1787 kreeg hij 4000 gulden voor een 20 voet breed stuk, Mozes met de zeventig oudsten uit het volk Israël, dat nog een wand in het stadhuis te Leeuwarden vult. Ook schilderde hij altaarstukken voor kerken. W.B. van der Kooien A.J. van der Poort waren leerlingen van hem.
Zie: Immerzeel, in voce; v. Eynden en v.d. Willigen II, 421; W. Eekhoff, Beschrijving van Leeuwarden II, 347; V.H. Acker, Poëmata (Gron. 1789) 19, 44; Thieme u. Becker, Allg. Lex. bild. Künstler, in voce.
Moes
_______
[Harmen Wouter Beekkerk]
BEEKKERK (Harmen Wouter), geboren te Leeuwarden, den 18 November 1756, oefende zich eerst in de teekenkunde onder iemand van zeer geringe bekwaambeid, doch schilderde daarna onder de leiding van Johannes van Dregt te Amsterdam, waar hij aanmerkelijke vorderingen maakte. Vervolgens vestigde hij zich in 1776 of 1777 in zijne geboortestad en vervaardigde bij voorkeur groote stukken met historische of zinnebeeldige onderwerpen, ook wel met dieren en landschappen. Hij werkte ongemeen vlug en had veel aanleg; zijne voortbrengselen getuigen van eene stoute bevatting en een goed begrip van houding en toon, hoewel er op de teekening wel eens iets aan te merken valt.
Een zijner voornaamste schilderijen, dat men op het stadhuis te Leeuwarden aantreft, het verzamelen der zeventig oudsten van Israël voorstellende, met levensgroote beelden, is wel 6 el lang. Ook heeft hij onderscheidene altaarstukken geschilderd.
Hij overleed te Leeuwarden den 3 Junij 1796 en liet bij zijne echtgenoote, Klaaske Cupery, drie kinderen na. Zijn broeder was Haye Beekkerk, die zich bij de omwenteling van 1813, als Luitenant-Kolonel aan het hoofd van 350 man der Nationale Garde, onderscheidde.
_______________________________
[Allert Jacobs van der Poort]
POORT (Allert Jacobs van der) werd in 1771 te Dokkum geboren, oefende zich onder H.W. Beekkerk te Leeuwarden in het portretschilderen, en vervaardigde ook behangsels met beelden en landschappen. Hij overleed in 1807 te Leeuwarden in den ouderdom van 36 jaren.
Zie Immerzeel; Kramm.
__________________________
[Poort, Allert Jacobs van der]
POORT (Allert Jacobs van der), geb. in 1771 te Dokkum, overl. 1807, ontving zijn opleiding in de schilderkunst bij den schilder H.W. Beekkerk te Leeuwarden. Van hem verscheen Teekenboek van den konstschilder A.J. v.d. P., bestaande in 43 schetsen in kleuren.
Zie: R. Visscher, Catalogus der stedel. bibliotheek te Leeuwarden (Leeuw. 1932), 149.
Wumkes
_____________________
[Carel Jacob Baar van Slangenburgh]
SLANGENBURGH (Carel Jacob Baar van), den 2 October 1783 te Leeuwarden geboren, werd in de teeken- en schilderkunst opgeleid door H.W. Beekkerk, J.H. Nicolay en W.B. van der Kooi. Hij vergezelde den laatstgemelden op een reis naar Dusseldorp, waar hij op de keurvorstelijke galerij de groote modellen bestudeerde. Na zijne terugkomst werd hij teekenmeester en vervolgens lector in de teekenkunst aan de hoogeschool te Harderwijk. Na de opheffing dier akademie in 1812, woonde hij te Leeuwarden, Haarlem en Utrecht, gaf aldaar les in de teekenkunst en schilderde portretten, binnenhuizen en kerken, die op de tentoonstellingen van dien tijd voorkomen. Later vestigde hij zich te Delft. Koning Willem II kocht in 1842 zijne voorstelling van het Koor der Nieuwe Kerk te Delft, met de tombe van Willem I aan. Zijne dochter Maria Elisabeth Juliana huwde den heer Fonger de Haan, luitenant bij de artillerie, een gelukkig beoefenaar der teekenkunst, insgelijks van Leeuwarden afkomstig. Slangenburgh overleed omstreeks 1850.
Zie Immerzeel; Kramm; Bouman, Gesch. d. Geld. Hooges. D. II. bl. 563.
