van Oostwold
tussen apr 1584 en mei 1584
hoogleraar, raadsheer, lid van Gedeputeerde Staten, lid van de Hoofdmannenkamer, curator der Universiteit te Groningen, burgemeester te Groningen van 1627 tot 1638
Hij is getrouwd met Anna Maria van Starckenborgh.
Zij zijn getrouwd op 18 maart 1624 te Groningen, Groningen, Nederland.
Kind(eren):
Prof. Dr. Jonker Johannes Eppinus Huninga van Oostwold (Bron: Gr.Alm.)
Uit: "De Ommelander Borgen en Steenhuizen, door Wiebe Jannes Formsma, R. A. Luitjens-Dijkveld Stol, A. Pathuis, H.A. Heidinga. 1987. VanCorcum". Betreft een citaat van Emmius uit: "H. Brugmans en F. Wachter, Briefwechs el des Ubbo Emmius, Aurich 1911, II, blz. 160":
-------------------
"Uit het Oldambt bereikten de Huninga's de top. Johan Huninga behoorde tot de eerste professor van de Groninger universiteit. In 1620 verwisselde hij het professoraat voor het raadheerschap te Groningen. Daarnaast treffen we hem in 1628 aan als jonker en hoofdeling te Garsthuizen. Emmius typeert zijn familie goed, wanneer hij in 1613 schijft dat hij tot die geslachten behoort, waarvan de nakomelingen thans tot de adel behoren; zijn familie behoort echter tot de eigenerfden, die het land bebouwen. Blijkbaar werkte het oude aanzien als voormalig Oldambster hoofdeling nog zo na, dat Johan via professoraat, raadsheerschap, hoofdelingschap als jonker kon worden erkend en met een Tjarda van Starkenborgh kon trouwen.".
Beroepen, functies, titels
Johan is burgemeester geweest van Groningen, professor aan de universiteit van Groningen, Raadsheer, is lid geweest van de Gedeputeerde Staten en de Hoofdmannenkamer en Curator aan de universiteit van Groningen. Ook komt hij voor als jonker en hoofdeling van Garsthuizen. Rond 1630 bezit hij het land naast de kerk van de "Huningaheerd" in Oostwold (BBB 115). Uit archeologische vondsten wordt verondersteld dat er mogelijk een borg op deze plaats heeft gestaan.
De eerste studenten van de Groningse hogeschool kunnen uit een collegeaanbod kiezen dat gegeven wordt door zes hoogleraren: Ubbo Emmius (1547-1625), hoogleraar in de geschiedenis en de Griekse taal, Herman Ravensperger (1568-1625), hoogleraar in de godgeleerdheid, Cornelis Pijnacker (1570-1645), hoogleraar in de rechtsgeleerdheid, Johannes Huninga (1538-1639), buitengewoon hoogleraar in de rechtsgeleerdheid en Nicolaas Mulerius (1546-1630), hoogleraar in de geneeskunde, wiskunde en sterrenkunde. Wie de zesde persoon is wordt niet helemaal duidelijk.
Johan heeft een beroemd "In Memoriam" voor Eggeric Egges Phebens (geb. rond 1556) geschreven, een bekende Groninger geschiedschrijver uit Midwolda, provinciale raadsheer en hoofdman. In dit levensverhaal documenteert hij veel over de voorouders van Eggeric Phebens, waar hij de achterneef van is. Eggerick is ook rechtsgeleerde geweest en sterft op 12 november 1615 (Kronijk van Eggerik Egges Phebens van 1565-1594, uitgegeven door Mr. H.O. Feith.).
--------
Enkele documenten waarin hij wordt genoemd
Beerta: Fol. 6 - 23 december 619:
Johannes Huninga, der beiden recht en doctor und professor met volmacht van Eppo Aielke Huninga en Etjen Engelkens, zijn ouders, verset de heerd land in de Beerta daar Ludo Ubbens op woont, aan Ludo Ubbens, caverende voor zijn vrouw Foelke. Ten oosten Botto Hinrichs (= erfgenamen), ten westen Frans Edsens, strekkende van 't Jamme an Ulsda. Tijd: 10 jaar. Prijs: 2000 Emder gld. Getuigen: Wapko Tammens en Edsart Tammens.
Beerta: Fol.15 - 15 mei 1639:
De e.e. Johan Huninga van Oostwold, voor zichzelf en voor de andere geïnteresseerden van Finsterwolder en Oostwolder meer, ter ener en Jawo Louwerts, Henrijck Dercx, Nantko Waldrijcx en Mello Feckens volmachten van die Beerta ter andere zijde. Bekennende, hoe dat se nu een tijtlanck quaestie hebben gehat over de wateringe vant voorgeschreven meijr, langs de Tjamme lopende ende versegelinge daervan in februario anno sestienhondert ses ende:
1o - dat voorß volmachten haer conformieren mettet gene voor desen in febru ario anno destienhondert ses ende dertich is veraccordiert, welverstaen de soveel aengaet de uutwateringe van 't meir alleene ende van 't gene tu sschen de Hardenborger huisen ende Beerster pastorije-nije-wech is gelegen, sulcx dattet ander lant, ten noorden ende westen van Hardenborch ende suiden ende westen van voorß wech liggende, daervan sal bliven uut geslot en ende tot dien einde van welgedachte Huninga in sijn qualiteit door grontpompen eerddammen sal worden affgependet.
2o - Dat daervoor welgemelte Huninga alß voorge-schreven tot sinen lasten neemt het verdiepen van 't diep offte Tjamme van Poppo Alertslant tot aen 't Grote Diep ende sulcxa en de Beerster sijdt so veele hij tot de affwateringe van sine ende de na estgelegene Beerster landen affwateringe nodich sal bevinden.
3o - Als me de tot sinen lasten neemt het leggen van de pompe in de schuttenwech van Finserwolt gaende als hij tot doorwateringe so van sijn als der voorß Beerster landen goet sal vinden.
4o - Ende indien door dese affwateringe het meir sulcx konde afflopen dat men het voorß meir niet langer sulde mot en offte behoven te bemalen, sal alsdan welgemelte Huninga met consorten betalen behoorlijc sijlschot nae redlichheit ende qualiteit van 't lant ende lasten van dien, alles tot seggen van gode mannen elcke sijds te kiesen.
5o - Doch deses alles met dese conditie, dat door dit water die Beerster landen niet beschadiget offte met water overlopen worden, 't welck indien boven verhoop mogte geschieden, sal dien van die Beerte vrij ende op en bliven het selve recht van stouwinge offte oock dam in(?) snitinge teg ens dit meirwater, als deselve tegens de van Winschote ende Blijham, dus lange hebben gebruickt.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Johannes Eppinus Huninga | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1624 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Anna Maria van Starckenborgh | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.