Een tijdsdocument van 1939 tot 1946
15-03-1939 : Jo is aangenomen bij de Rijksdienst voor Sociale Zaken
22-03-1939 : naar Steenwijkerwold / Giethoorn verhuisd.
Jo Lonnee kwam met zijn familie te werken in een kamp voor werkelozen, het was wel een overgang van Amsterdam naar de stille polders.
De jongens vonden het wel fijn, Dick was veel bij een boer, genoot van het jonge vee en was daar dagelijks. Ze moesten naar de Wetering op school en dat was alle dagen een tocht op de fiets.
Wij woonden niet lang in dat kamp Halfweg en kwamen in een nieuw kamp, waar een goede woning voor ons was en een bloementuin.
Joop was niet lang op de school en ging toen naar Steenwijk, alle dagen 10 KM heen en weer 10 KM terug naar de MULO. Dat was geen succes, want Joop werkte bij de bakker en stond aan de lier op een boot enz. Al gauw moest Pa naar Steenwijk op de fiets om eens te zien waar Joop was en ja hoor hij was niet op school. We hebben daar niet lang gewoond en werden overgeplaatst naar Staphorst. Daar kwamen we eind 1940 in een nieuw kamp, met eigen woning.
Dick ging naar school in Rouveen en Joop naar de MULO in Meppel. Ook daar was Joop niet vaak op school en uiteindelijk ging hij naar de Ambachtschool waar hij leerde voor monteur.
We hebben relatief moeilijke jaren op kamp Conrad gehad, met eerst arbeiders uit Rotterdam.
Die mensen kregen zwaar werk om de grond te verkavelen. Onderhand brak de oorlog uit, de arbeiders vertrokken toen direct naar Rotterdam.
Na een poosje kwamen de Joden uit Amsterdam en kwam iedereen daar achter prikkeldraad te zitten met een wacht voor het kamp. Pa en de jongens waren goed voor de Joden. Ze kochten alles in en omdat de Joden te weinig voedsel kregen, kregen ze emmers vol pap achter in het kamp.
Bij gelegenheid werd er wel eens een kalf gekocht en geslacht en vervolgens gebraden.
De mensen konden zo wat extra verzorgd worden.
In die tijd moest Pa naar Ommen met nog meer beheerders, om een opleiding te volgen hoe ze de Joden moesten behandelen. Toen ze terug kwamen waren Pa en de andere beheerders erg van slag en onder de indruk van het nieuwe beleid dat ze te horen hadden gekregen. Pa wilde uit de dienst gaan. We zijn toen samen langs de barakken gegaan om dit te bespreken met de Joden, maar ze wilden niet dat Pa weg zou gaan en vroegen of hij toch wilde blijven, want wie zou er dan komen en hoe zouden ze dan behandeld worden?
Ieder ogenblik kwam de Groene Polizei in het kamp om te zien of het wel goed ging.
Dit waren nare tijden.
Onderhand zetten de Moffen in de buurt van Zwartsluis alles onder water en moest met eten vaak een grote omweg gemaakt worden.
In Staphorst kwamen drommen mensen om eten te halen, het was een droevige situatie.
In een school mochten ze overnachten, maar dan moesten ze weer verder, dikwijls werden ze beschoten van uit de lucht en daar vielen dan doden.
Toen kwam er een bericht dat de Joden weggehaald zouden worden, dat was een toestand. Jo en de jongens bleven de hele nacht op en waren bezig mensen te helpen. Koffers sleepten ze mee en kleren over de arm en in het donker moesten ze lopen naar Meppel. Daar moesten ze in de trein naar Westerborg. Voor ze daar in het kamp kwamen werd hun alles afgenomen. Onderweg hadden ze al koffers verloren, die ze niet meer konden dragen. In één koffer zat een zware schoenenleest, die man had gedacht dat hij nog schoenen zou repareren. We wisten toen niet dat ze vergast zouden worden. Slechts een enkeling is terug gekomen.
Op 9 april 1943 werd onze Rudi geboren. Ik moest naar Meppel naar het ziekenhuis en werd daar geholpen. Vijf jaren mochten we hem bij ons hebben, toen moesten we hem missen, wat voor ons een harde slag was.
