genealogieonline

Stamboom Overmars » Gwijde van DAMPIERRE

Persoonlijke gegevens Gwijde van DAMPIERRE Mannelijk

Bron 1

Gezin van Gwijde van DAMPIERRE

Hij is getrouwd met Isabella van LUXEMBURG

Kind(eren):

  1. Margaretha van Dampierre  1272-1331 Tree 7
  2. Filippina van DAMPIERRE  ????-
  3. Jan van NAMEN  ????-
  4. Isabella van DAMPIERRE  ????-
  5. Beatrix van DAMPIERRE  ????-
  6. Johanna van DAMPIERRE  ????-
  7. Gwijde van DAMPIERRE  ????-
  8. Hendrik van DAMPIERRE  ????-


Notities bij Gwijde van DAMPIERRE

Gwijde van Dampierre (?, ca. 1226 - Compiègne, 7 maart 1305) was graaf van Vlaanderen van 1278 tot 1305 en markgraaf van Namen van 1263 tot 1298.

Gwijde was de tweede zoon van Willem II van Dampierre en Margaretha van Constantinopel. Na de dood van zijn oudere broer Willem III van Dampierre, die werd vertrapt door paarden tijdens een toernooi in 1251 in Trazegnies, werd hij de erfopvolger van het graafschap Vlaanderen. In het huis Dampierre is hij gekend als Guido (III) de Dampierre. Door zijn huwelijk met Mathilda van Béthune (ook Machteldvan Béthune en Dendermonde genoemd) in 1246 had hij reeds de heerlijkheden Béthune en Dendermonde verworven.

Kinderen
Robrecht III van Béthune (1249- 17 september 1322)
Willem van Dendermonde, ook Willem Crèvecoeur genoemd (1248 of 1249-1311)
Jan van Vlaanderen (omstreeks 1250-14 oktober 1291), bisschop van Metz van 1280 tot 1282, prinsbisschop van Luik van 1282 tot 1291
Margaretha van Dampierre (omstreeks 1251-3 juli 1283), huwde in augustus 1273 met hertog Jan I van Brabant.
Boudewijn (rond 1252-1296)
Maria (omstreeks 1253-1297), huwde Willem V van Gulik, in 1266. Na zijn dood, op 17 maart 1278 huwde ze in 1281 met Simon van Château-Villain. Twee zoons uit haar huwelijk met Willem hadden dezelfde voornaam als hun vader en zouden hun leven geven in de strijd tussen Vlaanderen en Frankrijk. Willem van Gulik de Oudere stierf in de Slag bij Bulskamp (1297), zijn jongere broer Willem van Gulik de Jongere, sneuvelde in 1304 in de Slag bij Pevelenberg.
Beatrijs van Vlaanderen, (omstreeks 1253-23 maart 1296), huwde met Floris V van Holland in het jaar 1269.
Filips van Chieti (omstreeks 1257-november 1308), huwde in 1284 met Mathilda van Courtenay, gravin van Chieti. Na haar dood in 1301 huwde hij met Filippa van Milly
Na de dood van zijn vrouw Mathilda (1263) hertrouwde hij in 1265 met Isabella van Luxemburg en verwierf hierdoor het graafschap Namen. Isabella schonk hem elf kinderen, onder meer:

Filippina van Vlaanderen (??? - 1306), die met de Engelse troonopvolger Eduard II zou huwen maar samen met haar vader door koning Filips IV van Frankrijk werd gevangen genomen en hoogstwaarschijnlijk in gevangenschap stierf.
Jan I van Namen (1267-1330)
Isabella (1275-1323), in 1307 gehuwd met heer Jan I van Fiennes
Beatrix (1272-1307), gehuwd met Hugo II van Châtillon, graaf van Blois-Dunois
Johanna (-1296), non
Margaretha (1272-1331), die in 1282 huwde met Alexander (1263-1283), erfprins van Schotland en in 1286 met Reinoud I van Gelre (1255-1326)
Gwijde van Namen (1272-1311), heer van Ronse
Hendrik van Lodi (1270-1337), die in 1309 huwde met Margaretha, dochter van graaf Diederik VIII van Kleef.

Vlaams-Henegouwse Successieoorlog
In de Vlaams-Henegouwse Successieoorlog met zijn halfbroers Jan en Boudewijn van Avesnes leed hij een nederlaag bij de Slag bij Westkapelle op Walcheren (1253) waarbij hij verwondingen aan beide benenopliep en de rest van zijn leven hinkte. Als gevolg van dit verlies werd in de Vrede van Brussel het graafschap Zeeland toegeëigend door de graven van Holland, hoewel Gwijde van Dampierre dit zou blijven bevechten.