_________________________________
[Petrus Groenia]
GROENIA (Petrus), den 5den October 1767 te Makkum, in Friesland, geboren, was de zoon van Jan Groenia en Saitske Broeksma. Op jeugdigen leeftijd ontwikkelde zich bij hem zulk eene zucht voor de beoefening der schilderkunst, dat er besloten werd hem door den bekwamen por-
[p. 433]
tretschilder Hermanus Wouter Beekkerk, te Leeuwarden, onderwijs te doen geven. Bij de onlusten, die destijds ons vaderland beroerden, sloot hij zich aan eene der partijen aan, bevond zich als vrijwilliger der Friesche brigade in 1787 te Utrecht en werd den 3den Augustus van dat jaar tot 2de Luitenant bij het 1ste regiment infanterie van Friesland benoemd. Nog in dat jaar was hij genoodzaakt de wijk naar Frankrijk te nemen, waar hij zijne kunststudie voortzette. Hij vestigde zich eerst te Duinkerken en later te St. Omer. Den 30sten Junij 1796 tot 1ste Luitenant bij de Friesche garde aangesteld, keerde hij in het vaderland terug, ging den 27sten April 1801 bij het 3de bataillon Mariniers over, huwde met Johanna van Altena, en vertrok vervolgens als kapitein naar Suriname in 1802. Daar verloor hij zijne gade en keerde in 1804 naar Holland weder. Hij hertrouwde den 15den Maart 1805 met Coenradina Susanna Haagen, en werd, in 1807, door Koning Lodewijk tot ridder van de Orde der Unie benoemd. Van 1810 tot 1811 diende hij bij het leger in Spanje, onderscheidde zich in de gevechten bij Pasewalk en Mesa de Ibor, werd bij Talavera gekwetst en nam deel aan den slag bij Ocana. Hij kommandeerde als Luitenant-Kolonel op het fort Dueso, bij Santonia gelegen, waar hij zeer uitmuntte en dat fort niet wilde overgeven, hoewel Napoleon reeds naar Elba gebannen en door Lodewijk XVIII was opgevolgd. Op des laatstens last ging hij eindelijk tot de ontruiming er van over, kwam vervolgens weder in Frankrijk en werd bij Napoleon's terugkomst tot kolonel van een regiment infanterie van linie en tevens tot Ridder van het Legioen van eer benoemd. Als zoodanig streed hij tegen de bondgenooten bij Waterloo, en werd den 25sten October 1815 uit de dienst ontslagen. Naar Holland teruggekeerd, werd hij weldra in zijnen vorigen rang hersteld en had nu zijne diensten voor het vaderland veil. Bij den Belgischen opstand in 1830 lag hij te Gent in garnizoen en behoorde er tot den Raad van verdediging, die weldra genoodzaakt was de stad en het kasteel aan de opstandelingen over te geven. Hij kommandeerde vervolgens als kolonel de 2de afdeeling, 1ste ban der mobile schutterij van Friesland, en het was als zoodanig dat hij den geheelen veldtogt bijwoonde en bij verschillende overwinningen tegenwoordig was. Na den tiendaagschen veldtogt ontving hij voor zijn dapper gedrag de Militaire Willemsorde 4de klasse en het Metalen Kruis. Na de scheiding van België verliet hij de dienst en leefde vervolgens rustig, zich geheel aan de beoefening der schoone kunsten toewijdende, totdat hij den 1sten Julij 1844 te Koudekerk aan den Rijn overleed en begraven werd. Zijn portret en eenige schilderijen van zijne hand worden daar nog bewaard.
Wij betreuren het met den Heer Kramm, aan wiens werk wij bovenstaande berigten voor een groot deel ontleenden,
[p. 434]
dat Groenia, hoe nuttig ook voor zijn vaderland in een ander opzigt, zich niet geheel aan de kunst heeft kunnen wijden. Hij had voorzeker alsdan eene aanzienlijke hoogte bereikt. Zijne werken, menigmaal op tentoonstellingen te Gent, te Amsterdam en elders geplaatst, trokken de goedkeurende opmerkzaamheid der kunstliefhebbers en verwierven in den ruimsten zin aller lof. Van zijne hand worden de volgende stukken vermeld:
Het Portret van Prins Ernst van Hess-Philipsthal, zijnen Kozak bevelende hem zijn rijpaard te brengen.
De Romeinen door de Samnieten ingesloten te Caudium, vruchteloos pogende te ontkomen.
Afbeelding van eenige staatsgevangenen in het Jesuiten-collegie, te St. Omer.
De slag bij Houthalen op den 6den Augustus 1831.
Een Stadsgezigt in Spanje, bij gelegenheid van een feest.
Een tafereel uit den Spaanschen oorlog met krijgslieden.
Een Geestelijke in een rotsachtig landschap.
Een Stadsgezigt te Dendermonde, met doortrekkende krijgslieden.
De Portretten van E. Wolff, geb. Bekker en A. Deken.
Zie van Eynden en van der Willigen, Geschied. der vaderl. schilderk. D. III. bl. 146; Immerzeel, Lev. en Werk. der Kunstsch.; Bosscha, Neérl. Held. te land, D. III. bl. 257, 329, 352, 366, 663; Kramm, Lev. en Werk. der Kunstsch.
De Beekkerk te Leeuwarden
Wapen Volgens Zegelafdruken, afkomstig van Haye Beekkerk geboren 1820 overleden 1901.
Gedeeld 1 Friesche Adelaar , 2 In Zilver een golvende blauw zilveren balk, waaruit een kerkgebouwtje oprijst in Hollansche barokstijl met dakruiter, van vooren af gezien. Onder vergezeld van een naar her rechtsgewende manskopmet eind zestiende eeuwse helm, (met kinstuk zonder pluim) en halsbedekking.
