Meppel, 21 Mei. Gisterenmiddag had een botsing plaats tusschen de auto, bestuurd door den heer Joh. Driezen uit Zwartsluis met de stoomtram der Ned. Tramweg Mij., vlak voor de brug over de Hoogeveensche vaart. De auto was op reis naar de paardenrennen te De Wijk, terwijl de tram van 12.40 in de richting Havelte reed. De auto werd in de flank aangereden. Door het krachtige remmen van den machinist bleef het ongeluk, dat op dit drukke punt onmiddellijk naast het kanaal, zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben, tot slechts eenige materiëele schade beperkt. Proces-verbaal wordt opgemaakt.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 23 mei 1929
De botsing van tram en auto.
Meppel. Wij meldden Dinsdag, dat de heer Joh. Driezen te Zwartsluis de auto bestuurde, die Maandag alhier met de tram in botsing kwam. De heer Driezen verzocht ons dit berichte in zooverre te rectificeeren, dat niet hij, doch iemand uit Genemuiden chauffeerde.
Rechtbank Zwolle - Zitting van hedenmorgen
Ongekeurd vleesch te Zwartsluis door een tweetal slagers gestempeld met het stempel, dat den keurmeester toebehoorde.
Voor de rechtbank diende hedenmorgen de zaak tegen de slagers T. S. en J. S. te Zwartsluis. Verdachten was ten laste gelegd dat zij het vleesch eener geslachte koe geheel of gedeeltelijk hadden gestempeld met een stempel, dat voldeed aan het voorschrift genoemd in artikel 44 van de Vleeschkeuringswet, vastgesteld bij Kon. Besluit van 5 Juni 1920, om zoodoende te doen voorkomen of dit stempel onvervalscht en echt was. Geen van beide slagers had dit echter gedaan in de kwaliteit van keuringsveearts of hulpkeurmeester. Uit het verhoor van beide verdachten, die een volledige bekentenis aflegden bleek, dat zij in 1926 of 1927 een koe hadden geslacht, die niet helemaal goed was. Toen de koe geslacht was constateerden de slagers, dat het dier "pokken" had en zij dus kans liepen dat het vleesch afgekeurd zou worden door den keuringsveearts. Verdachten hebben toen samen overlegd wat te doen. Er meldde zich op den dag, dat de koe geslacht was een andere slager, die vleesch van deze koe wilde koopen. Verdachten deelden hem toe mede, dat de koe niet helemaal goed bleek te zijn en pokken had. De derde slager heeft toen met een mes in de klieren van het beest gesneden en zeide daarop "dat het nogal meeviel". Hij wilde het vleesch wel koopen mits het eerst gestempeld was. Verdachten, die echter vrees hadden, dat het vleesch afgekeurd zou worden hebben toen de geslachte koe in het waschlokaal van de slachtplaats verborgen en den volgenden dag een andere koe geslacht. Zij hadden afgesproken, dat wanneer de keurmeester kwam een van hen deze mede zou nemen naar een stal waar een ziek paard stond, zoodat de andere de gelegenheid zou hebben met het stempel van den keurmeester gauw het verborgen vleesch te stempelen. Zooals werd afgesproken werd gedaan.
Getuigenverhoor
Als eerste getuige werd gehoord de veearts C. Tolhoek, die zeide bij verdachte een koe gekeurd te hebben. Hij had slechts een geslachte koe gezien. In zijn auto had hij de stempels, één voor goedgekeurd vleesch, één voor afgekeurd vleesch en één voor levend vee. Dat er nog vleesch aanwezig was van een koe, die de pokken had, wist getuige niet.
President: Wordt het vleesch van een koe die pokken heeft afgekeurd?
Getuige: Er is alle kans op, edelachtbare, dat hangt van den aard en de ernst der ziekte af.