In die tijd waren er even geen mensen in het kamp en toen Rudi 3 weken was moest Pa naar een ander kamp in Drenthe dienst doen en daar zat ik alleen met de kleine, niks in de buurt en de jongens naar school. Later is Joop even thuis gebleven want het was onmenselijk om mij daar alleen te laten zitten. Ik werd ziek en kreeg hevige keelontsteking. De dokter kwam door het slaapkamerraam naar binnen, want ik had de deur op slot. Mijn man moest weer thuis komen, want we kregen weer vluchtelingen in het kamp. Die mensen vonden het helemaal niets en na een paar dagen was op een morgen het hele kamp leeg. Ze waren geruisloos vertrokken op weg naar het Zuiden.
Verscheidene keren kregen we Duitsers in het kamp, die hun eigen veldkeukens bij hun hadden.
De Duitsers waren dan op doorreis, lopend naar Wezep, ze lagen dan te janken van de pijn in hun benen, die waren helemaal doorgelopen.Op een keer lieten ze een heel stel achter, met wat droog brood. Ze zouden opgehaald worden, maar dat duurde een paar dagen en die achtergebleven Duitsers dan maar bij ons zeuren om koffie, maar dat hadden we niet, natuurlijk.
Op het laatst kregen we A-socialen uit Scheveningen die konden niet bij burgers en dus naar het kamp. Daar hebben we heel wat mee beleefd. Wat een gemeen volk! Joop was kok, de school was afgelopen, hij kon het goed aan, stond te koken en deelde het eten uit. Hij kreeg wel wat te horen, maar gaf geen draad. Er was heel wat ruzie en geknok tussen dat tuig en maar lopen naar Meppel naar de Ords Commandant. Dan kregen we bezoek van de Groene Polizei, maar die zagen wel dat er met die mensen niets te beginnen was. Ze kregen bonnen voor schoenen, want de meesten liepen op blote voeten en als ze de schoenen hadden, dan verkochten ze die meteen weer en kwamen blootsvoets weer in het kamp. Het was een naar leven, ik had altijd angst voor die lui.
Pa had op een gegeven moment weer twee onderduikers in het kamp.
Dat werd direct door de Asocialen verraden en toen kwam de Groene. Wij hadden loopgraven in het kamp en daardoor verdwenen de onderduikers, maar de Groene kwam weer en toen werden ze meteen meegenomen. Pa moest in Meppel komen bij de Ordscommandant, maar hij kwam weer terug. Een paar dagen later kwamen ze weer en hebben Pa toen zo geslagen met de kolf van het geweer, dat het bloed langs zijn gezicht liep. Een Mof bleef achter en 's avonds zat hij met zijn geweer tussen zijn knieën voor onze slaapkamerdeur. Wat een vreselijke nacht hadden we, aldoor maar zacht liggen praten wat we moesten doen. Pa had makkelijk door het slaapkamerraam kunnen vluchten, maar wat had ons dan overkomen? Rudi was anderhalf jaar, Dick was er ook, Joop was allang ondergedoken zat boven in de melkfabriek. 's Nachts ging de Groene Polizei met Pa met de fiets weg naar Zwolle. De Groene nam de goede fiets van Pa en hij kreeg de oude fiets van de Mof. Wat een vreselijk angstige situatie. Van Den Haag kregen we een aflosser om de zaak waar te nemen. Dick ging steeds met een pak schoon ondergoed naar Zwolle om dat aan Pa te brengen. Dat was niet nodig vertelde de Moffen, want hij kreeg daar wel schoon goed. Maar Pa was allang naar Amersfoort gebracht, dat beruchte kamp. Daar heeft hij veel ellende gezien, maar hij werd doorgestuurd met een heleboel mannen naar Duitsland in een dichtgetimmerde trein. Dat alles hoorden we pas toen Pa Goddank weer thuis kwam. Na zijn ontsnapping uit Duitsland heeft de ondergrondse hem in een lege vuilniswagen naar het ziekenhuis in Enschede gebracht want Pa had enorme diarree en was er niet best aan toe. Uiteindelijk is Pa weer in Rouveen gekomen en gebracht bij de Familie Wegmans. Die mensen hebben hem direct verzorgd, gewassen en een grote pan pap voor hem gekookt. En toen kreeg ik bericht dat hij daar zat. Rudi op de fiets gezeten meteen naar Pa, dat was een weerzien. Wat was Pa mager geworden en een kaalgeknipt hoofd.
