Quotisatie1749 Hans Louws te Midlum
In de Quotisatiecohieren van 1749 staat dat er drie kinderen zijn onder de 12 jaar. Dit zouden dan Louw (1745), Rinske (1747) en Antie (1749) moeten zijn. Johannes werd in 1755 geboren. Aanslag 18:11:4 = 18 Caroli gulden, elf stuivers en 4 penningen. (Hans Louws heeft geen vermogen van meer dan L 600 en betaald dus half hoofdgeld.) 20 stuivers in een Caroli gulden en 28 stuivers in een Goud gulden. Elke stuiver was 8 duiten en 2 penningen was een duit, dus 16 penningen in een stuiver. Om nog een duit in het zakje te doen: Caroli guldens is L van libra/pond. Goud guldens is ? van florijn. (Een pond sterling (20 Shilling) had dus andere stuivers/shillings dan een goudgulden. 1 shilling = 12 pennies en 1 stuiver = 16 penningen.) De waarde van de caroli gulden (L) van toen kan men ruwweg (lonen en prijzen hebben heel verschillende ontwikkelingen doorgemaakt) stellen op ? 100 van nu. (2010) Gemeen arbeyder staat voor gewoon arbeider. De speciekohieren van 1748-1805 Historische context De Unie van Utrecht (1579), die kan worden gezien als de geboorte van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maakte de gewesten in hoge mate soeverein met betrekking tot hun eigen bestuursinrichting, rechtspraak en belastingheffing. Tot een uniformlandelijk belastingstelsel kwam het, ondanks herhaalde pogingen en toezeggingen, nooit.1 Ook niet toen in 1795 de Bataafse Republiek ontstond en evenmin in 1798, toen die werd omgevormd van een federatie tot een eenheidsstaat met een centrale regering. Pas ruim zeven jaar later was de tijd er rijp voor: met ingang van 1 januari 1806 werd het stelsel van Gogel van kracht en vervielen alle gewestelijke belastingen. Het voorgaande houdt dan ook in dat de hierna te behandelen belasting op de vijf specien uniek voor Friesland is, hoewel dat niet voor de afzonderlijke bestanddelen geldt. Onder Friesland moeten we in dit verband alleen het vasteland verstaan. Vlieland enTerschelling behoorden destijds tot Holland, terwijl Ameland en Schiermonnikoog vrije heerlijkheden waren waar de Staten van Friesland geen gezag konden uitoefenen. De belasting van de vijf specien is in Friesland in 1637 ingevoerd. De vijf specien Onder de vijf specien werd verstaan een conglomeraat van vijf afzonderlijke belastingen, elk met hun eigen geschiedenis, waarvan de inning om praktische redenen was gebundeld. Vanouds werden ze verpacht, wat inhield dat de inning door Gedeputeerde Staten op een veiling werd gegund aan de hoogste bieder. Bij de bevolking heerste weerzin tegen dit systeem omdat men de belastingpachters verdacht van oneerlijke praktijken (of dat terecht was moet ik in het midden laten). Toch bleef het stelsel in stand omdat de machthebbers zo de belastinggelden binnenkregen met minimale perceptiekosten. Wel zorgde de overheid voor inspectie (via een paar honderd opzichters of cherchers) en voor de sterke arm wanneer het nodig was om fraudeurs en onwilligen in het gareel te dwingen. Maar na het ?pachtersoproer? van 1748 (ook wel genaamd de ?Doelistenbeweging?), waarbij verschillende belastingpachters werden gemolesteerd, besloten de Staten noodgewongen tot afschaffing van het systeem. Alle belastingen zouden dus voortaan door daartoeaangestelde ontvangers worden ingevorderd. Ook in andere provincies was verpachting van belastingen eerder regel dan uitzondering en ook daar ging het roer om in 1748. De vijf specien bestonden uit de volgende onderdelen: 1. Het hoofdgeld, ook wel familiegeld genaamd. Het was verschuldigd door iedere ingezetene van 12 jaar of ouder, en gegoed voor ? 600 of meer. Minder gegoeden betaalden half hoofdgeld en hoefden niet te betalen voor hun kinderen, al waren ze boven de 12 jaar. Bedeelden (?gealimenteerden?) en ?geappointeerden? (afgekeurde militairen aan wie een pensioen was toegekend) waren vrijgesteld. Het gezinshoofd moest ook hoofdgeld betalen voor inwonend personeel; het tarief bedroeg ? 3 per hoofd per jaar. Tot omstreeks 1950 was het zeer gebruikelijk dat ongehuwde meiden en knechten bij hun werkgever (?broodheer?) inwoonden. Het hoofdgeld werd in 1795 deels en in 1797 geheel afgeschaft. In die tijd vind je vaak op het kohier de uitdrukking ?onder (de) exemptie?, wat inhield dat mensen die minder dan ? 600 bezaten geen hoofdgeld hoefden te betalen. 2. Het schoorsteengeld, ook wel haardstedengeld genoemd. Het tarief hiervoor bedroeg ? 