Doop Garrit Banninck, 12-10-1717. Doopplaats: Gelselaar. Dopeling: Garrit Banninck Moeder: Trientien Tecklenborg. Vader: Garrit Banninck.
[GB In 1811 neemt Reint, de zoon van Garrit, de pacht over van de Lebbenbrugge. Waarschijnlijk is Garrit kort daarvoor overleden]
Er ist verheiratet mit Aeltjen Leerink.
Die Erlaubnis zur Eheschließung wurde am 7. Oktober 1747 in Borculo erhalten.Quelle 2
Sie haben geheiratet am 29. Oktober 1747 in Borculo, er war 30 Jahre alt.Quelle 3Huwelijk Aeltjen Leerinck en Garrit Banninck, Bruidegom/bruid: Aeltjen Leerinck, Garrit Banninck. Vader bruidegom/bruid: Arent Leerinck , Garrit Banninck.
Kind(er):
Garrit (geb 12.10.1717, ovl 29.12.1769) en getrouwd met Aaltjen Leerink, laat op 18.2.1750 zijn dochter Aaltjen dopen in Borculo. In de doopakte wordt de vader Garrit Banninck van de Lebbenbrugge genoemd. Aaltjen overlijdt in 1754. Reint wordt op 5.12.1751 geboren en zijn zus de vierde Aaltje in de reeks kinderen, die wel in leven blijft op 13.1.1760.
De Lebbenbrugge ligt aan één van de hessenwegen in de Achterhoek en hoorde toen bij de Heerlijkheid Borculo. Al wie van het Oosten en het Zuiden, Münsterland, kwam en naar Deventer of Zutphen wilde of andersom, moest ergens de Berkel over of de Slinge, die bij Borculo Lebbinkbeek wordt genoemd. Het lijkt dan logisch dat daar tol betaald moest worden. En zo hebben de staten van Gelderland dat recht in 1679 verleend aan de Heerlijkheid Borculo, die dat vervolgens verpachtte. En kennelijk heeft Garrit, die, ook als enig kind, niet op het erf bij zijn ouders kon of wilde blijven de pacht van de Lebbenbrugge verworven.
De Lebbenbrugge wordt zo midden 1700 een katersteede genoemd. In feite is het dan al een combinatie van hofstede, herberg en tolhuis. Garrit is dus boer, herbergier en tolgaarder.
Wanneer en hoe Garrit op de Lebbenbrugge is gekomen is niet bekend en na zijn dood is de pacht kennelijk overgegaan op Aaltjen Leerink zijn vrouw en mogelijk op Reint zijn zoon. Want in stukken van het Oud Rechterlijk Archief van Borculo, die zijn samengevat door J.G. Vos vinden we dat Reint in 1811 de pacht heeft verkregen. Als de pacht in 1835 bij Gerrit Leusink terecht komt, neemt Leusink de pacht over van Aaltjen Bannink, de zus van Reint. Reint is immers in 1820 al overleden en Aaltje leeft tot 1836.
Nazaten van Reint vinden we via Evert terug in Gelselaar en via Geert in Lemperhoek en later Noordijk.
De eerste gedachte, als je leest over de pacht van een tolhuis, is dat je kostje gekocht is en dat het een vetpot zal zijn. Immers je hebt tol, je hebt verteringen en logies in je herberg. Niets is minder waar. De schaal is van een zeer geringe omvang. De tolgaarder van eind 1600 heeft veel schulden en ook tegoeden en daarover wordt heftig geprocedeerd bij de rechtbank. En we vinden dan, bij een van de eisen, dat er op de Lebbenbrugge bijvoorbeeld drie koeijbeesten, twee kalver, twee varkens en 14 bedden zijn.
De pacht, die werd verleent door een meier, die weer was aangesteld door de Heer van Borculo, was niet mis. Reint betaald 20 gulden voor het huis, de schuur en het bakhuis. Voor de tol 140 gulden. En het land wordt belast met de zware garf. Dat betekent, dat hij 40 % van het koren moet afdragen. Van elke 5 garven dus twee stuks. En hij mocht geen aardappelen verbouwen, alleen garfbaar koorn. En hij moest zo dicht mogelijk langs de heg ploegen. Vetpot??
Anekdote
In een van zijn verhalen " 't Boertjen van 't Wakelslag en n' duvel", vertelt Hendrik Odink, dat een boer, wiens huis was verbrand, van de duivel een nieuwe boerderij kreeg. Maar als tegenprestatie moest de duivel alles hebben wat boven de grond van de boer groeide. De boer verbouwde enkel aardappels en daar, over wat onder de aarde groeit, niets in het contract stond, hield de boer de aardappelen en kreeg de duivel het loof. Dat gaf moeilijkheden en het volgende jaar werd de boel omgedraaid. De duivel zou alles hebben wat onder de aarde groeide. Maar toen werd het rogge en moest de duivel genoegen nemen met de stoppels. Het derde jaar was de overeenkomst, ieder de helft van alles, op of onder de aarde. De boer verbouwde vlas en toen de duivel in de herfst zijn aandeel kwam ophalen, kreeg hij de "scheven", vlasafval dus. Dat zullen we straks in de boerderij wel eens bekijken…….
Bronnen
J.G. Vos, De Lebbenbrugge. Uitgegeven door de H.W. Heuvel stichting
G.H. Luiting, Een Winterwijkse tolgaarder op de Lebbenbrugge
A. Rechterlijk archief Stad en Heerlijkheid Borculo:
mv. nr. 92 Stadgerichtsignaat, 1692-1697;
mv. nr. 195 Landgerichtssignaat, 1693-1697;
mv. tir. 409 Protokol van opdragten en bezwaren ten landgerichte, 1689-1696;
mv. ni. 410 Protokol van opdragten en bezwaren ten landgerichte, 1697-1701
B. Rechterlijk archief der Heerlijkheid Bredevoort:
mv. tir. 152 Judicieel protocol van het ambt Bredevoort, 169 l-1692;
mv. ni. 154 Judiciecl protocol van het ambt Bredevoort, 1696-1698.
C. Rechterlijk archief Zutphen:
lnv. tir. 356 Kentenisboek of protokol van voluntaire akten, 1689-1698;
mv. tir. 372 Protokol van transporten en vestenissen, 1690-1697.
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Kerkelijke gemeente: Gelselaar Gelders Archief Toegangsnummer: 0176. Inventarisnummer: 343 Pagina: 43 Volgnummer op pagina: 5
07.10.1747 Den 7 oct. - GARRIT BANNINCK s. van Garrit Banninck en AELTJEN LEERINCK j.d. van Arent Leerinck. Cop. hic den 29 october.
Nederduits Gereformeerde Gemeente BORCULO Trouwboek 1721-1771 (R.B.S. 323) Tijdvak 1744-1771