Hij is getrouwd met Sytske Halbes.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Het dorp Burum was in ieder geval reeds vóór 1711 in het bezit van een korenmolen. In dat jaar kochten Cornelis Jeens en zijn vrouw Sijtske Halbes hem voor 2900 Caroli guldens van Jan Elses Siccama uit Grijpskerk en Frans Toma uit Oldenhove, die in deze optraden als voogden over de minderjarige Claaske Pieters. Frederik Goverts had de molen bemaald, maar hij had het bedrijf in 1710 met zijn vrouw "fugitief" verlaten. De reden van zijn overhaast vertrek is ons helaas niet bekend. Hoe het ook zij, Cornelis Jeens werd op 7 februari 1711 met zijn vrouw eigenaar van de "voortreffelijke weit- ofte rogmolen," zoals in het proclamatieboek te lezen staat. Tevens kwam hij bij die gelegenheid in het bezit van de bij het bedrijf behorende bakkerij.
Hij stierf in 1720 en zijn weduwe zette de zaken voort tot hun zoon Halbe Corneles in 1766 die taak overnam. Hij deed zijn eigendom echter reeds een jaar later over aan Pijtter Jans en diens vrouw Froukje Teekkes. Het is merkwaardig, dat in de op deze koop betrekking hebbende akte het eerst de bakkerij wordt genoemd en de molen als "daarbij behorend". Corneles Jeens, die zich geen molenaar maar koopman noemde, sleet zijn dagen verder in Buitenpost.
Pijtter Jans deed bakkerij en molen op 26 december 1784 over aan Andries Bastiaan Bosch en diens echtgenote Aafke Willems Crijtzema voor de som van 4100 Caroli guldens. Kort na de koop trof het echtpaar een ramp, want de molen brandde geheel af. Volgens de inschrijvingen in het kohier van de reëelbelasting heeft die gebeurtenis in 1787 plaatsgevonden. In een rijmpje van de weduwe Fr. Dijk uit Burum zegt zij daarvan echter het volgende:
"In zeventienhonder tachtig en vijf
"verbrandde mij het ganse lijf,
"maar als Phoenix uit de as verrezen
"doe ik mijn werk als voor dezen."
Dichteres en kohier stemmen echter geheel overeen in het feit, dat de molen terstond na de brand weer werd opgebouwd.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.