Kruistochten
Hij nam in 1270, aan de zijde van de Franse koning Lodewijk IX, deel aan de Achtste Kruistocht naar Tunis. Gwijde van Namen, een zoon uit zijn tweede huwelijk, zou een belangrijke rol spelen in de Guldensporenslag.

Gwijde als graaf
Op 29 december 1278 deed zijn moeder Margaretha van Constantinopel in zijn voordeel afstand van het graafschap Vlaanderen, waarvan hij tot dan mederegent was. Gwijde was toen al 53 jaar oud.

Het grafelijk bestuur stond niet hoog aangeschreven bij de Vlamingen. Dat was te wijten aan de langdurige afwezigheid van Ferrand van Portugal die jarenlang in Frankrijk in gevangenschap verbleef, hetonzekere bestuur van zijn echtgenote Johanna van Constantinopel en de jarenlange vete tussen het huis Dampierre en het huis van Avesnes. De Vlaamse steden (Gent, Ieper, Kortrijk) werden rijk dank zijde lakenindustrie. De graven moesten om hun hofhouding te bekostigen financieel steeds meer op hen beroep doen ten koste van grafelijke macht.

Bij de troonsbestijging van koning Filips IV de Schone in 1285, begonnen de moeilijkheden tussen Vlaanderen en Frankrijk. Gwijde van Dampierre zocht steun bij de Engelse koning Eduard I, zegde zijn feodale trouw aan de Franse koning op en sloot een militair verbond met Engeland (1297). De openlijke strijd tussen graaf Gwijde en koning Filips IV nam hierdoor een aanvang. Gwijde's dochter Filippina (zie hierboven) werd door de Franse koning gevangen gezet. Vlaanderen werd door de Franse koning bezet (januari ? mei 1300) en nadien zonder meer geannexeerd. Gwijde gaf zich met zijn oudste twee zonen, Robrecht III van Béthune en Willem van Crèvecoeur, gevangen. Deze gebeurtenissen waren mede oorzaak van de Brugse metten en de Guldensporenslag in 1302.

Gwijde van Dampierre overleed in gevangenschap te Compiègne. Hoewel hij liever naast zijn tweede echtgenote Isabella van Luxemburg in de abdij van Beaulieu was begraven, werd hij door zijn kinderen begraven in de abdij van Flines. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Robrecht III van Béthune.

Foto: Het ruiterzegel van graaf Gwijde van Dampierre van Vlaanderen, rond 1280
---------------------------------------------------------------
PERSMEDEDELING – MUSEUM KORTRIJK 1302 – 8 februari 2008

Een wapenschildje aan het paard van Gwijde van Namen.
Tot nu toe bezat het museum Kortrijk 1302 geen enkel authentiek stuk waarvan met stellige zekerheid kon worden beweerd dat het
toebehoord heeft aan één van de strijders die het tegen elkaar opnamen op 11 juli 1302. Het gulden spoor is pas in 1933 aangekocht en het is ons niet bekend waar het precies gevonden is, noch wie het ooit gedragen heeft. Er zijn munten van koning Filips IV de Schone, graaf Gwijde van Dampierre en Robrecht van
Bethune, maar zij streden niet mee op de Groeningekouter. De stadsrekeningen van Brugge vermelden veel deelnemers, maar dat
waren officiële documenten, niet in privé-bezit.
Daar komt nu verandering in. Een uitzonderlijke aankoop wordt op vrijdag 8 februari 2008 aan de collectie eertiende
-eeuwse vondsten in het museum toegevoegd. Het gaat om een paardenhangertje van Gwijde van Namen. Dit is een persoonlijk wapenschildje dat deel uitmaakte van de uitrusting van zijn paard.
Een Nederlandse amateur-archeoloog wist het metalen voorwerp op te diepen uit een hoop afgegraven aarde, afkomstig van de
Grote Markt van Sluis. Ooit lag daar een middeleeuwse sloot, die met zekerheid gedateerd kon worden. Het merkwaardige stukje is nu te zien in het museum Kortrijk 1302.

