zie ook: Plantage Suriname [via FaceBook] 12 december 2020 ·
Bedloo
Op de Labadistenkaart uit 1686 zien we de plantage van Starrenberg aan de rechteroever, en precies daartegenover op de andere oever de plantage van Satre Britt. Uit latere gegevens weten we dat dit de plantage Capoerica was. Stroomafwaarts lag de plantage van Willem Bedloo senior, ongetwijfeld Nieuw Timotibo.
Maar nu ontstaat een probleem. Want Nieuw-Timotibo ligt niet stroomafwaarts van Capoerica, maar juist stroomopwaarts, dichtbij de Bottelkreek die de Perica met de Commewijne verbindt. Toch blijkt uit latere archieven zonder enige twijfel dat Starrenberg & Brethon de eigenaren waren van Capoerica, en Bedloo van Nieuw-Timotibo. Nieuw-Timotibo is gewoon verkeerd geplaatst. De labadistenkaart, en alle latere kaarten die hun gegevens haalden van deze kaart, zijn hier in de fout gegaan. De eerste echt nauwkeurige kaart is die van Frederic de Witt ; hij toont de begrenzingen van alle plantages en geeft op die manier veel meer informatie dan de overige kaarten uit die tijd, waarop de plantages slechts werden aangeduid als een stipje met de naam van de eigenaar erbij. Uit De Witt’s kaart blijkt, dat de plantages aan de Perica toen al dezelfde vorm hadden als thans. Helaas is de legenda van de kaart verloren gegaan, zodat de naam van de eigenaar niet kan worden bevestigd.
Kind(eren):
(2) Hij is getrouwd met Margaretha Bodisco.
Toestemming voor het huwelijk is 8 mei 1691 verkregen te Paramaribo, Paramaribo, Suriname.
Zij zijn getrouwd op 30 mei 1691 te Paramaribo, Paramaribo, Suriname.Bron 4Kind(eren):
Noot: het Surinaamse geslacht Bedloo stamt af van Protestantse voorouders in Fankrijk die vanuit Middelburg emigreerden naar de kolonie en behoort tot een van de langst verblijvende families in het land. Zij koloniseerden Perica, bekend als 'een van de oudste plantage gebieden in Suriname'. Guillaume B. kwam waarschijnlijk naar Suriname in het laatste kwart van de 17e eeuw en had er een relatie met een vooralsnog onbekende vrouw, waaruit enkele kinderen werden geboren die in deze genealogie worden vermeld.
Gegeven het belang van deze geslachtslijn in Suriname is deze verder uitgewerkt, mede aangezien op het web slechts deelgenealogieën beschikbaar zijn (zoals die van Wijngaarde1971 ).
Nico Eigenhuis vatte de geschiedenis van deze geslachtslijn als volgt samen:
"Bedloo
De naam Bedloo is in Suriname verbonden aan onder andere plantage Nieuw Timotibo. De Bedloo’s toonden zich voorstander van het inzetten van ‘’Redi musu” tegen de Boni-marrons. Hun bekendste marron-jager werd Quassie , die van het Kwasibita die beloond werd voor zijn trouw aan de blanken.
Guillaum –Willem- Bedloo senior behoorde tot de groep Franse Hugenoten die met gouverneur Van Aerssen van Sommelsdijck naar Suriname kwam. Zijn plantage Nieuw-Timotibo was een suikerplantage aan de Perica. Hij was raadsheer van het Hof van Civiele justitie, en burgerkapitein van de divisie Cottica en Perica. In 1727 leidde hij een expeditie tegen de marrons in het Cottica-gebied. Hierna leidde hij in 1730 een grote expeditie tegen de Saramacca-marrons, maar hij was vanwege hun slimme guerilla-tactiek niet in staat enig succes te boeken. Willem Bedloo senior overleed in 1738 :
De Bedloo ’s waren de eigenaars van de tot slaaf gemaakte Quassie van Nieuw-Timotibo. Quassie (1692-1787) onderscheidde zich al spoedig als lukuman en kenner van de talen van Karaïben en Arowakken. Hij bezat bovendien een enorme kennis van kruiden en populariseerde het Quassie-bitter of kwasibita, een koortswerend middel. Na de grote expeditie van Willem Bedloo senior in 1730 ontving Quassie een gouden borstplaat met de inscriptie Quassie, trouw aan de blanken.
