https://www.slavernijenjij.nl/situatie-afrika/hollandse-afrikanen/
https://research.rug.nl/nl/publications/tussen-de-goudkust-nederland-en-suriname-de-euro-afrikaanse-famil
(1) Hij had een relatie met Anna van der Puije.
Kind(eren):
(2) Hij had een relatie met Akusuwa Esson.
Kind(eren):
(3) Hij heeft/had een relatie met Gerardina Elizabeth Hansen.
Kind(eren):
Zie:Slavernij en jij.nl “Afrikaanse kust - Hollandse Afrikanen ”: p.1:
"1798, aan de Nederlandse Goudkust in West-Afrika. Het gaat al lang niet goed met de Nederlandse slavenhandel en gouverneur Cornelius Ludwig Bartels heeft geld nodig om het personeel en de leveranciers te kunnen betalen. Daarvoor vraagt hij de hulp van zijn ambtenaren. Zij zijn vaak ook rijke kooplieden, en Jacob Rühle is één van de rijkste. Hij heeft sinds ongeveer 1780 een kapitaal verdiend met de slavenhandel, eerst voor de gouverneurs van de West-Indische Compagnie (WIC) en later voor zichzelf. Bij een eerdere crisis heeft Jacob veel geld aan het Nederlandse bestuur geleend en geschonken om de boel draaiend te kunnen houden. Maar nu heeft hij geen geld meer, zegt hij. Dat leidt tot een knallende ruzie met Bartels.
Bartels schrijft in een brief aan de regering in Den Haag over Jacob Rühles weigering om te betalen. Dat Jacob eerder veel geld aan het bestuur gegeven heeft telt niet meer: Jacob is geen haar beter dan al die andere ‘tapoeiers’. Tapoeiers is de naam die de Nederlanders in Afrika geven aan mensen van gemengd ras, ook wel mulatten genoemd. Jacob is een zwarte Hollander: kind van een Europese vader en Afrikaanse moeder. Hij is lang niet de enige zwarte Hollander in Elmina, en lang niet de enige die zo succesvol is. Jacob en veel van zijn zwarte collega’s werken als ambtenaar voor de WIC en zijn daarnaast koopman in slaven.
Jacob Rühle (1751-1828) is de zoon van de WIC-medewerker en slavenhandelaar Anthony Rühle en de Afrikaanse vrouw Jaba Botri. Anthony en Jaba krijgen zes kinderen, vijf jongens en een meisje. Anthony zorgt goed voor al zijn kinderen. Hij neemt ze mee naar Suriname en naar Nederland en zorgt dat ze een goede opleiding krijgen. Na zijn dood in 1769 zorgen de oudste kinderen voor de jongere.
In die tijd is de familie al niet meer alleen in Elmina gevestigd, maar ook in Suriname en in Amsterdam. Jacob oudste broer Matthijs (1739-1795) neemt werk aan op verschillende Surinaamse plantages en wordt daar zelfs directeur. Dit is heel bijzonder in die tijd. In de slavenkolonie Suriname zijn er heel weinig vrije zwarten met een belangrijke functie op de plantages. Matthijs Rühle is zelfs de enige zwarte plantagedirecteur."
"Jacob is de slimste van de kinderen en ook het meest succesvol. Hoewel hij de op een-na-jongste is, treedt hij al snel op als hoofd van de familie. Hij zorgt voor de contacten tussen de familieleden en zorgt ervoor dat er een echt familiebedrijf opgezet wordt. Daarbij kijkt hij al snel niet alleen naar de slavenhandel, maar ook naar andere mogelijkheden. In Elmina zet hij een plantage op naar Surinaams voorbeeld. Hier verbouwen slaven allerlei tropische producten voor de handel. Na de ruzie van 1798 besluit Jacob naar Nederland te gaan. Vanuit Amsterdam leidt hij het familiebedrijf. Daar hoort ook een steenbakkerij in het Zuid-Hollandse Zwammerdam bij."
Man van
Anna van der Puije; Anna van der Puije or Akusuwa Esson; Akusuwa Esson en
Gerhardina Elisabeth Hansen
Vader van
Mattheus Rühle;
Abraham Rühle;
Anthony Rühle;
Catharina Rühle;
Jacob Rühle
Elisabeth Rühle;
Isaac Rühle en
Jacob Anthonie Rühle
https://www.pinasroots.nl/cms/bronnen/diverse-bronnen/241-persoonsgegevens-snebeling-j-g-opzichter-topibo-1827-1832
"AMSTEL 87
Het huis van een slavenhandelaar van gemengde afkomst
In het vorige pand op deze plek woonde rond 1800 één van de rijkste zwarte Amsterdammers: Jacob Rühle. Hij was de zoon van de WIC-ambtenaar en slavenhandelaar Anthonie Rühle en zijn Afrikaanse vrouw Jaba Botri. De familie Rühle is een bijzonder voorbeeld van een gekleurde familie die groot aanzien genoot en schatrijk werd, ook door de slavenhandel.
Jacob kwam ter wereld in Elmina (Ghana) op 28 mei 1751. Vader Anthony zorgde goed voor zijn zes kinderen, hij nam ze mee naar Suriname en Nederland en verschafte hen een goede opleiding.
Jacob was bijna tien toen hij in 1761 in de Amsterdamse Lutherse kerk werd gedoopt. Omstreeks 1769, toen zijn vader overleed, vertrok hij naar zijn geboorteland om in de voetsporen van zijn vader voor de WIC te werken. Hij werd magazijn- en fabrieksmeester, beheerde de voorraad en goederen en hield toezicht op de tot slaaf gemaakten in Elmina. Ook maakte hij privéfortuin in de slavenhandel en was rond 1790 de belangrijkste financier van het Nederlandse bestuur in Afrika. Hij zorgde ervoor dat een familiebedrijf werd opgezet, met grote bezittingen en handelsbelangen in Suriname. Na 1798 besloot Jacob naar Nederland te gaan.
Vanuit Amsterdam leidde hij het familiebedrijf vanuit dit pand waar hij woonde met zijn grote familie van diverse partners, kinderen en kleinkinderen."
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jacob Anthonisz. Ruhle | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Akusuwa Esson | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(3) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gerardina Elizabeth Hansen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||