Op een alliantiewapen Beekkerk Hamerster Dijkstra ( waar bij voor het vrouws wapen dat van de familie Lamerster werd gebruikt is de rechter wapenhelft weggelaten.
Een vraag mij voor enige j
Aren gedaan naar het geslacht van de Leeuwarder schilder Harmen Beekkerk, wiens behangsels nog steeds de vertrekkamer ten stadhuize sieren bracht mij er toe gegevens te gaan verzamelen over deze familie die in het Leeuwarder stadslevenin de tweede helft van de achttiende eeuw en de negentiende eeuw zo'n grote rol heeft gespeeld.
Behalve de schilder is het vooral diens broer Haye die als Commandant der Nationale Garde in 1813 een zekere vermaardheid heeft verworven, en diens kleinzoon Haye die als gezeten amtenaar met vele neven functies tot de plaatselijke optimaten behoorde.
De Leeuwarder stamvader kwam volgens het burgerboek uit Oldenmarkt.
Ik heb vergeefs naar een doop aldaar gezocht maar vond tussen de overigens slechts met patronymen aangeduide inborelingen een huwelijk op 17 juli 1723 van Harmen Luities Bijkkerk, jonge man van Paaslo en Wichertjen Wichers jonge dochter van Giethoorn. Nu was Giethoorn een Mennistendorp. Zodat het gezin mogendlijk doopsgezind was.
Wouter en zijn vrouw komen evenmin voor in de gereformeerden lidmatenboeken voor.
Later is de naam Bijkerk evenwel niet zeldzaam in de Oldenmarkter kerkboeken.
Ik noteerde een Arend Bijkerk die in oktober 1755 met een attestatie uit Vollenhove komt, en tal van dopen en huwelijken daarna, waaruit blijkt dat Harmen tenminste drie procreatieve zoons moet hebben gehad.
Luitje, Jan en Hendrik mogendlijk was Wouter wiens naam als Wolter terplaatse voorkwam er eveneens een.
Naar zijn latere functie van stads of burger of onder majoorte oordelen, was hij in zijn jonge jaren soldaat geweest en mogenlijk in garnizoen naar Leeuwarden gekomen.
Om daar eenmaal terplaatse een winkel te beginnen, we weten niet waarin hij handelde.
De weduwe verkocht later dekens, terwijl de kleinzoon Wouter Hayes blijkens een aquit van het Nieuwe stedsweeshuis in 1827 Raapolie heeft geleverd.
Voor het overige moeten wij het bij gebreken aan oude adresboeken met de algemene benaming Koopman doen.
De naam die te Leeuwarden aanvankelijk nog een enkele maal als Beikerk, maar meestal Beekerk wordt aangetroffen
Werd omstreeks 1790 tot Beekkerk.
Het sprekende wapen kan , indien het met de naamswijziging tenminste niet heeft uit gelokt, moet dus veel ouder zijn.
Leerling van Johannes Van Drecht te Amsterdam schilder van historiesche en religieuse taferelen soms ook landschappen vertegenwoordigd in Musea te Leeuwarden en in het stadhuis. Petrus Groenia leerling van Harmen Wouter Beekkerk Historieschilder, op 9 maart 1932 wordt er een straat naar
hem genoemd.
Gaf les aan W B Van der kooi , AJ van der Poort, C J Baar van Slangenburg
Plaats: Amsterdam, Noord Holland, NLD
Hij leerde het schildersvak in de jaren 1774 tot 1776 bij Johannes VAN DREGT te Amsterdam, geboren te Amsterdam in 1737 , overlijd in Amsterdam in 1807. Schilderde behangsels en grauwtjes. Zijn werken zijn in Musea te Leiden en te Hoorn. Op 31 mei 1777 vestigde hij zich op de Oranje Eewal te Leeuwarden als schilder. Hij schilderde voornamelijk historische en zinnebeeldige onderwerpen
en nu en dan een landschap. Later schijnt hij ook altaarstukken te hebben gemaakt, warden van 1435 tot 1935 pagina 166. Een schetsboek van hem was tot 1945 in bezit van de heer VERKOUTEREN te Asten. Hij woonde voor 1792 tot aan zijn dood in het huis F29 van JAN ZEPER . Zijn atelier werd na zijn overlijden op 3 juni 1796 op 30 april 1797 geveild door V VAN DE PLAATS.
In dit jaar kreeg hij 4000 Gulden voor het maken van een 20 voet breed Stuk , Mozes met de zeventig oudsten van het volk Israel, dat nog een wand in het stadhuis te leeuwarden vult
Het werk is 72.4 cm X 60.3 cm
Stelt een keuken interieur voor met 6 personages voor het open vuur.
Oorzaak: Hij overleed aan Zinkingskoorts
Hij is getrouwd met Claaske Ypes Cupery.
Toestemming voor het huwelijk is 21 maart 1777 verkregen te Leeuwarden, Nederland.Bron 6
Zij zijn getrouwd op 13 april 1777 te Wirdum, Friesland, NERDERLAND, hij was toen 20 jaar oud.Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Harmen Wouters Beekkerk | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1777 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Claaske Ypes Cupery | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||