Guillaum Bedloo’s zoon Willem Bedloo junior (1734-1785) liet gouverneur Mauricius Quassie inschakelen om marrons te achterhalen en zou later gouverneur Nepveu adviseren om het corps te formeren van “Redi musu”. In 1755 werd Quassie gemanumitteerd voor door hem gevoerde onderhandelingen met marrons. Na zijn vrijlating vestigde Quassie zich op de plantage Capoerica, de buurplantage van Nieuw-Timotibo. De plantage werd in 1768 en 1771 aangevallen door de Boni-marrons, die vermoedelijk Quassie wilden elimineren. De aanslagen mislukten omdat beide keren Quassie afwezig was.
Een zus van Willem Bedloo junior met de naam Johanna Catharina Bedloo zou met de Zweed Carl Gustaf Dahlberg trouwen, die als militair naar Suriname kwam, en het er schopte tot onder-luitenant in 1748. Zij was als ‘weduwe Brouwer” in het bezit van de plantages Brouwershaven en Carlsburg. In 1753 werd Dahlberg verkozen tot raad van Politie en Criminele Justitie.
Dahlberg bezocht in 1754 zijn geboorteland Zweden waarbij hij het kwasibita meebracht dat hij onder de aandacht bracht van Carolus Blom, die er op promoveerde. Carl Linnaeus gaf het kwasibita de Latijnse naam Quassia amara. Ten tijde van de komst van militair Stedman naar Suriname in 1772 was Dahlberg in zeer goede doen. In 1781 overleed hij, en werd begraven in de Oranjetuin.
Over Willerm B. zie ook: Mirjam Vriend, 'Een Nijmeegs aandeel in de slavernij Triebels en Bedloo' in Sporen van slavernijverleden in Gelderland:
- De verbintenis met Suriname was begonnen in de zeventiende eeuw toen Willem Bedloo van Middelburg naar Suriname emigreerde. Hij werd regent en was daarnaast verantwoordelijk voor gewelddadige strafexpedities tegen mensen die van de slavenarbeid op de plantages waren weggevlucht naar het oerwoud om daar als vrije mensen te leven. Op 19 februari 1771 vielen volgens het gouverneurs-journaal circa tweehonderd “Wegloopers” Willems Plantage Hagenbosch aan en doodden de directeur.(1)
Het was de zesde aanval op plantages door de zogenaamde ‘Marrons’ in dat jaar. In 1827 vluchtten achttien slaafgemaakten van plantage d’Alyda.(2)
(1) J.Wolbers, Geschiedenis van Suriname (Amsterdam 1861), 144.
(2) Alex van Stipriaan, Surinaams Contrast. Roof en overleven in een
Caraïbische plantagekolonie 1750-1863 (Leiden 1993), 279.
Over een Guilliam B. nog de volgende mogelijke verwijzingen [pas op: er waren naamgenoten in deze periode]:
- dr. Guillaume Bidloo [*1653 - 1702 - 1710: lid Vroedschap van Rotterdam ; gecommitteerde namens Holland, Rotterdam, Admiraliteit in Zeeland ( 22 iii1707 - 5 i 1710) - † /[] Rotterdam 5 / 13 i 1710
bronnen voor de persoonsgegevens
Engelbrecht, E.A., De vroedschap van Rotterdam, 1572-1795 (Rotterdam 1973) 283.
Unger, J.H.W., De regeering van Rotterdam 1328-1892 (Rotterdam 1892) 537.
