Kind(eren):
Ook Alardus van Wesenhorst van Lohn
www.dorpshistorie.nl:
In 1107 verpacht Herman van Zutphen, abt van het klooster St Pantaleon in Keulen, de hof te Urk aan voogd Adelhardus van dat hof op de voorwaarde dat bij goed gedrag de pacht wordt omgezet in erfpacht. Adelhardus was kennelijk nog jong en moest zich nog bewijzen.
Deze Hendrik van Zutphen verkrijgt in 1107, door een ruiling met koning Hendrik V, een graafschap in Frisia, later bekend geworden als het graafschap Urk en Emelweerd.
Dit graafschap moet een nieuw gevormd graafschap zijn zoals is af te leiden uit latere oorkonden. Een deel van de oude gouwen Sudergo en Isala, samen het laag gelegen gebied ten westen van Kampen en Vollenhove, tussen de Veluwe en Gaasterland en in het westen begrensd door het Vlie, de uitloop van een Rijnarm naar zee. Het centrum van dit gebied wordt gevormd door de keileembult van Urk. Door het gebied meanderen vele stromen en stroompjes die gevoed worden door de IJssel, de Overijsselse Vecht, het Steenwijker diep, De Kuinder of Tjonger en enkele kleinere riviertjes.
Het is niet toevallig dat in hetzelfde jaar 1107 de abt Herman van Zutphen de hof te Urk verpacht aan Adelhardus. Deze zal een familielid zijn. Niet alleen de grafelijke rechten, maar ook de rechten op goederen blijven zo in de familie. In 1107 was Adelhardus nog jong, waarschijnlijk net getrouwd en aan het begin van zijn loopbaan.
Toen Hendrik van Zutphen in 1118 kinderloos overleed, vielen de grafelijke rechten terug op zijn vader Otto, conform de leenovereenkomst. Maar vader Otto was in 1113 al overleden en dus komen de erfgenamen in actie. Die doen een beroep op het erfrecht. De enigen die dan in aanmerking komen zijn nog levende kinderen van Otto de Rijke van Zutphen. Dat waren in 1118 zoon Dirk uit het eerste huwelijk, bisschop van Münster, en dochter Ermgard uit het tweede huwelijk, die net een jaar ervoor gehuwd was met Gerard II de Lange van Gelre.
Er is, zoals gebruikelijk in die omstandigheden, familieberaad geweest. Daarbij zullen ook de nazaten van de broer van Otto II, Gerard I van Zutphen, graaf van Lohn, aanwezig zijn geweest. Gerard I is overleden omstreeks 1090. Zijn zoon Godschalk I omstreeks 1110 en bij zijn overlijden liet hij 4 nog jonge kinderen na. Gerhard II, Alardus, Winemarus en Godschalk, allen geboren tussen ongeveer 1090 en 1100. Gerhard II is zijn vader opgevolgd als graaf van Lohn en heer van Rees. Alardus en Winemarus staan beide vermeld als heer van Wesenhorst en Godschalk als heer van Varsseveld. Alardus was in 1107 net volwassen en er aan toe om op eigen benen te staan. Zeer waarschijnlijk is Alardus dezelfde persoon als Adelhardus die in 1107 de hof te Urk van Pantaleon in pacht kreeg en welke pacht bij goed gedrag zou worden omgezet in erfpacht.
Aanvullend bewijs vinden we in een interessante oorkonde uit 1145 waarin keizer Koenraad III de schenking bekrachtigd van de gouwen Oostergo en Westergo in Friesland aan de bisschop van Utrecht. Als getuigen zijn hierbij aanwezig Allardus van Wissenhurst en zijn broer Winemarus.
Elders:
Heer van Wesenthorst, van Varsseveld en van Heiden.
1145; "Allardus de Wissenhurst et frater Winemarus" zijn getuigen in een oorkonde waarin keizer Koenraad III de schenking bekrachtigd van de gouwen Westergo en Oostergo aan de kerk van Utrecht. Getuigen Hendrik graaf van Gelre, Godfried van Arnsberg en zijn broer graaf Herman, Dirk van Altena, Adelbert graaf van Novenich, Godfried prefect van Neurenberg, Rotbert graaf van Lurenburg, Godfried van Rijn en zijn broer Hugo, Gijsbert de zoon van advocaat Hugo, Gerard van Marten (Malsen?), Alard van Megen, Jordanus van Windesheim, Godfried van Wekene, Peregrinus van Campfeld, Litardus van Diepenheim, Alardus van Wisenhurst en zijn broer Werneboldus, Willem graaf van Goor, Rudolf de Wia, Otto van Malberg, Everhard Crichelman, Hendrik van Papenheim onze maarschalk, Hendrik Freso en zijn broer Wicher, Hendrik van Boningen, Arnold van Rodenburg, etc.
1155; Alardo de Wisenthurst; Winemar van Tideham; Dirk van Altena, Hugo Buter als vrije mannen getuigen met de dienstmannen Alberone, Diederik, Gerard, kastelein Otto, schulte Werner, maarschalk Gijsbert, cappellario Lubbert, Ulrik en Meinzone (Menso) in een oorkonde van bisschop Herman van Horne die de parochianen van Lopik bevestigd in het bezit van land voor de aanleg van een kanaal naar de Ijssel met sluis.
