https://www.stamboomduplessis.nl/16-susanna-du-plessis
(1) Zij is getrouwd met Frans Laurens Willem Grand.
Toestemming voor het huwelijk is 1 maart 1754 verkregen te Paramaribo, Paramaribo, Suriname.Bron 1
(2) Zij is getrouwd met Frederik Cornelis Stolkert.
Toestemming voor het huwelijk is 14 oktober 1767 verkregen te Paramaribo, Paramaribo, Suriname.Bron 2
Het echtpaar is gescheiden rond 1783 te Paramaribo, Paramaribo, Suriname.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Susanna_du_Plessis :
"Susanna du Plessis
Maria Susanna du Plessis, ook geschreven als Duplessis, (Paramaribo, 10 maart 1739 – aldaar, 6 oktober 1795) was een Nederlands plantagehoudster in Suriname. Ze is een legende in de geschiedenis van Suriname en een symbool van Hollandse wreedheid jegens Surinaamse slaven.[1] Ze is onderwerp van verschillende liederen, toneelstukken en verhalen.[2]
Levensloop
Plantages 'Nijd en Spijt' (beheerd door Susanna du Plessis) en 'Alkmaar' in nabijheid van de Commewijne rivier
Susanna du Plessis werd op 10 maart 1739 geboren te Paramaribo als dochter van Salomon du Plessis (1705-1785), advocaat, en Johanna Margaretha van Strijp (1706-1769), plantagehoudster. Ze was afstammeling van gevluchte Franse hugenoten. Du Plessis trouwde op 1 maart 1754, vlak voor haar vijftiende verjaardag, met Frans Laurens Willem Grand (ca. 1730-1762). Grand werd eigenaar van de plantage Grand Plaisir, welke later door hem werd omgedoopt tot Nijd en Spijt, waar hij vooral koffie en cacao verbouwde. Na zijn overlijden in 1762 kwam de plantage in bezit van Susanna, waardoor zij al op 23-jarige leeftijd plantagehoudster werd.
In oktober 1767 hertrouwde Du Plessis op de plantage Nijd en Spijt met Frederik Cornelis Stolkert (ca. 1747-ca. 1804), eigenaar van de plantage Hecht en Sterk en zoon van Elisabeth Buys. In de huwelijksvoorwaarden liet ze vastleggen dat zij alle zeggenschap over haar eigendommen bleef houden waardoor Stolkert moest afzien van het recht van administratie en beheer van Du Plessis' goederen. Haar hele leven heeft ze de plantage met groot succes zelf beheerd.
Na ruim vijftien jaar huwelijk vroeg ze op 23 mei 1783 scheiding van tafel en bed aan, omdat Stolkert volgens haar schuldig was aan mishandeling en buitensporig gedrag. Ze had het gevoel dat haar leven in gevaar was. Voor zover bekend bleef dit huwelijk ook kinderloos. Ze verhuisde naar een huis dat vandaag de dag in Paramaribo nog bekend staat als Huis Du Plessis, op de hoek van het Plein en de Gravenstraat.
Du Plessis stierf op 6 oktober 1795 te Paramaribo en ze werd begraven op de begraafplaats De Oude Oranjetuin, waar ook haar moeder en haar eerste echtgenoot lagen. De tekst op haar grafsteen heeft ze zelf opgesteld en luidt als volgt: 'Eindelijk ben ik tot rust gekomen'. De grafsteen ligt sinds 1835 ingemetseld in de vloer van de hervormde kerk in Paramaribo.[2]
Susanna du Plessis liet het grootste deel van haar vermogen – geschat op een waarde van 100.000 gulden – na aan haar petekind Salomon Reinier Marius Pichot (1789-1840), de jongste zoon van de Maastrichtse militair en bestuurder Ephraim Daniel Pichot, die weer een zoon was van haar halfbroer Jan Willem Pichot. In 1789 reisde ze vanuit Suriname naar Meerssen om aanwezig te zijn bij de doopplechtigheid van haar verre familielid. Ze wist voor elkaar te krijgen dat hij zijn achternaam kon uitbreiden met de toevoeging 'du Plessis'. Enkele jaren later erfde de zesjarige zowel Nijd en Spijt als het Huis Du Plessis.[3]
Reputatie van wreedheid
[...]