Ik ben naar de Familie Gansekole gegaan en die mensen wilden hem direct halen. Daar heeft hij een paar goede weken gehad, ze waren zo goed voor hem. Pa zat daar boven op een kamertje en dan kwam ik voorbij wandelen met Rudi in het wagentje en even naar boven kijken. Ik was bang dat iemand het zou zien, het was een nare tijd en ik wist niet hoe lang het zou duren.
Op een dag kwamen er een paar gewapende Duitsers. Dick werd erop uitgestuurd om te kijken waar ze ongeveer waren. 's Avonds kwamen er Jeeps met de Engelse vlag er op, de Staphorsters begonnen te juichen, maar het waren Duitsers. Veertien boerderijen hebben ze in brand gestoken en het mooie hotel van Waanders. Ik zat met onze Rudi ondergedoken bij de Familie Evenboer in de kelder. Evenboer had ook een baby en we hadden een bedje op de bodem liggen en daar lagen onze kinderen op. Het vuur loeide door Staphorst. Evenboer was bang dat hun huis er ook aan zou gaan. We hebben toen de inhoud van de linnenkast achter in het veld gebracht. De volgende ochtend reden de Canadezen Staphorst in! 14 April 1945 VRIJ !
Joop was bij de Ondergrondse en was met nog iemand het natuurgebied ingestuurd met wapens, want er werd flink geschoten. Het waren twee Moffen en ze zijn ontwapend en meegenomen.
Het Asociale tuig wat in het kamp zat, waren heel kalm, want hun vrienden de Moffen waren er niet meer. (NSB'ers).
Maar wij zaten nog met dat tuig. Later zijn ze overgeplaatst naar een ander kamp Beugelen.
Naar kamp Conrad moesten nu de NSB'ers die opgepakt waren. Er kwamen burgemeesters met vrouwen, dokters met vrouwen, 200 mannen aan de ene kant en ook zoveel vrouwen aan de andere kant van het kamp. En dan de bewakers nog en het kamp Conrad was overvol. Vrouwen werden kaal geknipt en mannen moesten boven op de tafel het Wilhelmus zingen. Een gewezen Politieman moest in ondergoed over de planken hollen en van angst kreeg hij een vuile broek. Hoe vaak zal een ander dat door hem gekregen hebben. De vrouwen van de burgemeesters en de dokters moesten de WC schoonhouden. Ze droegen de enige kleding die ze hadden, hun bontjassen en kregen als bijnaam De Odeurploeg. Op kamp Conrad zaten nu vijftien vrouwen op één kamer. Er werd door de Directie besloten om naar kamp Beugelen te verhuizen. Kamp Conrad moest daarna schoon gespoten worden en dat was hard nodig.
Joop was weer bij ons, verlost uit zijn hoge plekje bij Sligtman. Het had niet veel gescheeld of Joop was ook meegenomen door de Groene. Bij een zoveelste huiszoeking zie ik tegen de Groen dat ze mijn man al hadden meegenomen en nu een jongen van 17 jaar met rust moesten laten. En die Houthandel die steeds met klachten bij u komt is een communist en stook iedereen op. Joop mocht toen blijven maar ging 's avonds tot de bevrijding in de melkfabriek slapen.
Na de bevrijding is Joop in Militaire Dienst gegaan in Harderwijk. Hij was toen te jong om naar Indië te gaan.
Dick fietste iedere dag naar school in Zwolle. In 1946 zijn we verhuisd van Staphorst naar Elst.
Pa werd controleur voor de kampen en moest onder meer langs de kampen in Nijmegen en omstreken en de Betuwe. Toen Pa werd overgeplaatst als controleur naar de Wieringermeer, zat ik weer alleen in Elst. Daarna verhuisden we van Elst naar Arnhem. Begin mei kwamen we daar te wonen en 14 juli overleed onze Rudi. Wat mis ik die jongen nog steeds.