Wie was Gwijde van Namen?
Deze man was niet zomaar de eerste de beste deelnemer aan de Guldensporenslag. Hij voerde de Vlaamse troepen aan samen met zijn neef Willem van Gulik en hun Zeeuwse bondgenoot Jan van Renesse. Zijn vader was de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, op het moment van de Guldensporenslag de gevangene van de Franse koning Filips IV de Schone. De graaf stapte in 1265 voor de tweede maal in het huwelijk en uit die verbintenis was Gwijde van Namen als tweede zoon geboren omstreeks 1275. Zijn oudere broer heette Jan van Namen.
Gwijde van Namen mag beschouwd worden als het prototype van de jongere prins uit een adellijk geslacht die, uitgesloten van de erfopvolging ten gevolge van het eerste geboorterecht, zich gedwongen zagom elders carrière te maken. Hij was een zeer bekwaam militair die tenslotte ook bij een belegering
de dood vond. Zijn vader had hem nochtans niet slecht behandeld. In Vlaanderen kreeg hij van hem enkele gebieden rond Nieuwpoort, Ronse en Petegem. Maar, na de aanhechting van het graafschap door de Franse koning in 1300 raakte hij die natuurlijk kwijt. Ten tijde van de Guldensporenslag was hij bijna dertig jaar oud.

Wat was er voordien gebeurd? Als tweede zoon zonder uitzicht op een erfenis moest Gwijde zelf een graafschap of ander gebied zien te veroveren. Daartoe deed zich een kans voor in 1291, toen hij zich verloofde met Maria van Mortagne, erfgename van de gelijknamige kasselrij in Noord-Frankrijk. Als heer
van Mortagne zou Gwijde een prestigieuze positie kunnen verwerven in Vlaanderen. Bovendien had de burcht van Mortagne een zeer strategische ligging aan de samenvloeiing van de Schelde en de Scarpe.

Maar koning Filips IV de Schone tekende verzet aan tegen de verloving, die uiteindelijk in 1295 verbroken werd. Gwijde bleef intussen noodgedwongen vrijgezel. Hij kreeg in 1298 in Gent de ridderslag toegediend van de Engelse koning Edward I.
Na de feodale breuk tussen zijn vader en koning Filips IV in 1297 zette Gwijde alles in het werk om Vlaanderen te verdedigen en vanuit Namen hadden hij en zijn broer een uitstekende uitvalsbasis. Hij sloot zich aan bij de Brugse opstandelingen in mei 1302 en na de Brugse Metten trok hij op pad om het
graafschap te heroveren op de Fransen.
Daarbij slaagde hij erin het kasteel van Wijnendale te ontzetten en de Fransen te verjagen. De belegering duurde volgens kroniekschrijver Lodewijk van Velthem drie weken. Uiteindelijk gaven de leliaards zich over en smeekten ze om genade. Enkel de schout van Torhout, aanvoerder en fervent
medestander van Filips de Schone, werd ter plekke doodgeslagen. Toen de mannen van Ieper over deze gebeurtenis hoorden, zetten ze de poorten van hun stad open en sloten zich aan bij de Vlaamse opstandelingen. Daarop trokken de troepen naar Kortrijk, waar Gwijde de versterkte burcht belegerde die in handen was van de Fransen. Hij liet ook Willem van Gulik met zijn mannen naar Kortrijk afzakken.
Samen wachtten ze de komst af van Robrecht van Artois en het grote Franse leger.

