Hij is getrouwd met Francijna Morre.
Zij zijn getrouwd op 20 mei 1688 te Breukelen, hij was toen 39 jaar oud.
Kind(eren):
711.99 Utrecht NH trouwen 1675-1692
Trouwinschrijving Gerhardt Hoeth en Francijna Mor, 02-05-1688
Aktedatum: 02-05-1688
Akteplaats: Utrecht
Bruidegom: Gerhardt Hoeth
Bruid:Francijna Mor
Attestatie tot Breukelen te trouwen op 2 mei 1688
Huwelijksplaats: Breukelen
Gezindte:Nederduits-gereformeerd (later Nederlands-hervormd)
Toegangsnummer:711 Burgerlijke stand gemeente Utrecht en van de voormalige gemeente Zuilen: retroacta doop- trouw- en begraafregisters
Inventarisnummer:99 Paginanummer:609
DTB_RHC_Vecht_Venen_1200.450 Breukelen NH trouwen
Trouwinschrijving Gerart Hoest en Fransina Moor, 20-05-1688
Aktedatum: 20-05-1688
Akteplaats: Breukelen
Bruidegom: Gerart Hoest (Hoedt), J.M. wonemde tot Utrecht
Bruid: Fransina Moor, J.D. wonende tot Breuckelen
Datum proclamatie:20-05-1688
Gezindte:Nederduits-gereformeerd (later Nederlands-hervormd)
Toegangsnummer:DTB_RHC_Vecht_Venen_1200 -
Inventarisnummer:450 Paginanummer: 42
https://hetutrechtsarchief.nl/collectie/6E60155B782283FBE0534701000AA6
4-4.613 W. VAN LAMSWEERDE
Attestatie Datering:01-03-1694
Samenvatting: dat portretten betaald zyn na taxatie van portret, geschilderd door Johannes de Baen
Attestant:Henrick Schoock, constschilder en Gerrit Hoet, constschilder
Rekwirant:Richard Terbrugghen
Notaris:W. VAN LAMSWEERDE
Toegangsnummer:34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
Inventarisnummer:613 Aktenummer: 75
Impost begraven Den Haag
4-12-1733 Gerrit Hoet, den ouden
https://hdl.handle.net/21.12124/D281E89C555145BDB6DFFBF7F81DA57C
34-4.1123 A. DE COOLE
Openbare verkoping
Datering:27-07-1715
Verkoper: Gerard Hoet , konstschilder
Koper: Johannes Monincx
Onroerend goed:huysinge; (oz Lange Nieuwstraat ) hoek Zuylestraat
Belendingen: ow: exploicteur NN van Wyk, ww: Elisabet Glandi
Gerecht:Utrecht
Notaris:A. DE COOLE
Toegangsnummer:34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
Inventarisnummer:1123 Aktenummer:198
.... het werk van de in Bommel geboren kunstenaar gerard hoet was in 1719 twee maal zo veel waard als het melkmeisje van Vermeer. Zijn vader hendrick hoet, tekende in 1640 een gedetailleerd stratenplan van Bommel, dat ge-bruikt werd in de atlas: toonneel der steden van Joan Blaeu....
Bron: 1 Juni 2013 uitgave van Stichting Bommelse Kunst Route Oplage Bommelse Kunstkrant
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Gerard Hoet
GeborenZaltbommel, 22 augustus 1648
Overleden Den Haag, 2 december 1733
Beroep(en) Kunstschilder
Gerard Hoet (I) (Zaltbommel, 22 augustus 1648 aldaar, 2 december 1733) was een Nederlands kunstschilder, etser, decoratieschilder en kunsthandelaar. Hij geldt als een belangrijke overgangsfiguur tussen de zeventiende- en de achttiende-eeuwse schilderkunst.
Leven:Hoet was de zoon van een glasschilder en leerling van Warnard van Rijsen (1625-1664), een pupil van Cornelis van Poelenburch. In 1672-1673 maakte hij een reis naar Parijs, waar hij een jaar verbleef, om via Brussel naar Holland terug te keren. Hij vestigde zich in Utrecht, waar hij deken van het gilde was en in 1696 samen met Hendrick Schoock een tekenacademie oprichtte. In 1715 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij lid werd van de Confrerie Pictura en samen met de Belgische kunstschilder Jacques Ignatius de Roore een handel startte in zeventiende eeuwse Hollandse schilderijen, een onderneming die later werd voortgezet door zijn zoon Gerard Hoet de Jongere.