Later werd Pa weer overgeplaatst en nu moesten we naar Woerden. Pa had daar nog meer administratie en zat dikwijls ook op zondags te schrijven, het was hem nooit te veel.
De eerste maanden in de kazerne in Woerden was het erg druk want daar kwamen de KNIL-militairen met hun gezinnen.
#
Een samenvatting van Dina Lonnee-Visser.
Lieve Oma,
't Is kort bedacht
En 't is kort geschreven,
Maar met de wens,
dat u lang zal leven
En altijd denken doet
aan wie dit neerschreef
ze meent het goed.
Ter herinnering aan uw liefhebbende kleindochter
Thea Lonnee
Grafrede Dieuwke Lonnee Visser uitgesproken door haar zoon Dirk Lonnee op 15-01-1992.
Alle aanwezigen kennen haar.
Velen kennen haar leven van 1946 tot 1992.
In 1946 kwam zij voor de eerste keer in Arnhem wonen.
Sommigen kennen haar leven van 1901 tot 1946.
Niemand kent haar leven van 1901 tot 1992, want zij zou alleen gekend kunnen worden door 90 jarigen of ouder.
Wie was Dieuwke ?
Zij is geboren op 18 november 1901 te Hollum op Ameland.
Haar ouders waren; van vaderszijde : Dirk Visser, geboren 5 februari 1875 en overleden in 1919 op 44 jarige leeftijd en van moederskant : Sietske Visser, geboren 22 december 1876 en na een periode van 32 jaar als weduwe, overleden in 1951.
Dirk en Sietske 11 kinderen, daarvan leven er nu nog drie, waarvan er eentje in Nieuw Zeeland woont. De andere twee, Emie en Jaap, zijn hier aanwezig.
Dieuwke's grootvader Eeuwe kwam als 24 jarige in 1877 om, toen zijn schip op terugweg uit Java verging.
Haar grootmoeder Dieuwke IJnsen moest als 22 jarige haar twee kinderen van 1 en 2 alleen opvoeden.
Dieuwke's overgrootvader Jan Kornelis Visser, verdronk in 1843, toen Eeuwe 1 jaar oud was.
Uit voorgaande is te begrijpen dat, hoe moeilijk de Vissers's het ook hebben, zij proberen alles eerst alleen op te knappen en onafhankelijk van anderen proberen te blijven.
Nu is te begrijpen waarom Dieuwke nooit gezichtsverlies wilde lijden, nooit haar echte gevoelens wilde blootgeven, nooit wilde dat ze zich ergens voor hoefde te schamen.
Op deze karaktertrekken kom ik terug.
Dieuwke groeide op in Hollum op Ameland en als bakvis ging zij met het hele gezin naar Amsterdam te wonen.
Al haar 6 broers voeren op de groothandelsvaart.
Dieuwke's vriend Johannes Lonnee ontging dat voorrecht evenmin.
In 1919 was hij al in New-York geregistreerd als zeeman.
In 1920 verloofden Dieuwke en Jo zich en in 1925 trouwden zij.
De eerste zoon werd geboren in 1928, toen vader op zee was.
De tweede zoon werd geboren in 1931.
Deze kinderen werden opgevoed door Dieuwke, alleen!
Als vader thuis kwam, noemden de kinderen hem meneer.
In 1940 was vader aan de wal en kreeg hij gelukkig een baan als kok-beheerder in een van de vele werkkampen van het Ministerie van sociale zaken.
Zij verhuisden vanuit Amsterdam, naar Giethoorn, naar Steenwijkerwold, naar Staphorst, naar Elst (Gld), naar Arnhem, naar Woerden en voor de tweede keer naar Arnhem.
In die kampen was vaderde hele dag in de weer. Ook vaak 's avonds.
Dan voelde moeder zich toch nog alleen!
In 1944 werd vader door de Duitse bezetter gearresteerd en in concentratiekampen opgesloten. Moeder was alleen!
