Kind(eren):
GRONINGEN (heer Egbert van) (2), tweede zoon van den eersten Egbert (hiervoor), volgde dezen op in de praefectuur, dus omstreeks 1240, ten minste in een derde gedeelte van de daaruit voortvloeiende rechten. Ook hij had een levendig aandeel aan de langdurige veeten tusschen de Gelkingen en zijne familie, benevens in die in de naburige friesche gewesten en Drente. Zijn kasteel Gronengburg aan de Hunze (bij Euvelgunne) werd 1242 verwoest, evenals de stad Groningen, herhaaldelijk belegerd, veroverd en weder heroverd, waarbij de versterkte kerken, kloosters en stinsen een rol speelden, vooral 1251-55. Naast hem komt 1249 een tweede praefect van denzelfden naam, zijn broeder, voor, 1257 een Meneco, evenals hij dan ‘justiciarius’ genoemd. Als praefect komt hij nog 1285 voor, dan met zijn zoon Adolf; misschien leefde hij nog 1291, daar Adolf dan nog ‘domicellus’ heet.
Vgl. over hem: Kroniek
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.