Hij is getrouwd met Judith van West-Francië.
Zij zijn getrouwd op 13 december 862 te Auxerre.Bron 2
Kind(eren):
BAUDOUIN, son of [ODACRE [Audacer or Odoscer] & his wife ---] ([830/37]-Arras 879, bur Abbaye de Saint-Bertin near Saint-Omer[39]). The Genealogia Comitum Flandriæ Bertiniana, dated to the second decade of the 12th century, names "Balduinum Ferreum" as son of "Audacer"[40]. The Genealogia Comitum Flandriæ names "Balduinum Ferreum" as son of "Audacer"[41]. He is named as son of Audacer in the list of counts of Flanders recorded in the Cartulaire de Saint-Bertin, which records his year of death and place of burial[42]. His birth date range is estimated on the assumption that he was a young adult at the time of his marriage, which means that he must have been a child when his father died. He eloped with his future wife around Christmas 861. The Annales Blandinienses name "Baldwinum Ferreum filium Audacri" and "Balduvinus filius Audacri" when recording (respectively) his abduction of his wife in 862 and his death in 879[43]. He was granted the pagus Flandrensis in 863, and shortly after Ternois, Waas and the lay abbacy of St Peter of Gent[44], although the primary sources on which this is based have not yet been identified. He is known to history as BAUDOUIN I der Gute/Ferreus/der Eisenarme Count of Flanders, but it is improbable that he was referred to as such by contemporaries. An agreement dated 14 Jun 877 of Emperor Charles II "le Chauve", presumably written with his own death in mind, names " ex comitibus aut Tedericus, aut Balduinus, sive Chuonradus, seu Adalelmus" as those willing to support the emperor's son[45]. The Annales Blandinienses record the death in 879 of "Balduvinus, filius Audacri", specifying that he was buried at "Blandinie"[46]. According to legend, he built the church of St Donatien ("Sint Donaatskapittel") at Bruges.
m (Auxerre 13 Dec 862) as her third husband, JUDITH, widow firstly of ÆTHELWULF King of Wessex and secondly of ÆTHELBALD King of Wessex, daughter of CHARLES II le Chauve King of the West Franks [Carolingian] & his first wife Ermentrudis [d'Orléans] ([844]-after [870]). She is named as wife of Baudouin in the list of counts of Flanders recorded in the Cartulaire de Saint-Bertin, which also names her parents and her three sons[47]. She and her father are named by Roger of Hoveden when he records her marriage to King Æthelwulf[48]. Asser records that "Iuthittam, Karoli Francorum regis filiam" married "Æthelbald filius eius [=Æthelwulfo rege]" after the death of her first husband, commenting that it was "cum magna ab omnibus audientibus infamia"[49]. Roger of Hoveden also records this second marriage of Judith[50]. Flodoard names "Balduini comitis et Iudita Karoli regis filia, Edilvulfo regi Anglorum qui et Edelboldus in matrimonium"[51]. The Genealogica Arnulfi Comitis names (in order) "Iudith et Hildegardim, Hirmintrudim et Gislam" as the four daughters of "Karolus imperator ex Hyrmentrudi regina", specifying that Judith married "Balduinus comes"[52]. The Annales Bertiniani record that Judith returned to her father after the death of her second husband, lived at Senlis "sub tuitione paterna", and from there was abducted by "Balduinum comitem" with the consent of her brother Louis, her father consenting to the marriage the following year[53]. The Annales Elnonenses Minores record the marriage in 862 of "Balduinus, Odacri filius" and "Iudith, Caroli regis filiam"[54]. The preceding information is pulled together by the Genealogia Comitum Flandriæ which names "Iudith vidua Adelbaldi regis Anglorum, filia Karoli Calvi regis Francorum" as the wife of "Balduinum Ferreum"[55]. No information has been found in the primary sources so far consulted which throws light on the possible date of death of Judith, although it is unlikely that she died before about 870 at the earliest, assuming that she was the mother of all the children who are named below.
[39] Saint-Bertin, p. 11. Also included in Annales Vedastini 879, MGH SS II, p. 197.
[40] Genealogia Comitum Flandriæ Bertiniana, MGH SS IX, p. 305.
[41] Lamberti Genealogia Comitum Flandriæ 1, MGH SS IX, p. 309.
[42] Saint-Bertin, p. 11. Also included in Annales Vedastini 879, MGH SS II, p. 197.
[43] Annales Blandinienses 862 and 879, MGH SS V, p. 24.
[44] Nicholas (1992), p. 17.