De twee volgende getuigen zijn J. en J. Louis, beiden slagers. Zij hadden mede geconstateerd dat de bedoelde koe pokken had. De eene getuige verklaarde gezegd te hebben, dat het z.i. niet zoo erg was, de andere getuige evenwel deelde mede, dat het geheele lichaam der geslachte koe onder de pokken zat.
Dan worden eenige getuigen à décharge gehoord, gedagvaard door den raadsman van verdachte, mr. Willinge Gratama.
Gehoord werden o.m. een knecht, het gemeenteraadslid v.d. Stouwe en een ambtenaar der belastingen. Deze allen legden zeer gunstige verklaringen over verdachten af en deelden allen mede, dat de beide verdachten in Zwartsluis altijd heel goed bekend hebben gestaan. De meeste getuigen à décharge kennen beide verdachten lange jaren en hebben nooit iets bemerkt ten hunnen nadeele.
Requisitoir
De Officier van Justitie, dan requisitoir nemend, zegt, dat het verdachten ten laste gelegde, gehoord ook hun eigen volledige bekentenis, voldoende bewezen is. De Officier noemt de feiten van zeer ernstigen aard. Een ernstige straf zal verdachten opgelegd moeten worden, aangezien ze groot nadeel hadden kunnen berokkenen aan de gezondheid van andere menschen. Mr. Van Hasselt eischte tegen ieder een gevangenisstraf van 6 maanden.
Mr. Willinge Gratama, raadsman, vangt zijn pleidooi aan met de verschillende feiten nog eens na te gaan. Op 'n zeker onzalig ogenblik hebben verdachten iets bedacht om deze koe toch goedgekeurd te krijgen, en nu dringt zich in de eerste plaats de vraag op "hoe zijn deze verdachten tot deze daad gekomen?" De Rechtbank heeft hier voor zich staan, die gezeten burgers van Zwartsluis zijn, twee menschen, die altijd gunstig bekend hebben gestaan, zooals uit de verschillende verklaringen van de getuigen à décharge is gebleken. Hoe zijn deze menschen tot zulk een plan, zulk een opzet gekomen? Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen. Wat was de oorzaak? De menschen zagen aankomen, dat deze koe niet goedgekeurd zou worden, zij veronderstelden tenminste dat er een groote kans voor bestond. Toen is die andere slager gekomen, die zeide "de koe is zoo slecht nog niet". Hij bestelde het grootste gedeelte van het vleesch, mits het gestempeld werd. Verdachten hebben toen samen overleg gepleegd en pleiter geeft direct toe, dat het een leelijk iets is wat zij gedaan hebben, doch wij moeten er ons van weten te vrijwaren - aldus mr. Willinge Gratama - bij de beoordeling om over te slaan naar den al te donkeren kant, zooals de Officier naar pleiter meent te veel heeft gedaan. Het is toch niet zóó erg als de Officier hier voorstelt. Pleiter wijst er op, dat het feit in de eerste plaats reeds eenige jaren geleden gebeurd is en de aanleiding, die deze zaak thans voor de rechtbank heeft gebracht, noemt pleiter er een met een bijsmaakje en verre van sympathiek. Mr. Gratama wil er niet al te veel over uitwijden, doch constateert, dat deze verdachten de jaren na het gebeurde in groote angst hebben geleefd, voortdurend de vrees hebben gekend, dat zij verraden zouden worden. De rechtbank dient hier ook wel degelijk te overwegen, dat het hier twee menschen zijn die ontzettend spijt over het gebeurde hebben. Zij zijn niet slecht van aanleg, het zijn geen personen, die verhard zijn in het kwaad. Dat de koe niet slecht is geweest is gebleken uit het feit, dat zich geen ziekte bij menschen heeft voorgedaan. Wat de straf betreft, men moet hier niet uitgaan van de oude vergeldingstheorie "hij heeft wat misdreven dus moet er voor boeten". Die tijd is voorbij. Men heeft ook rekening te houden met de belangen van beide verdachten. Pleiter dringt aan op een voorwaardelijke straf en gelooft niet, dat de Rechtbank het instituut der voorwaardelijke veroordeling wil verlagen, door het alleen in toepassing te brengen en te beperken tot minder ernstige gevallen. Pleiter is er van overtuigd, dat de maatschappij bij een voorwaardelijke veroordeling beveiligd is tegen herhaling.