Slavenhutten bij een kreek op Nijd en Spijt, in 1812 geaquarelleerd door Louise van Panhuys, die zelf met haar man de plantages Nut en Schadelijk en Alkmaar beheerde
De reputatie van wrede slavenhoudster komt mede tot uiting in mondeling overgeleverde verhalen, geschreven verhalen, toneelstukken en liederen. In 1790 werd de lezing die de koopman Abraham Barrau op 22 februari van dat jaar gehouden had voor de Amsterdamse afdeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, gepubliceerd in het tijdschrift Bijdragen tot het menschelijk geluk waarin hij het verhaal vertelt van een slavenmeesteres die het kind van een slavin verdrinkt omdat het niet wilde ophouden met huilen.[4][5] Datzelfde verhaal verscheen in 1796 in een boek van John Gabriël Stedman. Hoewel Du Plessis' naam in beide publicaties niet werd genoemd, is het zeker dat zij de hoofdpersoon (de slavenmeesteres) is.[2]
Een ander verhaal dat nog voortleeft, is het verhaal over Du Plessis en haar huisslavin, het mulattenmeisje Alida. Du Plessis zou Alida meermaals hebben gestoken met een mes, omdat zij meende dat haar man Stolkert een oogje op het meisje had. In de loop van de tijd is het verhaal steeds meer aangevuld en voorzien van details en is het uitgegroeid tot het verhaal over de wrede plantagehoudster die uit jaloezie de borsten van de slavin Alida afsneed en die aan haar echtgenoot als maaltijd voorzette.[6] Inmiddels is Alida een begrip in Suriname en is de jaarlijkse Miss Alidaverkiezing naar haar vernoemd. In deze verkiezing gaat het niet om uiterlijke schoonheid, maar om maatschappelijke ambities en kennis van cultureel erfgoed.[1] Een Miss Alida is daarmee een voorbeeld voor vele andere meisjes en symboliseert de trots van de Afro-Surinaamse vrouw.[7]
Van alle wrede verhalen over Du Plessis is er tot op heden niet een bewezen. Er zijn geen documenten gevonden die erop wijzen dat zij werkelijk zo wreed is geweest als in de verhalen wordt verondersteld. Het is mogelijk dat er sprake was van een haatcampagne tegen Du Plessis vanwege een oude ruzie tussen haar vader en de gouverneur. Anderen vermoeden dat haar tweede echtgenoot Stolkert erachter zat, vanwege een strijd om het bezit van Nijd en Spijt.[2] Hilde Neus-van der Putten suggereert in haar boek Susanna du Plessis. Portret van een slavenmeesteres. eveneens dat mannelijke jaloezie wellicht een rol heeft gespeeld bij de negatieve beeldvorming. Ze was immers een krachtige vrouw, onafhankelijker dan gebruikelijk voor iemand in haar positie: ze liet zich scheiden van haar echtgenoot, bleef kinderloos en was zeer vermogend.[1]
Literatuur en verwijzingen
Hilde Neus-van der Putten, Susanna du Plessis. Portret van een slavenmeesteres (Amsterdam/Paramaribo, 2003) (ISBN: 9068325213)
Egmond Codfried, Maria Susanna du Plessis (1739-1795): dader of slachtoffer? (Den Haag, 2003) (ISBN: 9080806714)
↑ Omhoog naar: a b c Mark Duursma, Een slavin wordt heldin. NRC (19 september 2003). Geraadpleegd op 16 mei 2018.
↑ Omhoog naar: a b c d Anna de Haas, Plessis, Maria Susanna du (1739-1795). Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (DVN). Geraadpleegd op 16 mei 2018.