[45] Karoli II Imp. Conventus Carisiacensis, MGH LL 1, p. 537.
[46] Annales Blandinienses 879, MGH SS V, p. 24.
[47] Saint-Bertin, p. 11.
[48] Stubbs, W. (ed.) (1868) Chronica, Magistri Rogeri de Houedene (London) ("Roger of Hoveden") I, p. 37.
[49] Asserii Gestis Ælfredi MGH SS XIII, p. 121.
[50] Roger of Hoveden I, p. 37.
[51] Flodoardus Remensis Historia Remensis Ecclesiæ III.12, MGH SS XXXVI, p. 218.
[52] Genealogiæ Comitum Flandriæ, Witgeri Genealogica Arnulfi Comitis MGH SS IX, p. 303.
[53] Annales Bertiniani auct Hincmari Remensis 862 and 863, MGH SS I, pp. 456 and 462.
[54] Annales Elnonenses Minores 862, MGH SS V, p. 19.
[55] Lamberti Genealogia Comitum Flandriæ 1, MGH SS IX, p. 309.
Bron: http://fmg.ac/Projects/MedLands/FLANDERS,%20HAINAUT.htm#BaudouinIdied879B
Boudewijn I (Laon?, ca. 840 - Abdij van Sint-Bertinus, Sint-Omaars, 2 januari 879), ook wel Boudewijn I met de IJzeren Arm genoemd, staat bekend als de eerste graaf van Vlaanderen.
Boudewijn is bekend als grondlegger en eerste graaf van het graafschap Vlaanderen. Hij schaakte op kerstmis 861 Judith van West-Francië, dochter van Karel de Kale. De 17-jarige Judith was al twee keer weduwe: zowel van koning Aethelwulf van Wessex en van diens zoon koning Aethelbald. Haar vader wilde haar natuurlijk een derde keer gunstig uithuwelijken, maar ze vluchtte met Boudewijn. Het stel werd daarbij geholpen door Judiths broer Lodewijk de Stamelaar, die steeds in conflict was met zijn vader. Ze vluchtten naar het noorden maar Karel stuurde brieven aan Rorik van Dorestad en bisschop Hunger van Utrecht dat zij de vluchtelingen geen onderdak mochten geven. Karel liet het paar door bisschoppen excommuniceren maar ze trokken naar Rome en bepleitten hun zaak bij paus Nicolaas I. Die maakte de excommunicatie ongedaan en verzoende Judith en Boudewijn met Karel. Op 13 december 863 volgde het officiële huwelijk te Auxerre. Karel was niet aanwezig bij het huwelijk.
Als onderdeel van de verzoening kreeg Boudewijn het bestuur over de pagus Flandrensis het gebied rond Torhout, Gistel, Oudenburg en Brugge. Dit was in de ogen van Karel waarschijnlijk een onbetekenende functie: Vlaanderen lag in een uithoek van zijn koninkrijk en werd geteisterd door de Vikingen. Boudewijn bleek echter een succesvol bestuurder. Hij wist de invallen van de Vikingen te stoppen en bouwde daarvoor versterkingen in Arras, Gent en Brugge. In Brugge bouwde hij een kerk die was gewijd aan Donatianus van Reims en gaf relieken van de heilige aan de kerk. In Veurne stichtte hij een Benedictijner klooster en schonk het relieken van heilige Walburgis. In 870 werd zijn bezit uitgebreid en was hij heer van geheel Vlaanderen en Ternois, hetzelfde jaar werd hij lekenabt van Sint Pieter in Gent. In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar bij de opvolging van Karel de Kale. Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook is begraven.
Boudewijn was vaak te gast aan het Karolingisch hof en kende Lodewijk, later bekend als Lodewijk de Stamelaar, zoon van keizer Karel en broer van Judith. Lodewijk verving zijn vader tijdelijk toen die probeerde de Provence bij Frankrijk te voegen. Toen Lodewijk Judith in een klooster te Senlis opzocht nam hij Boudewijn mee. Een huwelijk tussen beiden gaf Judith de kans om aan het kloosterleven te ontsnappen terwijl Boudewijn lid werd van de Karolingische dynastie. Ook Lodewijk trouwde later zonder toestemming van zijn vader en zijn jongere broer Karel. Hincmar van Reims, de aartsbisschop van Reims heeft het verhaal van de vlucht en het huwelijk opgetekend. Hincmar heeft ook Judith geëxcommuniceerd en beriep zich op de canon 10 van het Romeins concilie van 721. Die slaat echter op roof van een vrouw met geweld en gezien zij instemde kon er geen sprake zijn van roof.