Werk: Hoet was een typische overgangsfiguur aan het einde van de zeventiende eeuw naar de achttiende eeuw. Herkenbaar is de stijl van Van Poelenburgh en de italianisanten, alsook invloeden van de "elegante" Franse schilderkunst. Het meest bekend werd hij met taferelen uit de Bijbel en de klassieke mythologie (waarvan hij veel kennis had), vaak tegen de achtergrond van arcadische landschappen. Ook schilderde hij enkele herbergtaferelen, een beetje in de stijl van David Teniers II (wiens werk hij in Brussel kan hebben gezien), en diverse portretten, onder andere van Utrechtse professoren. Tijdens zijn Utrechtse periode maakte hij verder decoraties in de kastelen van Slangenburg en Voorst. Ook liet hij veel tekeningen en etsen na en illustreerde hij onder andere een prentenbijbel. In 1712 publiceerde hij een tekenleerboek.
Het Rijksmuseum Amsterdam heeft diverse werken van Hoet in zijn collectie. In 2016 verwierf het Haags Historisch Museum, met steun van de Vereniging Rembrandt, Hoets late werk Portret van de familie Quarles.
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW)
HOET (Gerard), schilder en etser, geboren 22 Augustus 1648 te Zaltbommel en overl. te 's Gravenhage 2 December 1733. Zijn vader, Mozes Hoet, die kort na 1665 overleed, was glasschilder. Gerard kreeg zijn eerste opleiding bij hem en vervolgens bij Warnar van Rijsen. In 1672 is hij wegens de politieke omstandigheden naar den Haag uitgeweken. Kort daarop maakt hij een reis naar Frankrijk. Hij woont een jaar in Parijs en keert over Brussel, waar hij eenigen tijd vertoeft, naar Holland terug. Hij vestigt zich te Utrecht, waar hij in het huwelijk treedt. In 1696 is hij deken van het gilde. In datzelfde jaar richt hij met Hendrick Schoock een teekenacademie op, die gevestigd was in een lokaal boven de Hieronymus-school. In 1714 is hij naar den Haag verhuisd, waar hij in 1715 lid van de confrerie wordt. Hij was een in zijn tijd gezien schilder, een typisch vertegenwoordiger van de overgangsperiode aan het eind van de 17e eeuw. Hij schilderde in den trant van Corn. Poelenburg, die de leermeester van Warnar van Rijsen was geweest, arcadische landschappen met herders, nymfen en satyrs. Onder zijn werk, dat zelden gedateerd is, treffen wij ook historische voorstellingen aan en muur- en plafondschilderingen. Enkele herberg-interieurs vormen een geheel afwijkend element in zijn oeuvre. Zij zijn geschilderd in den trant van D. Teniers, wiens werk hij op zijn reis kan gezien hebben. Het is mogelijk dat hij dit genre leerde kennen van de rotterdamsche schilders, o.a. Bloot, H. Sorgh en Saftleven, die zich naar de zuidelijke meesters richtten. Hoet heeft veel portretten geschilderd en geteekend, o.a. van utrechtsche professoren. Hij heeft geëtst en o.a. meegewerkt aan de uitgave van J. v.d. Marck's prentenbijbel. Als leermeester gaf hij een boek over de kunst van het teekenen uit. Tot zijn leerlingen behoorden J. van Bunnik, die in 1671 bij hem werkte en waarschijnlijk Nic. (2) van Ravesteyn. Zijn zoon Gerard, die ook schilderde, was voornamelijk kunsthandelaar.
Zijn portret bestaat als prent door A. Schouman en door J. Houbraken.
De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (3 delen)
(1976)Arnold Houbraken Auteursrechtelijk beschermd
GERARD HOET, geboren te Bommel, in 't jaar 1648. den 22 Angustus, naar den styl toen in Gelderland gebruikt. Zyne neiging was van zyn tedere jaren al tot de Konst, waar in hem te pas kwam, dat zyn Vader een glasschilder was; dog eer hy nog kon teekenen, wist hy de letters van het A B al te maaken, schoon hy haaren klank niet kende. Op zyn zevende jaar maakte hy eene historie op glas, die hem door een ander uit Ovidius voorgeleezen werd, om dat hy zelf nog niet leezen kon. Zyn Vader besloot hier uit dat hy een schilder stont te worden, en zette hem aan tot naarstig teekenen: dog hy vond voor zyn zestiende jaar geen gelegenheid om het schilderen te leeren; maar toen quam Warnar van Rysen te Bommel woonen, daar hy maar een jaar by leerde, om dat van Rysen, door verhuizen, geen gelegenheid meer had om iemant in zyn huis te onderwyzen. Weinig tyd daar na, quam de Vader van Hoet te sterven, waar door hy zig verpligt vond zyn Broeder te helpen in 't glasschilderen. Eyndelyk quam het