Wat deed Gwijde van Namen in Kortrijk?
Voor de aanvang van het gevecht maande Gwijde van Namen de Vlamingen aan om niet bang te zijn. ‘Zet u schrap! De zon wordt bedekt door een wolk, zodat we daar geen last van zullen hebben. Zolang jullie maar stand houden en fel om je heen slaan, kunnen we winnen. Edele Vlamingen, de vijanden
zullen op ons afstormen in een vreselijke golf. Blijf stevig op uw voeten staan! God zal ons helpen en bijstaan.’ Zo sprak hij zijn manschappen moed in. Hij wist zich in de rug gesteund door de reservetroepen van Jan van Renesse, maar moest met zijn mannen de eerste Franse aanvalsgolf trotseren.
Samen met Willem van Gulik sloeg Gwijde van Namen voor de aanvang van de gevechten enkele moedige Vlamingen tot ridder, ongeacht hun afkomst. Pieter de Coninc en zijn twee zonen behoorden tot de gegadigden. Het gaf de Vlamingen nog meer moed en overtuiging om zich van hun dapperste
kant te tonen.
Dan volgde nog een belangrijk moment voor de strijd. Tot nu toe hadden Willem van Gulik en Gwijde van Namen hun mannen te paard toegesproken en aangemoedigd. Maar met de vijand in zicht stapten ze af van hun rijdier en lieten – nadat ze nog eens Gods hulp hadden afgesmeekt – hun sterke en mooie paarden wegbrengen. Daarna gingen ze te voet bij de andere manschappen staan, gewapend
met een goedendag. Zo maakten ze iedereen ook duidelijk dat ze niet van plan waren om te vluchten. Als gebaar kon dit tellen. Iedere middeleeuwer wist dat een gepantserde ruiter gemakkelijk tien man voetvolk kon verslaan. En toch stelde de zoon van de graaf zich zo kwetsbaar op.
Op het slagveld nam hij de leiding over de linkerflank van het Vlaamse leger, de kant die dichtst bij de Leie en bij het klooster van Groeninge aansloot. Daar lag ook de Groeninge-beek. Lodewijk van Velthem weerlegt nadrukkelijk dat de Fransen zich door die beek lieten verrassen. Integendeel. Ze
waren in slagorde het water overgestoken, maar omdat ze even later achteruitdeinsden onder de wapens van de Vlamingen, vielen ze in de gracht en verdronken ze.
Tijdens de strijd stond Boudewijn van Popperode, burggraaf van Aalst, dicht bij Gwijde van Namen opgesteld. Eén van hun tegenstanders was Jan zonder Genade, de oudste zoon van Jan van Avesnes,
graaf van Henegouwen en Holland. Hij was Gwijdes persoonlijke tegenstrever in het graafschap Zeeland. Verder trof hij ook Jan van Vierzon aan onder zijn tegenstanders. Deze burggraaf van Doornik, zoonvan Godevaart van Brabant, was gehuwd met de ex-verloofde van Gwijde, Maria van Mortagne.
Jan van Vierzon sneuvelde in Kortrijk.
Een hachelijk moment deed zich voor toen de Franse aanvoerder Robert van Artois met groot geweld aanstormde en de vaandelstok van Gwijde te pakken kreeg. Maar nadien werd de graaf van Artois omringd door talrijke vijanden en meedogenloos gedood.

Nog later, toen de Fransen aan het verliezen waren, zouden volgens Lodewijk van Velthem een aantal edelen uit Brabant van kamp hebben willen wisselen en scandeerden ze ook ‘Vlaanderen de Leeuw’.
Gwijde van Namen doorzag dit snel en riep: ‘Sla ze allemaal dood! Al wie sporen draagt, is vervloekt!’. Aan hun sporen waren alle ruiters inderdaad duidelijk te herkennen en in het kamp van de Fransente plaatsen.
Na de overwinning brachten de Vlaamse aanvoerders samen met hun manschappen de nacht door op de Groeningekouter.

Wat was zijn connectie met Sluis?
In 1296 had Gwijde van Namen van zijn vader de rechten op een deel van Zeeland geërfd, maar dat stelde in de praktijk niet veel voor omdat de graven van Holland die tot zich trokken. Holland was verbonden met Henegouwen en stond volledig aan de kant van de Franse koning. Na de overwinning bij Kortrijk bond Gwijde van Namen eerst de strijd aan tegen Henegouwen. Hij behaalde een overwinning bij Lessen. Een volgende expeditie richtte zich tegen de Hollanders in
Zeeland. Ridder Jan van Renesse deed er ook aan mee. Ze slaagden er samen in heel wat gebied te veroveren, maar het strategisch gelegen stadje Zierikzee bood felle weerstand. Uiteindelijk kregen ze inde zeeslag bij Zierikzee op 11 augustus 1304 een nederlaag te verduren. Deze slag moet erg spectaculair geweest zijn. Er kwamen veel manschappen en oorlogstuig en ook een vloot oorlogsschepen aan te pas. Een oorlogsschip of kogge in die tijd was zo’n dertig meter lang en zeven meter breed en telde een 80-tal bemanningsleden. Gwijde beschikte over een 30-tal koggen. Op elk schip was een ‘kasteel’ gebouwd van waaruit boogschutters opereerden en waar tuigen opgesteld
stonden om stenen mee te gooien. Men koppelde de schepen aan elkaar tot een langgerekte, sterke vesting op het water. Kleinere bootjes circuleerden af en aan om manschappen, proviand of wapens
aan te brengen. De slag begon op 10 augustus rond zes uur ’s avonds en duurde de hele nacht. ’s Ochtends bleek de Vlaamse slagorde verbroken en vele manschappen vluchtten. Gwijde van Namen en zijn mannen vochten tot het uiterste maar belandden in Franse gevangenschap. Hun avontuur in
Zeeland was afgelopen.
Zowel hijzelf als zijn broer Jan van Namen hadden veelvuldig Sluis bezocht. In 1305 werd Jan van Namen trouwens heer van Sluis. Is het paardenhangertje dan niet van Jan van Namen? Neen, want die voerde in zijn gelijkaardig schild geen uitgeschulpte maar een rechte schuinstaak van keel.