- Pieter Heijnriksz van der Vucht te Spijkenisse verklaart 300 gulden schuldig te zijn aan Guillaume Bidlo. Hij belloft het bedrag terug te betalen op 1 november 1660 met een rente van 6% per jaaar. Als borg treedt op Jan Gerritsz Dijckhofff, herbergier in het 'Wapen van Gorcom'. De procureurs bij het Hof van Holland Samuel Vileers, Gerrit van der Velde, Adriaen Copmeijer en Adriaen van Sterrevelt zijn gemachtigd in te grijpen als er juridische problemen zijn.
- Dirk Claesz Verduijn, varende man, verklaart 50 gulden schuldig te zijn aan Guillaume Bidlo. Hij belooft het geld terug te betalen op 4 juni 1661 met een rente van 5% per jaar. Heijltge Jans, weduwe van Maarten Dirksz treedt op als borg.
- "Guiljam Bidloo, 4-4 1692 te Rotterdam ( komt voor in het archief der Luthersche gemeente te Rotterdam); Guiljam Bedloo, burger van Rotterdam, verkoopt 15-12 1640 het huis en erve van ouds genaamd „Turkyen" op de Westhoek van het Marckveld aan de Haven te Rotterdam. Hij teekent zelf Bedloo, doch in de acte wordt hij Bidloo genoemd." "Doc.Bur" in DNL 1924 :p.219
- idem: de naamcombinatie GB kwam voor in Rotterdam en Den Haag en hun familiewapens tonen overeenkomsten. Er waren dus diverse naamdragers in Holland in de 17e eeuw
Dezelfde auteur beschrijft het familiewapen Bidloo/Bedloo van de Surinaamse tak voor: "Willem Bedloo, getrouwd met Anna Maria de Nijs, 27-3 1775 te Paramaribo, voert „gedeeld: I :3 leeuwen, II: 3 voorwerpen, die alhoewel niet al te duidelijk, toch eerder aan verticaal geplaatste knuppels' dan aan schaatsen doen denken."
Het is mogelijk dat er nog een broer van Guillam in de kolonie verbleef, aangezien op 15 xii 1734 Jacobus B. " 't regt van zijn ooms begraaving" moet betalen. Het is ook mogelijk dat dit een moeder's broer betreft; aangezien de moeder onbekend was, geldt dit ook voor haar broer.
De geslachtsnaam is ook verbonden aan tot-slaaf-gemaakten die ooit eigendom waren van een 'Bedloo'. De volgende personen zijn bekend uit Doopregister Suriname 1688-1792 Alleen de gekleurde bevolking en Overlijdensregister Suriname 1721-1789 Alleen de gekleurde bevolking:
Jettje* [mulattin van Sara Bedloo] -> Abraham Jacob van der Velt [~29 vi 1777; get.: Jacob Alexander van Bliekvelt -'kind zijnde vrije musties'- †...]
Dedo /Dido van Bedloo [vrije ] -> Hendrik [...] [~ 29 ix 1783 ; Getuige E.H. Ehrensteijn.- 'onecht mulatte kind' - †...] ]
de moeder van de vrije Dedo /Dido van Bedloo doopte op 2 viii 1792 met als getuige Hendrik Petrus Planteau de onechte kinderen:
-> 1.Carolina Albertina Zeegelaar [*6 xii 1785-- †...]
-> 2.Henrietta Zeegelaar [* 2 i 1787 -- † ...]
-> 3.Wilhelmina Zeegelaar [* 5 vi 1790 -- † ...]
-> 4.Johannis Zeegelaar [* 15 vii 1792 -- † ...]
Nannie van Bedloo [vrije] -> Christiaan Boewel [?] [~ 22 v 1788 ; Getuige en meter J.M. van Hoek- 'onecht mulatte kind' - †...]
Johanna [van den boedel] Bedloo -> Geertruida Eliza Demer [*Suriname ±1815 -†77jr- † P'bo 1 v 1892 te Maagdenstraat C 20 a.]
Guilliam Bedloo | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Onbekend | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1691 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Margaretha Bodisco | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||