rampzalige jaar van 1672. dat alles deed stil staan, waarom zig Hoet naar den Haag begaf. Midlertyd quam onder de Fransen een Overste Salis genoemt, een liefhebber van de Konst, die alles kogt wat hy van Hoet by zyn Moeder vont, en verzogt haar, hem uit den Haag te ontbieden, om voor hem te schilderen, 't welk daar na, in 't Land van Kleef, te Rees, volbragt werd, daar de Overste in bezetting lag. Hy vond daar eenige jonge schilders van Utrecht, als, Jan van Bunnik, Justus Nieuwpoort en Andries de Wit. De laatst gemelde, ziende den ryken geest van Hoet, tragte altyd hem by zig te hebben. Deze de Wit was derhalve oorzaak, dat Hoet van hem als voorgeloopen, te Utrecht by den Heer van Zuilen wierd ontbooden, ook naderhand in den Haag en te Amsterdam. Dit quam van zyne gebrekkelykheid in het ordineren, dewyl Hoet hem dan schetsen die geschildert waren en teekeningen gaf, waar meê hy zig behielp. Hoet ging na eenigen tyd naar Vrankryk, daar hy alrede zynde, door een brief van zeker Marquis ontbooden werd, om dat men hem hadde wys gemaakt, dat hy nog in Holland of te Utrecht was. Hy sprak met dien Marquis verscheide maalen, maar 't quam echter op niet uit, door dien hy door onvermogen, en zyn Vrouw, belet wierd, Hoet aan zyn huis te neemen volgens zyn beloften. Eyndelyk wilde de Marquis hem aan den Prins van Conti recommandeeren, dat ook vrugteloos afliep, om dat de Prins te laat aan 't huis van den Marquis quam, om hem de Konst te laaten zien. Met tusschen komen van den Marquis was het te laat in 't jaar geworden om van Parys te vertrekken, waarom Hoet eenige Landschappen aan nam te etsen, dat hy niet in den gront verstond, naar schilderyen van Françisque Milée. Daar na nam Hoet voor naar Engeland over te steeken. Hy schreef daarom voor af een brief aan Vorsterman, om te mogen weten hoe het daar met de Konst stond, en kreeg tot antwoord: dat hy zelf in Vrankryk zoude willen overkomen, indien hy zyn geld van 't Engelsche Hof had. HOET vertrok derhalven van Parys na wat meer als een jaar verblyfs, met voornemen van t'Antwerpen eens te zien, wat daar te doen was. Dog te Brussel gekomen, werd hem door Adriaan Boudewyns, braaf Landschapschilder geraden, daar eenigen tyd te blyven, als zynde het daar alzoo goet voor de Konst, of beter dan te Antwerpen; 't welk
hy deed, en het viel te beter uit, om dat 'er alreeds eenige dingen van Utrecht onder de liefhebbers waren gekomen. Hy hield zig daar omtrent acht maanden op, en ging tegen den winter weder naar Bommel, daar hy naauwelyks gekomen was, of hy wierd al weder te Utrecht by den Heer van Zuilen ontboden, die hem gaarn verpligt had, om in 't Sticht te blyven; dog hy keerde den volgenden Zomer weder naar Brussel, daar kort daar na alles weder in roere raakte. Weder te Utrecht gekomen, schilderde hy eenige dingen voor den Heer van Heemstede, en trouwde weynig tyd daar na met zyne tegenwoordige Huisvrouw, en zette zig daar ter neer.
In den jare 1697. had HOET tot voortzetting van de Konst, nevens Henrik Schook, aan den Magistraat der Stad verzogt, uit naam van het Schilders Colegie, een zogenaamde Academie of Tekenschool te mogen verwerven, tot Stads kosten. HOET maakte nevens Adolf Reets een dicht by die gelegenheid, tot aanwyzing van dat werk. Dog de last van dit Tekenschool quam alleen op hem aan, en hy heeft het verscheyden jaren uit liefde tot de Konst waargenomen. Wat belangt de Schilderyen die hy gemaakt heeft, die zyn te vinden op Slangenborg, waar onder eenige dingen zyn die van kenners gewraakt zouden kunnen worden, om dat hy dien Heer, die wat eigenzinnig was, niet kost verzetten in zyn bevattinge. Ook heeft hy te Voorst in het Huys van den Graaf van Albemarle aan den grooten trap opgeschildert eenige dingen die van anderen onvoltooit waaren gebleeven. By den Heer Griffier Pester te Utrecht, is een Zolder van hem geschildert, ook een by den Heer Noiret. Wat de kleene dingen belangt die zyn zoo wel niet aan te wyzen, om datse te dikwils van eigenaar veranderen. Ook heeft hy een Zaal van den Heer van Mollem, te Utrecht buyten de Weere Poort geschildert. De miltdadigheid van dien Heer wist hy niet genoeg te roemen, nadien hy van hem, boven het geëiste, nog een somme gelds vereert kreeg.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.