Verdachten zelf vragen clementie in het belang ook van hun gezin. Zij betuigen hun groote spijt en zullen zorgen, dat er van een herhaling nooit sprake is.
Nieuwsblad van Friesland 28 november 1930
Rechtbank Zwolle 27 November
Knoeierij met een goedkeuringsstempel.
Terecht staan de 36-jarige slager Thijs Schraa en de 46-jarige slager Johannes Driezen.
Eerstgenoemde wordt ten laste gelegd, in de eerste helft van 1927, dus bijna vier jaar geleden, te Zwartsluis op deelen van een geslachte koe, die niet gekeurd waren, een stempelmerk te hebben geplaatst, zonder dat hij hiertoe bevoegd was, en daarbij wederrechterlijk gebruik te hebben gemaakt van een echten stempel, bestemd om bij een door daartoe belasten keuringsveearts plaats gehad hebbende keuring op goedgekeurde deelen van een geslachte koe te worden geplaatst; zulks met het oogmerk om die deelen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof het op die deelen geplaatse merk echt en onvervalscht was.
Den tweeden verdachte wordt en last gelegd, dat hij ten dien tijde eerstgenoemde gelegenheid heeft gegeven en opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van vorengenoemde misdrijven door - zooals zij tevoren hadden afgesproken - om wanneer de keuringsarts was gekomen om bovenbedoelde geslachte koe te komen keuren, zij dezen een andere alsdan tevens geslachte koe zoude laten keuren - toen die veearts aanwezig was, voorzien van zijn kist met stempels, hem te verzoeken mede te gaan naar den stal, om naar een paard te kijken en zich daartoe naar den stal te verwijderen, zoodoende eerstgenoemde in de gelegenheid te stellen om de niet gekeurde deelen van de daags te vooren geslachte koe te voorzien van het hierboven omschreven stempelmerk, waarvan te verwachten was geweest, dat het door den veearts bij zijn gang naar den stal niet werd meegenomen.
Beiden bekennen volledig.
De slager Jacob Louis heeft in Maart of April 1927 bij verdachten een koe geslacht. Toen het slachten afgeloopen was en de koe "hing", vertrouwden verdachten het niet, omdat het dier pokken had. Zij waren bang.
President: Heeft Driezen niet tegen u gezegd, dat de koe vast afgekeurd zou worden?
Louis: Neen.
President: Is er niet over gesproken, dat Driezen den veearts zou weglokken en dat Schraa dan in dien tijd de goedkeuringsstempels zou aanbrengen op de bewuste koe?
Louis: Ja.
President: U heeft het verhaal altijd voor u gehouden, maar nu u onlangs met verdachte ruzie kreeg, heeft u het uitgebracht?
Louis: Ik had geen ruzie met Driezen, maar verschil van meening over een koe.
Jannes Louis, 18 jaar, zoon van den vorigen getuige, verklaart, dat hij meegeholpen heeft bij het slachten van een koe en dat er een andere koe geslacht in het waschhuis hing, welk beest onder de pokken zat.
Hij heeft gezien, toen de veearts met Driezen weg was, dat Schraa de goedkeuringsstempels op dat beest aanbracht.
De Officier van Justitie noemt de feiten van zeer ernstigen aard. Spreker eischt tegen elk zes maanden gevangenisstraf.
De verdediger Mr. Willinge Gratama vroeg een voorwaardelijke veroordeling.
Schraa herhaalt zijn bekentenis, maar beveelt zichzelf en zijn gezin in de welwillendheid van de Rechtbank aan.
Driezen deelt mee, dat hij vier jaren lang elken dag opnieuw onder dit feit gebukt is gegaan. Hun vrouwen hebben het dadelijk betreurd, dat zij zoo iets hebben kunnen doen.