En hoe liep het dan nog af?
Gwijde van Namen kwam vrij in 1305 naar aanleiding van de Vrede van Athis-sur-Orge tussen Vlaanderen en Frankrijk. Zijn halfbroer Robrecht van Bethune werd de nieuwe Vlaamse graaf . In 1310 sloot Robrecht vrede met Willem van Avesnes van Henegouwen en dat bracht met zich mee dat de Vlamingen verder niets meer te zoeken hadden in Zeeland, dus Gwijde van Namen was daar niet meer welkom. Geen nood. Een man met zoveel militair talent was overal inzetbaar. Hij nam in 1310 nog deel aan een tornooi in Bergen. Gwijde werd verder veldheer in het leger van zijn oom aan moeders zijde, de
Rooms-Duitse keizer Hendrik VII van Luxemburg. Hij trok samen met zijn jongere broer Hendrik van Lodi naar Italië en maakte daar de belegering mee van Brescia. In oktober 1311 stierf hij in Pavia aan
een ziekte die hij in het legerkamp had opgelopen. Zo kwam een échte Vlaamse Liebaart in Italië aan zijn einde. Hij was amper 40 jaar oud.

Hoe ziet de nieuwe aanwinst eruit?
Het geelkoperen hangertje bestaat uit een wapenschild van 27 mm hoog en 22 mm breed en heeft bovenaan een ronde hechting met een scharnier van samen nog eens 20 mm hoog. Op het schild is duidelijk eenzwarte klimmende leeuw (naar links) te zien en de resten van een rode uitgeschulpte schuinbalk er overheen, van linksboven tot rechtsmidden.
Er bestaat geen twijfel over de drager van dit wapenschild: dat was zeker Gwijde van Namen.

Zijn wapenschild is overgeleverd op een tegenzegel aan een document uit 1307, bewaard in Rijsel.
Daarop is duidelijk de klimmende leeuw te zien, met een uitgeschulpte schuinstaak er overheen. In het
zegel staat de naam van de eigenaar: GVIDONIS DE […..]. Een tijdgenoot beschreef het als: ‘den swarte lewe in de baniere ghetandeert den stoc’. In een afschrift van een manuscript uit 1310 staat verder dat deze schuinstaak rood of ‘van keel’ was: ‘à la bande engreslée de gueules’.
Er zijn bij deze leeuw geen rode klauwen noch een rode tong te bespeuren. Voor 1300 kwam de term ‘getongd’ nog niet voor in de heraldische vaktaal. Pas een halve eeuw later begon men aan de klauwen ende tong van de Vlaamse leeuw enig belang te hechten. De staart van de leeuw krult naar binnen en
toont een typische verdikking, typisch voor die periode. Een paardenharnaspendantje versierde het paardentuig van een rijpaard.

Epiloog
Wat gebeurde er nog met Maria van Mortagne, de ex-verloofde van Gwijde van Namen? Haar man Jan van Brabant, heer van Vierzon, sneuvelde op 11 juli 1302 in de Guldensporenslag. Zes jaar later dook
een oplichter op die zich uitgaf als Jan van Vierzon en in deze stelling de steun kreeg van Filips de Schone. Maria kon niet anders dan deze valse man als echtgenoot erkennen. Toen het bedrog toch uitkwam, kreeg de arme vrouw de schuld toegeschoven voor de onverkwikkelijke situatie. Haar erfgenamen droegen de controle over Mortagne aan de Franse koning over. Zo voorkwamen ze alle
verdere onheil.