↑ 'Pichot - du Plessis' op stamboomduplessis.nl.
↑ Simon Vuyk, Georg Forster in Amsterdam – Vrijheid en een menswaardig bestaan voor allen, Nieuw Letterkundig Magazijn, jaargang 25, p. 31
↑ A. Barrau, De waare staat van den slaavenhandel in onze Nederlandsche coloniën, voorgedragen door den heer A. Barrau, in eene verhandeling, op 22 van februarij 1790, bij het Amsterdamsche departement der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, Bijdragen tot het menschelijk geluk, derde deel, p. 374
↑ Ger Groot, Slaven. De Groene Amsterdammer (20 september 2003). Geraadpleegd op 16 mei 2018.
↑ Marieke Visser, Huis van wrede slavenmadame gerestaureerd. Historisch Nieuwsblad (5 april 2001) Gearchiveerd op 17 mei 2018. Geraadpleegd op 16 mei 2018."
https://www.stamboomduplessis.nl/12-michel-du-plessis :
"In het boek Susanna du Plessis, portret van een slavenmeesteres, een afstudeerscriptie van Hilde Neus-van der Putten (2003), las ik dat Jan Frederik Taunay door Susanna benoemd was tot haar opper-administrateur en opperexecuteur. ‘Notaris Tenay’ bleek dus te zijn J.F. Taunay, administrateur. In Amsterdam werkte deze Taunay ook samen met Reinier Duplessis, de broer van Susanna. In het archief van de Waalse kerk te Amsterdam vond ik dat deze kerkelijke gemeente een legaat van honderd gulden had ontvangen na het overlijden van Salomon. Notaris Cornelis van Homrigh bleek de notaris te zijn. Toen ik dat wist, was snel het testament van Salomon gevonden. Uit het testament van Salomon is op te maken dat hij zijn dochter beperkt in de vrije beschikking over haar erfdeel. Door middel van een zogenaamd fideï-commis regeert hij over zijn graf.
Na het overlijden van Susanna ontstaat onder de erfgenamen en executeurs onenigheid over de verdeling van de Susanna’s omvangrijke boedel. Uit het testament van Susanna blijkt niet dat de familie Was en Zegers erfgenamen zijn.
In de Rotterdamsche Courant van 21 october 1797 vond ik een publicatie inzake de afwikkeling van de nalatenschap van Salomon. Het Hof van Holland heeft de achterneven van Salomon Duplessis, Johannes Was en Cornelis Zegers, erkend als mede-erfgenamen, (in het verslag van het Hof worden de namen geschreven als Wasch en Seegers). Salomon Duplessis trouwde in 1737 te Paramaribo met de zeer vermogende Johanna Margaretha van Striep (ook Streijp), die eerder getrouwd was met Daniël Pichot. Salomon verwekte bij haar twee kinderen; Maria Susanna Duplessis (1739-1795) met de roepnaam Susanna en Reinier Isaac Duplessis (1741-1787). Uit het huwelijk Pichot-van Striep was eerder de zoon Jan Willem Pichot (1730-1802) geboren. Salomon die als lid van de Raad van Politie in Suriname verbleef, werd door zijn huwelijk ook eigenaar van plantages. Hij moest echter vanwege een conflict met gouverneur Mr. Jan Jacob Mauritius Suriname verlaten. Hij woonde daarna als commensaal aan de Herengracht te Amsterdam in ‘Het Blauwe Huis’ van 1757 tot 1781.