Als hij de gevangenis in moet, is hij voor zijn heele leven ongelukkig.
Uitspraak over 14 dagen.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 11 december 1930
Rechtbank te Zwolle
De Rechtbank heeft het navolgende vonnis gewezen:
Thijs Schraa en Johannes Driezen te Zwartsluis, no. 1 wegens het wederrechterlijk plaatsen van merken op goederen waarvoor zij niet bestemd zijn en no. 2 wegens medeplichtigheid aan evengenoemd misdrijf, elk tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met 3 jaren proeftijd en bovendien elk tot f 100 boete of 50 dagen hecht. (de boeten en vervangende hechtenis onvoorwaardelijk).
Auto in het Meppeler diep
Woensdagavond reed tusschen Meppel en Zwartsluis een personenauto van den slager J. Driessen te Zwartsluis waarin mede gezeten was Krabbe Jr., in het zeer diepe Meppelerdiep. De auto werd bestuurd door Krabbe. Gelukkig lag daar toevallig een schipper hooi te laden, die te hulp schoot. Het gelukt hem de ruiten der auto te vernielen en beide inzittenden van een wissen dood te redden.
Omtrent de oorzaak van het ongeval is niets bekend. Later op den avond werd de wagen gelicht.
Zwartsluis. Woensdagavond werd bij den heer J. Driezen, terwijl de familie naar kerk was, ingebroken. De dief, die blijkbaar bekend moest zijn met de inrichting van het huis, was door een zijraam binnen geklommen. Toen de heer Driezen thuis kwam, miste hij pl.m. f 45 uit de geldlade in den winkel. De aandacht van de politie viel op zekeren H. K., die echter pertinent ontkende. Door de politie werd toen assistentie verzocht van een politiehond. De politiehond van de heer Mulder, rijksveldwachter te Nieuwleusen, wees onmiddellijk het perceel aan, waarin H. K. is gehuisvest. Deze legde daarop een bekentenis af dat hij inderdaad het geld ontvreemd had. Het ontvreemde bedrag werd bijna geheel aangetroffen in de woning van H. K. Door het actief optreden van rijks- en gemeentepolitie werd de dader spoedig gesnapt.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 10 november 1933
Gerechtshof te Arnhem
Inbraak en diefstal
Het gerechtshof te Arnhem deed uitspraak in de strafzaak tegen H. K. te Zwartsluis, die bij een slager aldaar, terwijl deze niet thuis was, door een raam is binnengekomen en uit de toonbanklade ongeveer f 45 heeft ontvreemd. De politierechter te Zwolle heeft hem daarvoor veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Dit vonnis werd in hooger beroep door het Arnhemsche gerechtshof bevestigd.
Dierenmishandeling
Wreede slager veroordeeld
De slager Johannes Driezen te Zwartsluis had een koe met een mes een snijwond aan een poot toegebracht. De verdachte zou dat gedaan hebben om benadering door de kommiezen te voorkomen, daar hij het dier wel wat laag voor de slachting had aangegeven. De kommiezen bemerkten de verwonding en gaven het aan.
De rechtbank te Zwolle veroordeelde Driezen wegens dierenmishandeling tot 14 dagen gevangenisstraf en dit vonnis werd in hooger beroep door het Arnhemsche gerechtshof bevestigd.
Hij is getrouwd met Henderika Adriana Venhuizen.
Zij zijn getrouwd op 17 december 1908 te Blokzijl, hij was toen 24 jaar oud.Bron 1
Kind(eren):
Johannes Driezen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
1908 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Henderika Adriana Venhuizen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Nieuwsblad van het Noorden 21 mei 1929
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 27 november 1930
De Noord-Ooster 25 juni 1932
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 10 maart 1933
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 29 mei 1935
BS Zwartsluis 1911 geb. akte 15
Graftombe.nl
HVZ registratie begraafplaats Cingel