3 per jaar per in gebruik zijnde schoorsteen. Bij leegstand kon een schoorsteen door dichtmetselen buiten gebruik worden gesteld. Halve schoorstenen komen ook voor; hiermee worden bedoeld schoorstenen in schuren, stallen, stookhutten en dergelijke. Schoorstenen die bedrijfsmatig werden gebruikt in bijv. drankstokerijen werden wel voor het volle tarief belast. Het schoorsteengeld was verschuldigd door de eigenaar en de gebruiker, elk voor de helft. Doorgaans schoot de huurder het voor en verrekende hij het later met de eigenaar. Gealimenteerden en corpora (kerkgenootschappen, gasthuizen e.d.) genoten vrijstelling, evenals opzichters die in een ?provinciaal huis? woonden. Nieuwbouw van een huis ?op een koud steed? (een plaats waar nooit eerder een huis had gestaan) resulteerde in tien jaar vrijdom van schoorsteengeld. Degenen die door brand hun huis kwijt waren geraakt en dit ter plekke herbouwden genoten hetzelfde voorrecht. Schippers die in hun schip woonden hoefden geen schoorsteengeld te betalen. We zien dit verschijnsel sterk toenemen tegen het einde van de achttiende eeuw. Het zal verband houden met de stijgende vraag vanuit Holland naar turf uit Friesland en de andere noordelijke provincies. In die tijd gingen ook steeds meer mensen in hutjes op de heide wonen (bijv. te Zwaagwest-einde, Bergumerheide en elders). In zulke gebieden had de fiscus niets te zoeken. 3. Het hoorngeld was verschuldigd door eigenaren van koeien van drie jaar en ouder. Vaarzen (Fries: rieren) deden half geld. Kalveren, ossen en stieren waren vrijgesteld. Het tarief varieerde met de vruchtbaarheid van de grond. Er werden drie kwaliteiten onderscheiden: ?hoog quartier?, ?laag quartier? en ?broek-, moer- en heydlanden?. Het hoogste tarief bedroeg een gulden per koe per half jaar. In het laag quartier was dat tien stuivers, in de broek- en heidlanden zeven stuivers per half jaar. In tijden dat de veepest rondwaarde gaven de Staten korting op het hoorngeld. 4. Het paardengeld bedroeg zeven stuivers per half jaar per paard, behalve voor zogende veulens. 5. Het middel op de bezaaide landen. De naam zegt wel genoeg. Ook hier was er differentiatie naar de kwaliteit van de grond, het maximale tarief was ? 0-5-6 per pondemaat. De speciekohieren Van de administratie die de belastingpachters ongetwijfeld hebben gevoerd is bij mijn weten niets overgebleven. De ontvangers van 1748 en later werkten met officiele registers, die bekend staan als speciekohieren. De kohieren werden in concept opgezet door de stads- of grietenijsecretaris door overschrijven van het lopende kohier. Vervolgens werden ze midden juni in samenwerking met plaatselijke autoriteiten geactualiseerd. De gecommitteerden gingen niet bij de huizen langs, maar lieten de ingezetenen voor zich verschijnen (?compareren?). De belastingplichtigen moesten hun aangifte onder ede bevestigen. De boetes voor valse aangiften waren niet mals: 12 Caroli gulden per verzwegen hoofd, schoorsteen, rund, paard of pondemaat bouwland. Tot 1 juli had men nog tijd om iets bij te stellen, daarna was de aangifte definitief. In de oudste drie jaargangen, die van 1748 tot 1750, hebben de percelen nog geen nummers. Dat schept soms onzekerheid inzake de ?identiteit? van een perceel. Wanneer de nummers eenmaal verschijnen (1751 dus) zijn ze behoorlijk vast door de tijd en is de onzekerheid klein. Wel werd er soms een nummer, dat door afbraak vacant was geworden, toegekend aan een nieuw huis in de buurt. De nummers hebben geen verband met die in de stem-, floreen- en reeelkohieren en ook niet met de huisnummers, die in 1806 werdeningevoerd ten behoeve van het nieuwe belastingstelsel. Een post in het speciekohier bestaat gewoonlijk uit een nummer en de naam van de hoofdbewoner, gevolgd door zeven of acht kolommen, voorzien van opschriften als S, H, HH, K, R, P, G (of BL) voor respectievelijk schoorstenen, hoofden, halve hoofden, koeien, rieren, paarden en gezaai (of bezaaide landen). Lokaal zijn er wel eens kleine verschillen in volgorde en benaming. In de laatste kolom staat doorgaans het totaalbedrag van de aanslag, die voor een beetje boer al gauw tientallen guldens bedroeg, te betalen in twee termijnen. Was er binnen een dorp meer dan een tariefgroep, dan begint in elk ?quartier? de nummering weer bij 1. Meestal werd alleen de hoofdbewoner vermeld, maar inwonende alleenstaanden (volwassen kinderen, knechten, meiden, kostgangers) werden ook wel op eigen naam aangeslagen, zeker als ze vee bezaten en/of bouwland gebruikten. Kostgangers e.d. worden vaak aangeduid met de term ?vrijgezel?. Hiermee