Mogelijk is deze Alardus dezelfde persoon als Adelhardus, voogd van de hof te Urk van St Pantaleon. In of omstreeks 1107/1108, als voogd van Pantaleon beleend met de hof te Urck, bezit van de abdij S Pantaleon te Keulen, vermeld in een oorkonde opgemaakt tussen 1082 en 1118. Daarin geeft abt Herman van Zutphen van het klooster S Pantaleon de hof te Urch in pacht aan de voogd van dat hof en bij goed gedrag zal hij als erfpachter worden aangesteld. In de oorkonde is vermeld dat hij bij goed gedrag het hofgoed in erfpacht zal krijgen. Dat zegt iets over zijn karakter. Hij was samen met zijn broer Winemar Heer van Wesenhorst en mogelijk gaf dat wat problemen en heeft men gezocht naar een functie op enige afstand waar hij zich zelfstandig kon ontplooien. De oplossing kwam in 1107 toen Hendrik van Zutphen, de zoon van Otto de Rijke van Zutphen die een broer was van Adelhardus mogelijke grootvader Gerard, het graafschap Urk en Emelweerd verkreeg. Het leengoed bij Urk van St Pantaleon verkeerde in neergaande lijn van exploitatie en Adelhardus kon hier zijn energie wel in kwijt. Ruim 50 jaar later krijgt een Hendrik de burcht Kuinre in leen.
[In februari 966: Keizer Otto I schenkt aan het klooster van St Pantaleon te Keulen: “het halve eiland Urk en al hetgeen zich bevindt tussen de overzijde van de rivier de Nakala tot aan Vunninga, met al zijn graslanden, weidegronden, visgronden, wateren en waterlopen, begaanbare en onbegaanbare wegen, roerende en onroerende zaken, nog te onderzoeken of reeds onderzocht en met alle wettige rechten die daartoe behoren, gelegen in het graafschap van graaf Egbert, waar weleer graaf Gardolf toezicht had.”
29 juni 968: Keizer Otto I geeft aan het nonnenklooster te Elten, gesticht door graaf Wichman, wat deze in beneficium bezat in territorium Urk, in de gouw Salon en in de graafschappen Naardinkland en Hamaland.
OSU 3033 (244bis) tussen 1082 en 1121) De abt van St. Pantaleon te Keulen (Herman van Zutfen) geeft de hof te Urk onder zekere voorwaarden (een vergoeding van vier en een halve mark zilver Keuls en de verplichting om de kameraar en twee dienaren onderdak te verlenen en de verplichting om hen te vervoeren naar Stavoren voor afdracht van de pachtsom en hen terug te brengen naar Nagelum) aan de voogd Adelhardus van dat hof in erfpacht uit. Zie ook: Fon Jelde; opstellen van D J Henstra over middeleeuws Frisia.
1118: Graaf Gerard van Gelre en zijn zoon Gerard zijn getuigen in een oorkonde waarbij keizer Hendrik V de kerk te Utrecht bevestigt in het bezit van een graafschap in Friesland.
(1118 is het sterfjaar van Hendrik van Zutphen (kinderloos) die de grafelijke rechten bezat van Urk en Emelweerd, welke rechten bij kinderloos overlijden zouden terugvallen op zijn vader; deze was echter al in 1113 overleden, zodat de grafelijke rechten vervielen aan de landsheer, de bisschop van Utrecht)
In 1118 verkrijgt bisschop Godebald van Utrecht het "SWECHUS" ( Oud hoogduits: swega = kudde en hûs = verblijfplaats, huis; in Schoonebeek Boo genoemd, waar zomers de herder met vee verbleef) te Kuinre met enkele hoeven en enig grasland. Vermoedelijk zijn die hoeven met land een oorspronkelijk landgoed, aangelegd volgens de richtlijnen van Karel de Grote, vermeld in zijn Capitulare de villis enz. Uit de goederenlijst van St Odulphus van 1132 blijkt dat Cunre al over een kapel beschikte en dat komt dan overeen met de bepalingen van het landgoederenbesluit dat elk landgoed over een kapel dient te beschikken. Swechhus wordt ook uitgelegd als Zwichthuis, een wijkplaats, in dit geval dan een uitwijkplaats voor het vee in de nacht, maar het kan dan ook een versterking zijn geweest waar men in geval van nood bescherming kan vinden.]
Kuinre is een strategisch gelegen plek waar door het leger van Karel Martel of zijn opvolgers zeker een versterking is aangelegd tijdens de pogingen om de Friezen en Saksen te onderwerpen. Het landgoed diende dan voor de voedselvoorziening van het leger en de decentrale hoven.
Aan wie het leengoed Kuinre in 1118 in leen is gegeven door de bisschop is niet vermeld, maar zeer zeker aan een lid van de familie Gelre/Zutphen, waarschijnlijk aan Hendrik van Wesenhorst, die zich daarna Hendrik van Cunre noemde. Deze Hendrik is een neef van Adelhardus, de pachter van het hof te Urk.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.