Traditioneel wordt de forestier Odoaker als zijn vader gezien maar Odoaker (als vader van Boudewijn) en zijn voorouders worden tegenwoordig als speculatief beschouwd omdat dit alleen is gebaseerd op teksten uit de twaalfde eeuw. Een andere theorie is dat Boudewijns vader wel Odoaker heette maar een lagere hoveling was.
Boudewijn en Judith hadden vier kinderen:
Karel, geb. ca. 864, jong gestorven
Boudewijn
Rudolf van Kamerijk
vermoedelijk nog een dochter, de kronieken van het klooster van Waulsort vermelden bij de dood van Rudolf van Kamerijk dat Wouter, de zoon van Rudolfs zuster, probeerde hem te wreken.
Gunhilda, gehuwd in 877 met Wilfred I el Velloso, graaf van Urgel en Barcelona, wordt ook vaak als dochter van Boudewijn en Judith genoemd maar dit is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een middeleeuwse tekst. Zij was afkomstig uit de omgeving van Barcelona.
De legende van de Brugse Beer
Het Brugse Beertje van de Loge verwijst naar de schaking van Judith: toen Boudewijn met Judith in Vlaanderen terugkeerde, werden zij in het bos aangevallen door een reusachtige witte beer (een bruine beer wit van sneeuw), volgens de legende "de oudste bewoner van Brugge". Deze beer was al eerder gesignaleerd omdat hij de omgeving onveilig maakte. Reizigers die zich buiten de muren van Brugge waagden, werden vaak door de beer aangevallen. En dus ook Boudewijn I. Hij wierp zich zonder aarzelen in de strijd met de beer. Niemand durfde dichterbij te komen, ook niet om hun leenheer te helpen. Op een bepaald moment stelde de beer zich recht op zijn achterste poten en ging met zijn rug tegen een boom staan om zo met meer kracht opnieuw aan te vallen. Maar net op dat moment sprong Boudewijn vooruit en doorboorde de beer met zijn lans. De stoot was zo hevig en krachtig dat de lans zich door de beer onwrikbaar in de boom vaststak. Boudewijn was zijn naam met den ijzeren arm dus waardig. Volgens de legende schonk de stad Brugge Boudewijn een gebeeldhouwde, rechtopstaande beer toen later zijn aanstelling als nieuwe leenheer gevierd werd.
Vandaag is in de gevel van de Poortersloge aan het Jan van Eyckplein in Brugge nog een beeldje van een rechtopstaande, schilddragende beer te zien. De beer die een schild vasthoudt, verscheen echter pas in 1304, dus het gaat niet om hetzelfde beeldje als het geschenk aan Boudewijn. De Poortersloge was van 1417 tot 1715 het lokaal van Het Genootschap van de Witte Beer, een selectieve steekspelvereniging die werd opgericht een tijdje na de heldendaad van Boudewijn. Het belangrijkste evenement dat ze organiseerden was de Wapenpas van de Gouden Boom, van 3 tot 11 juli 1468, ter gelegenheid van het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York. In 1417 had het gezelschap van de stad de toestemming gekregen een beeldje van hun mascotte, een rechtopstaande beer, in de gevel te plaatsen.
Bron: Wikipedia
Judith van West-Francie, geb. omstr. 844, overl. na 870,(dochter van Karel II, de Kale) tr. (1) Verberie 1 okt. 856 Aethelwulf, koning van Wessex, tr. (2) 858 Aethelbald, koning van Wessex, werd in de lente van 862 geschaakt, tr. Auxerre 13 dec. 863 Boudewijn IJserenarm, graaf van Terwaan 866, bestuurder van de gouwen Kortrijk, Aardenburg en West Vlaanderen en mogelijk Mempiscus (tussen Gent en Kortrijk), verloor na de schaking van Judith van West Francië zijn graafschappen 862 maar verzoende zich met Karel de Kale en werd opnieuw aangesteld tot graaf in de gouwen Vlaanderen, Waas en Gent 864 en na 866 in de streek Sint-Omaars (Ternois), leke-abt St. Pietersabdij te Gent 870, toezichthouder en raadgever van kroonprins Lodewijk (de Stamelaar) bij het vertrek van Karel naar Italië, overl. 21 jan. 879.
Bron: www.kareldegrote.nl
Boudewijn I IJserenarm van Vlaanderen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
862 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Judith van West-Francië | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Wikipedia
http://fmg.ac/Projects/MedLands/FLANDERS,%20HAINAUT.htm#BaudouinIdied879B