In 1945 kwam vader weer boven water, maar werd prompt overgeplaatst naar Elst (Gld), waar wegens oorlogsvernielingen lange tijd geen huisvesting beschikbaar was voor het gezin.
Moeder was weer alleen.
Overal woonden zij korte tijd en wegens de eerder genoemde karaktertrekken kreeg moeder niet snel vrienden en als ze die eenmaal had, verhuisden zij weer.
De eerste twee zoons gingen in 1945 respectievelijk 1949 voorgoed de deur uit. De derde zoon, een nakomertje geboren op 9 april 1943, overleed op 10 juli 1948 te Arnhem.
Vader en moeder bleven alleen achter.
In 1950 werd vader gedetacheerd in Wieringerwerf. Hij kwam niet elk weekeinde thuis.
Vader en moeder gingen na zijn pensionering in 1965 in Arnhem wonen. Hij overleed daar in 1967.
Hij werd op straat gevonden, overleden aan een hart-infarct.
Moeder bleef nu volkomen alleen achter.
Zij ging op 8 juni 1971 terug naar Ameland, op de jonge leeftijd van nog geen 70 jaar naar het bejaardenhuis in Hollum. Op Ameland dacht zij haar schoolvriendinnetjes van 1907 tot 1913 te vinden, maar daar waren er niet meer zoveel van over. Bezoek van de kinderen beperkte zich voornamelijk tot de zomervakantie en haar verjaardag. Zij was en bleef eenzaam.
Op 7 juli 1981 ging zij terug naar Arnhem en kwam in de Drie Gast-huizen. Zij verwachtte dat elk weekeinde haar kinderen of kleinkinderen haar wel zouden komen bezoeken, maar dat pakte naar haar gevoel toch anders uit.
Moeder kon sinds 1980 ook niet meer het initiatief nemen om iemand te gaan opzoeken.
Haar gezondheid werd gekenmerkt door drie handicaps waardoor zij niet meer kon reizen, te weten rechteroog blind, linker oog weinig licht, rechteroor doof en linkeroor weinig gehoor, beide benen, open wonden wegens niet doorbloedde vaten.
Toen ze de kans kreeg met her Rode kruis een vakantieweek te beleven, zei ze dat ze te goed was om met die oudjes mee te gaan in een hut voor vier personen.
Maar de werkelijke reden was, dat zij haar privacy niet wilde opgeven, voor geen prijs.
Dan maar eenzaam. Eenzaamheid was haar grote verdriet.
De korte dagtripjes van het rode kruis en van de Drie Gast-huizen, een begeleide reis naar Ameland of een paar dagen logeren bij de kinderen, waren haar hoogtepunten.
Nooit heeft zij gevraagd: Willen jullie alsjeblieft mij komen opzoeken?. Zij goot dat in een ander vat, bijvoorbeeld : Ik heb een brief ontvangen van en ik begrijp het niet. Wil je gauw komen voor er iets mis gaat?.
Verder probeerde ze zonder gezichtsverlies bezoek te krijgen. Niet alleen van de kinderen of de kleinkinderen, maar ook van neven en nichten en dat lukte ook vaak. Naar haar zin ging iedereen te vroeg weer bij haar weg, vond ze.
Nu is haar eenzaamheid voorbij. Als er een leven hierna is, dan wordt ze zeker opgenomen in de kring van vrienden en vriendinnen die haar zijn voorgegaan.
Zo schreef vader in 1920 in haar poëzie-album :
Als allen u begeven, in 's levens zandwoestijn, wil ik geheel uw leven, een man uws harten zijn,
mocht eens ons hart verstijven, snijdt God ons leven af, dan zal de liefde blijven,
tot aan tot over 't graf.
Je liefhebbende verloofde Johan Lonnee
#
Tijdstip: 21:30:00
Zij is getrouwd met Johannes Albertus Lonnee.
Toestemming voor het huwelijk is 25 augustus 1925 verkregen te Amsterdam.
Zij zijn getrouwd op 8 oktober 1925 te Amsterdam, Noord-Holland, Nederland, zij was toen 23 jaar oud.Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Dieuwke Visser | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
1925 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Johannes Albertus Lonnee | |||||||||||||||||||||||||||||||||||