kan iedere alleenstaande worden bedoeld die geen zelfstandige huishouding voerde, dus ook een weduwe of weduwnaar. Informatieve waarde De speciekohieren kunnen een aardig inzicht in het leven van onze voorouders geven. Vooral bij boeren kun je conclusies trekken over hun bedrijfsvoering en andere zaken. Zo is goed te zien dat de runderpest in de achttiende eeuw voor veel boeren funeste gevolgen had. In de speciekohieren staan veel aantekeningen die verduidelijken waarom er minder hoofden staan aangegeven dan het vorige jaar, bijvoorbeeld door overlijden, vertrek of huwelijk van gezinsleden. Voor de genealogiebeoefening is dat ook van belang, omdat het in het algemeen met de overlijdensregistratie voor 1811 in Friesland bedroevend slecht gesteld is. Menigmaal geven de gegevens over een huwelijk uitsluitsel over de vraag of we met naamgenoten of met een en dezelfde persoon te maken hebben.Vermeerdering van het aantal hoofden werd slechts sporadisch toegelicht. Omdat de steden en grietenijen elkaar vanaf 1751 berichtten over binnenkomst en vertrek van ingezetenen zijn hun verhuizingen in principe goed te volgen. Dat geldt ook voor migratiebinnen de eigen gemeente. Het onderscheid in heel en half hoofdgeld geeft een ruwe indicatie van de welstand van het gezin. Toch is niet alles zo goed gedocumenteerd als we wel zouden willen, een vergelijking met het bevolkingsregister van een eeuw later kunnen de speciekohieren beslist niet doorstaan. Zo verschijnen inwonende vrijgezellen of pasgetrouwde stellen vaak zomaar ergens zonder dat er iets van hun herkomst wordt meegedeeld. Bekende uitdrukkingen in dit verband zijn: ?begint?, en ?heeft gediend?. Ook verdwijnen er vaak mensen die niemand vertellen waar ze heen gaan (?vertrokken sonder te weten werwaarts?). Gealimenteerden, die geen belasting hoefden te betalen, woonden vaak naamloos in diaconie- of armenhuizen, zodat je hun bestaan haast nergens meer uit kunt afleiden. De afschaffing van het hoofdgeld in 1797 leidde tot een verdere verschraling van de informatie. Hoedat ook zij, de speciekohieren vormen voor de periode 1748-1805 een rijke bron van informatie en gelden voor bijna de gehele bevolking. armenhuis of armenkamer; eigendom van de kerkvoogdij of armvoogdij; veelal aangewend om gealimenteerden te huisvesten. bezit geen L 600 voluit: verklaart (onder ede) geen L 600 te bezitten; wenst voor half hoofdgeld te worden aangeslagen. br, in deze database gebruikte afkorting voor ?broek-, moer- en heidlanden?; de laagste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai. diaconiehuis of diaconiekamer; eigendom van de diaconie; zie ook armenhuis. eigenaar de eigenaar was de helft van het schoorsteengeld verschuldigd; hij komt eigenlijk alleen in beeld wanneer de huurder gealimenteerd. wordt of wanneer het pand leeg staat zonder dat de schoorsteen buiten gebruik gesteld is. exemptie, onder-vrijgesteld van half hoofdgeld (1795-1797). gealimenteerden bedeelden; ?genieten? onderhoud, zijn vrijgesteld van belastingen. gezaai akkerbouwland, gemeten in pondematen (elders ook wel in lopenstal). hoofden personen die (heel of half) hoofdgeld verschuldigd zijn. hoofdgeld belasting van L 3 per persoon per jaar, zie toelichting in de tekst. hoorngeld belasting op koeien van drie jaar en ouder. hq in deze database gebruikte afkorting voor ?hoog quartier?, de hoogste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai. impositien of imposten; synoniem voor belastingen; vgl. middelen. inwonend iemand zonder eigen huishouding, betaalt alleen hoofdgeld. kamer gedeelte van een huis, kan uit meer dan een vertrek bestaan. koud steed plaats waar niet eerder een huis stond. L (libra, pond) symbool voor de caroligulden van 20 stuivers. lq, in deze database gebruikte afkorting voor ?laag quartier?; de middelste tariefgroep voor hoorngeld en gezaai. middelen synoniem voor belastingen; vgl. impositien. nevenbewoner iemand in hetzelfde huis als de hoofdbewoner, heeft een eigen huishouding, betaalt hoofd- en schoorsteengeld. opzichter of chercher; inspecteur voor allerlei belastingen en accijnzen, laag in de hierarchie; woonde meest in een ?ambtswoning?. pondemaat oppervlakte van 240 vierkante roeden, is 0,3674 ha. rier vaars, jonge koe (nog geen drie jaar oud). schip, woont in het ook wel: ?vaart in de schuite?, is vrijgesteld van schoorsteengeld. vrijgezel iemand zonder eigen huishouding; kan eerder gehuwd zijn geweest. vrijgezellen als werkwoord: bij iemand in de kost gaan (of zijn)