Tekst:
Greet Verschatse, stafmedewerker museum Kortrijk 1302
Bibliografie:
Joris DE SUTTER. Een paardenharnaspendant van Gwijde van Namen. In Handelingen van het
Genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming “Société d’Emulation” te Brugge. Jg. 139
(3-4), 2002, p. 226-233.
Jos KOLDEWEIJ. Geloof en geluk. Sieraad en devotie in middeleeuws Vlaanderen.
Tentoonstellingscatalogus Bruggemuseum – Gruuthuse 22 september 2006 tot 4 februari 2007.
Theo LUYKX. Het grafelijk geslacht Dampierre en zijn strijd tegen Filips de Schone. Leuven, 1952.
Ludo JONGEN en Miriam PITERS. Ghi Fransoyse sijt hier onteert. De Guldensporenslag door Lodewijk
van Velthem. Kritische editie. Leuven, 2002.
Bert DEWILDE, Aimé PAUWELS, Jan Frans VERBRUGGEN en Ernest WARLOP. De kist van Oxford.
In De Leiegouw. Jg. XXII (2-3), juli 1980, p. 163-256.
Paul TRIO, Dirk HEIRBAUT en Dirk VAN DEN AUWEELE. Omtrent 1302. Leuven, 2002.
Jan Frans VERBRUGGEN. Vlaanderen na de Guldensporenslag. Uitgave West-Vlaamse Gidsenkring.
Brugge, 1991.

Gwijde van Dampierre werd in 1305 opgevolgd door de oudste zoon van Gwijde van Dampierre: Robrecht lll van Béthune, bijgenaamd De Leeuw van Vlaanderen

---------------------------------------------------------------
Gwijde van Dampierre ca. 1226-1305

Heer van Dampierre
Periode 1246 - 1251
Voorganger: Willem III
Opvolger: Jan I

Graaf van Vlaanderen
Graaf van Zeeland (tot 1299)
Periode 1278 - 1305
Voorganger: Margaretha II
Opvolger: Robrecht III

Markgraaf van Namen
Periode 1263 - 1298
+ Isabella
Voorganger: Hendrik III
Opvolger: Jan I

Vader: Willem II van Dampierre
Moeder: Margaretha II van Constantinopel

Gwijde van Dampierre (?, ca. 1226 - Compiègne, 7 maart 1305) was graaf van Vlaanderen van 1278 tot 1305 en markgraaf van Namen van 1263 tot 1298.

Gwijde was de tweede zoon van Willem II van Dampierre en Margaretha van Constantinopel. Na de dood van zijn oudere broer Willem III van Dampierre, die werd vertrapt door paarden tijdens een toernooi in 1251 in Trazegnies, werd hij de erfopvolger van het graafschap Vlaanderen. In het huis Dampierre is hij gekend als Guido (III) de Dampierre. Door zijn huwelijk met Mathilda van Béthune (ook Machteldvan Béthune en Dendermonde genoemd) in 1246 had hij reeds de heerlijkheden Béthune en Dendermonde verworven.

Kinderen:
Robrecht III van Béthune (1249- 17 september 1322)
Willem van Dendermonde, ook Willem Crèvecoeur genoemd (1248 of 1249-1311)
Jan van Vlaanderen (omstreeks 1250-14 oktober 1291), bisschop van Metz van 1280 tot 1282, prinsbisschop van Luik van 1282 tot 1291
Margaretha van Dampierre (omstreeks 1251-3 juli 1283), huwde in augustus 1273 met hertog Jan I van Brabant.
Boudewijn (rond 1252-1296)
Maria (omstreeks 1253-1297), huwde Willem V van Gulik, in 1266. Na zijn dood, op 17 maart 1278 huwde ze in 1281 met Simon van Château-Villain. Twee zoons uit haar huwelijk met Willem hadden dezelfde voornaam als hun vader en zouden hun leven geven in de strijd tussen Vlaanderen en Frankrijk. Willem van Gulik de Oudere stierf in de Slag bij Bulskamp (1297), zijn jongere broer Willem van Gulik de Jongere, sneuvelde in 1304 in de Slag bij Pevelenberg.
Beatrijs van Vlaanderen, (omstreeks 1253-23 maart 1296), huwde met Floris V van Holland in het jaar 1269.
Filips van Chieti (omstreeks 1257-november 1308), huwde in 1284 met Mathilda van Courtenay, gravin van Chieti. Na haar dood in 1301 huwde hij met Filippa van Milly
Na de dood van zijn vrouw Mathilda (1263) hertrouwde hij in 1265 met Isabella van Luxemburg en verwierf hierdoor het graafschap Namen. Isabella schonk hem elf kinderen, onder meer:

Filippina van Vlaanderen (??? - 1306), die met de Engelse troonopvolger Eduard II zou huwen maar samen met haar vader door koning Filips IV van Frankrijk werd gevangen genomen en hoogstwaarschijnlijk in gevangenschap stierf.
Jan I van Namen (1267-1330)
Isabella (1275-1323), in 1307 gehuwd met heer Jan I van Fiennes
Beatrix (1272-1307), gehuwd met Hugo II van Châtillon, graaf van Blois-Dunois
Johanna (-1296), non
Margaretha (1272-1331), die in 1282 huwde met Alexander (1263-1283), erfprins van Schotland en in 1286 met Reinoud I van Gelre (1255-1326)
Gwijde van Namen (1272-1311), heer van Ronse
Hendrik van Lodi (1270-1337), die in 1309 huwde met Margaretha, dochter van graaf Diederik VIII van Kleef.

Vlaams-Henegouwse Successieoorlog.
In de Vlaams-Henegouwse Successieoorlog met zijn halfbroers Jan en Boudewijn van Avesnes leed hij een nederlaag bij de Slag bij Westkapelle op Walcheren (1253) waarbij hij verwondingen aan beide benenopliep en de rest van zijn leven hinkte. Als gevolg van dit verlies werd in de Vrede van Brussel het graafschap Zeeland toegeëigend door de graven van Holland, hoewel Gwijde van Dampierre dit zou blijven bevechten.

Kruistochten:
Hij nam in 1270, aan de zijde van de Franse koning Lodewijk IX, deel aan de Achtste Kruistocht naar Tunis. Gwijde van Namen, een zoon uit zijn tweede huwelijk, zou een belangrijke rol spelen in de Guldensporenslag.

Gwijde als graaf.
Op 29 december 1278 deed zijn moeder Margaretha van Constantinopel in zijn voordeel afstand van het graafschap Vlaanderen, waarvan hij tot dan mederegent was. Gwijde was toen al 53 jaar oud.

Het grafelijk bestuur stond niet hoog aangeschreven bij de Vlamingen. Dat was te wijten aan de langdurige afwezigheid van Ferrand van Portugal die jarenlang in Frankrijk in gevangenschap verbleef, hetonzekere bestuur van zijn echtgenote Johanna van Constantinopel en de jarenlange vete tussen het huis Dampierre en het huis van Avesnes. De Vlaamse steden (Gent, Ieper, Kortrijk) werden rijk dank zijde lakenindustrie. De graven moesten om hun hofhouding te bekostigen financieel steeds meer op hen beroep doen ten koste van grafelijke macht.

Bij de troonsbestijging van koning Filips IV de Schone in 1285, begonnen de moeilijkheden tussen Vlaanderen en Frankrijk. Gwijde van Dampierre zocht steun bij de Engelse koning Eduard I, zegde zijn feodale trouw aan de Franse koning op en sloot een militair verbond met Engeland (1297). De openlijke strijd tussen graaf Gwijde en koning Filips IV nam hierdoor een aanvang. Gwijde's dochter Filippina (zie hierboven) werd door de Franse koning gevangen gezet. Vlaanderen werd door de Franse koning bezet (januari ? mei 1300) en nadien zonder meer geannexeerd. Gwijde gaf zich met zijn oudste twee zonen, Robrecht III van Béthune en Willem van Crèvecoeur, gevangen. Deze gebeurtenissen waren mede oorzaak van de Brugse metten en de Guldensporenslag in 1302.

Gwijde van Dampierre overleed in gevangenschap te Compiègne. Hoewel hij liever naast zijn tweede echtgenote Isabella van Luxemburg in de abdij van Beaulieu was begraven, werd hij door zijn kinderen begraven in de abdij van Flines. Hij werd in Vlaanderen opgevolgd door zijn zoon Robrecht III van Béthune.


Bronnen

  1. STEENHOEK "Een verbindend element", R.A. Steenhoek, Gwijde van DAMPIERRE, 2 maart 2011
    Toegevoegd door een Smart Match te bevestigen
    Stamboom op MyHeritage.com
    Familiesite: STEENHOEK "Een verbindend element"
    Stamboom: Steenhoek Prive 4

Over de familienaam Van DAMPIERRE


    ?


De publicatie Stamboom Overmars is samengesteld door (neem contact op).