Zijn dochter Susanna bleef achter in Suriname en exploiteerde met haar echtgenoot de plantages. Zij is er twee maal getrouwd, maar bleef kinderloos. Deze puissant rijke kinderloze dochter Susanna Duplessis staat bekend als de meest wrede slavendrijfster in Suriname. Haar wreedheden zijn evenwel nooit bewezen. Susanne mag dan bekend zijn als een wrede slavenmeesteres, haar slaaf Frederik, een mulatte jongen, droeg zij een warm hart toe. Hij erfde van haar een stuk grond en vijfhonderd gulden contant, zodat hij na haar overlijden als vrij man in zijn onderhoud kon voorzien. De in haar testament genoemde belangrijkste erfgenaam Salomon Reinier Marius Pichot (later Pichot-du Plessis), haar peetzoon en een kleinzoon van Jan Willem Pichot, kon met zijn erfdeel het kasteel ‘Blankenberg’ bij Cadier en Keer in Limburg bouwen. Dat gebeurde lang na haar dood, omdat er zo lang onenigheid was over de verdeling.
Op de plantage ‘Nijd en Spijt’ werd door de slaven hard doorgewerkt en kon de familie Pichot een goed leven hebben! De vader van Salomon, Michel Duplessis kwam als hugenoot uit Dieppe (Frankrijk) naar Bergen op Zoom. Hij was lid van de Waalse kerk en daar voorlezer en koster. Later wordt hij ook genoemd als chirurgijn. Uit een eerste huwelijk (1685) met Bernardine Beynen werden vier kinderen in Bergen op Zoom geboren, waaronder Adriana Duplessis. Dat was omstreeks 1690. Uit een tweede huwelijk met Susanne Caron (1696) werden in Bergen op Zoom zes kinderen geboren, waaronder Salomon Duplessis. Adriana Duplessis, de halfzuster van Salomon, trouwde te Bergen op Zoom in 1708 met Willem Smits. Uit dat huwelijk werden dertien kinderen genoteerd, waar onder Barendina (Dina) Smits, gedoopt Bergen op Zoom 4 augustus 1724. Zij trouwde te Bergen op Zoom in 1752 met François Was (1723-1789), de zoon van John Was uit Schotland en Geertrui Schou(w)mans. Zij kregen een zoon Johannes Was (1753-1815). Antonius Smits, zoon van Willem Smits en Adriana Duplessis, trouwde met Elisabeth Alewijn en zij kregen een dochter Adriana J. Smits (1760-1822), die met Cornelis Zegers (Seegers) trouwde.
Susanna leefde gescheiden van haar tweede man en had geen kinderen. Salomon had geen invloed op wat zijn dochter in haar testament zou gaan bepalen. Zij onderhield goede contacten met haar halfbroer Jan Willem Pichot en zijn kinderen, die in Suriname opgroeiden. Susanna zal met haar in Nederland wonende familie nauwelijks contact hebben gehad. Salomon, die in Nederland woonde zal het redelijk hebben gevonden dat niet alles naar de familie Pichot zou gaan, waarmee hij geen bloedband had. Hij heeft het redelijk gevonden dat een deel van het vermogen zou gaan naar de nakomelingen van zijn halfzuster Adriana Duplessis. Mogelijk was de relatie tussen vader en dochter niet optimaal. Het kan de verklaring zijn voor het fideï-commis in zijn testament. Nu Susanna stierf zonder nazaten konden Johannes Was en Cornelis Zegers aanspraak maken op een erfdeel. Ook Susanna regeerde over haar graf. Zij bepaalde dat de plantage ‘Nijd en Spijt’ nimmer verkocht mocht worden. Het beheer over deze plantage kwam in beheer bij Quirijn en Frederik Pichot, de kleinkinderen van haar halfbroer Jan Willem Pichot. Lang na het beëindigen van de exploitatie van deze plantage is in 1975 de grond aan de staat Suriname vervallen. Dit na een oproep in de krant, waarop niet is gereageerd door de familie.
Bron: Genealogie Was – samengesteld door Hugo Doeleman – Stichting Familiearchief Doeleman 17 september 2015 - www.archiefdoeleman.nl "
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Maria Susanna Duplessis | ||||||||||||||||||
(1) | ||||||||||||||||||
Frans Laurens Willem Grand | ||||||||||||||||||
(2) | ||||||||||||||||||
Frederik Cornelis Stolkert | ||||||||||||||||||