(Aeltze)
(van Roorda)
(na 1418)
Kind(eren):
Roorda, van Genum
men gelooft vrij algemeen, dat ook deze: Roordaas uit die met de halve maan zijn gesproten, maar weet ze niet aan hen te schakelen. De reden, waarom die van Genum hun Wapen hebben veranderd, in: Bbk niet vermeld, zullen wij, met de enige woorden van: v.A.v.C., schoon in speling eenigermate veranderd, uit zijn: Stamboek opgeven. Hij zegt: "De oorzaak van deze verandering is deze: 't is gebeurd, ten tijde dat vele onderscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in het H. Land waren getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of Turken te verlossen, dat onder andere verscheidene Edelingen uit Friesland, ook die van het Geslacht: Roorda niet de minsten aldaar zijn geweest; onder welke, zoo het gebeurde, tuschen die beide legers van de Christenen en Saracenen, dat daar een uitnemende groot, stout, en valiant, Prins der Mooren, uit des Saraceenschen heers, vóór het Christenleger zeer hoogmoedig ging bravieren, uitdagende aldaar een van de valiantste Ridders der Christenen, om met hem eenen kampslag te slaan, zoo heeft daar terstond een stoutmoedige, edel, Fries van den Geslachte van: Roorda orlof van zijn Prins begeerd, om met dezen Moor een kampslag te doen; 'twelk hem gekonsenteerd zijnde, is hij, in het aanzien van beide Legers, tegen dezen Moor in het veld getreden en heeft aldaar zolk een forsigheid met feiten van wapens bedreven, dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neér gehouwen ende onthoofd, 'tzelve ook, tot een teken van viktorie, op het punt van zijn geweer naar het Christenleger triomfantelijk gebrocht, alwaar hij bij alle die Prinsen, Heeren, ende Ridderen, zeer loffelijk, van zijne stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen ende eerlijk is ontfangen. Is ook hem en zijne Nakomelingen, tot een teicken ende memorie van zoo trouwe daden, een moriaanshoofd in zijn Schild ende Wapens vereerd, gelijk het Geslacht nog tegenwoordig voert, benevens zeer loffelijke brieven van attestatie, met Prinsen ende Heeren zegels bevestigd."
Gewis echter handelt men verkeerd met dat hoofd zodanig af te beelden, als of de oogen door eenen doek bedekt waren, en is die zogenaamde doek alleen de rand of omslag van eene muts of zoogenoemden tulband, waarmede de kruin gedekt is.
U.v.B. zegt voorts, dat er te zijnen tijde eenigen waren, die, als van het dorp Genum oorspronkelijk, zich den naam van: Roordama aanmatigden, of beweerden, dat die hun toekwam, hoewel zij uit anderen Familiën gesproten waren, en ook andere Wapens voerden, en dat zij het daarom van belang had geacht, ook de Genealogie van dezen tak der: Roordaas op te geven, voor zooverre hij zich daartoe in staat bevond, ten einde niet onderscheidene Familiën met elkander zouden worden verward, en verschillende Geslachten voor een en het zelfde gehouden. hij haalt die echter niet zo hoog op als: v.A.v.C. en het HS. Doys, maar begint haar met den eersten Sijds, wij zullen: v.A.v.C. en Doys volgen, en alzoo tot Stamvader nemen: Altje, of, gelijk men later gezegd heeft: Aeltze Roorda, die, in 1390, te Genum, op Roorda, bij ouds Rouwerdastate genaamd, leefde, een Oom had, die Wilco heette, en, bij N.N. (onder anderen) verwekte: Minne Roorda en Sijds Roorda.
Bron: Stamboek van den Frieschen adel
Vermoedelijk dezelfde als Aylko van Roorda,genoemd te Genum,in OFO IV-1,5,6,7 d.d. 26/7/1397,2/2/1418,14/4/1418 en 11/6/1418.Bovendien is in OFO IV-35 d.d.6-4-1470 sprake van Wybren zalige Syds Roorda zoon en de "zalige Althia Roerda van Ghenem."
Aylko verder genoemd in OFO I-25,30 d.d.25-1-1418 en 11-6-1418
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.