Jan Pieter is begraven op het Ereveld Pandu (tot 1994) in Bandung.
(1) Hij is getrouwd met Cornelia Ngawine Milder.
Zij zijn getrouwd op 28 augustus 1913 te Bangil, hij was toen 22 jaar oud.
Het echtpaar is op 26 september 1918 gescheiden.
(2) Hij is getrouwd met Anna Amalia Elisabeth Hagedoorn.
Zij zijn getrouwd op 3 januari 1921 te Singapore, hij was toen 29 jaar oud.
Kind(eren):
Jan Pieter en zijn zus Jeanne Louise Constance hebben hun vader Theodoor nauwelijks gekend doordat hij in 1903 het gezin verliet. Jan Pieter werd daarna opgevangen in het gezin van zijn tante Justine Adèr, getrouwd met de marineofficier Willem Hendrik Christoffel Hoog. De dochter Jeanne Louise Constance was al eerder (na een ernstige ziekte) met haar moeder naar Nederland gegaan en bij haar grootouders Van der Eb gebleven.
Jan Pieter heeft samen met Willem Hoog junior de middelbare school doorlopen. Daarna volgde Jan Pieter het voorbeeld van zijn grootvader Jan Pieter van der Eb en ging naar de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda, waar hij in 1912 voor de Genie afstudeerde. Zijn grootvader Jan Pieter van der Eb ging met zijn vrouw en kleindochter in Breda wonen. Zij raakten dik bevriend met de familie Milders. Omdat hij voor effectieve dienst werd afgekeurd liet Jan Pieter zich inschrijven aan de Technische Hogeschool Delft (nu Universiteit Delft). Tijdens zijn studie raakte Jan Pieter verliefd op Cornelia Gnawina Milders (geen data bekend), een dochter uit de bevriende familie Milders. De ouders van Cornelia Gnawina gingen eind 1912 naar Nederlands-Indië. Door noodkreten van Cornelia Gnawina Milders brak Jan Pieter zijn studie in Delft af en ging in 1913 naar Nederlands-Indië om zijn geliefde te huwen en te gaan werken bij de Staats Spoorwegen. Zijn moeder Elisabeth Margot van der Eb (1864-1955) en zijn zus Jeanne Louise Constance (1892-1980) volgden hem in dat jaar naar Nederlands-Indië.
Het huwelijk met Cornelia Gnawina werd in 1918 beëindigd doordat zij een ander volgde.
In 1921 trouwde Jan Pieter met Anna Amalia Elisabeth Hagedoorn. Uit dit huwelijk werd op 20 december 1922 een zoon geboren: Robin Adèr.
Jan Pieter Adèr was een verdienstelijk violist. Regelmatig musiceerde hij, ook voor publiek, met vrienden in strijkkwartetten en strijkkwintetten. In de laatste brief (10 maart 1940) die hij schreef aan zijn zus Jeanne Louise (Wies) Constance in Den Haag vertelt Jan Pieter dat hij eerste violist is gemaakt in zijn strijkkwartet en dat hij nog wel eens een mooie viool zou willen hebben. Ook droomt hij ervan om na zijn pensionering in Holland met Wies pianokwintetten te spelen van Schumann, Dvorak en Caesar Franck en het pianokwartet van Beethoven.
Jan Pieter Adèr voetbalde graag en was doelman in het veteranen-elftal van de Sport Vereniging van de Staats Spoorwegen.
J.P. Adèr had zitting in een gouvernementele Commissie die tot taak had de verkeersproblematiek in kaart te brengen en adviezen uit te brengen over verkeerscoördinatie. Voorts had hij zitting in de afdeling Bandoeng van de Nederlandsch Indische Nieuwe Economische Studiegroep (NINES). In die hoedanigheden trad Jan Pieter op als publicist.
Ook was hij lid en voorzitter (1940-1941) van de Rotary Club Bandoeng. Bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1939 werd Jan Pieter Adèr benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.
J.P. Adèr trad in 1913 in dienst bij de Staatsspoorwegen in Nederlands-Indië. In augustus van datzelfde jaar werd hij benoemd tot aspirant-adjunct chef van de vierde afdeling benoemd. Bij het dienstvak Beweging- en Handelszaken voerde hij het beheer over verschillende Inspectieafdelingen. De benoeming tot Inspecteur 1e klasse volgde in 1925. In 1929 werd J.P. Adèr van het Inspectiekantoor te Weltevreden (Batavia) naar het kantoor van de chef Exploitatie Westerlijnen te Bandoeng overgeplaatst en in mei van datzelfde jaar tijdelijk belast met de waarneming van de betrekking van afdelingschef bij die exploitatie. In 1931 werd hij benoemd tot chef van de vierde afdeling van de exploitatie der Oosterlijnen van het Java-bedrijf der Staatsspoor- en Tramwegen te Soerabaja. In 1933 werd J.P. Adèr benoemd tot chef der Exploitatie der Oosterlijnen van het Javabedrijf. In oktober 1936 volgde de benoeming tot hoofd van verkeer- en handelszaken. In 1938 werd J.P. Adèr belast met de waarneming van de betrekking van fungerend Hoofdinspecteur, Hoofd der Staatsspoorwegen in verband met het verlof naar Europa van de Hoofdinspecteur H. van Galen Last. Vanaf 30 december 1940 volgde J.P. Adèr H. van Galen Last op als Hoofdinspecteur (de hoogste functie bij de Staatsspoorwegen).
In deel 11b van zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog schrijft dr. Lou de Jong: ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog onder Japanse bezetting werden groepen Nederlanders en Indische Nederlanders door de Kempeitai op losse gronden beschuldigd van sabotage of het treffen van voorbereidingen voor sabotage of voor andere verboden activiteiten. Zo werd eind 1942 op een spoorwegemplacement te Poerwokerto een hoeveelheid dynamiet ontdekt die daar was achtergelaten door het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger en waar niemand naar had omgekeken. Conclusie van de Kempeitai: er wordt sabotage voorbereid! Een aantal (...) hogere functionarissen van de Staatsspoorwegen onder wie het vroegere hoofd van de afdeling verkeers- en handelszaken van de directie, J.P. Adèr, werden uit de Soekamiskin-gevangenis bij Bandoeng naar Poerwokerto overgebracht. Adèr werd ervan beticht dat hij in opdracht van hoger geplaatsten opdracht had gegeven een spoorweg-sabotage voor te bereiden volgens kennelijk al voor de oorlog vastgestelde plannen. (...) Het is niet bekend tot welke vonnissen de vondst van het dynamiet te Poerwokerto heeft geleid.’
In ieder geval werd J.P. Adèr vanaf 13 juni 1942 gevangengehouden in de Soekamiskin gevangenis te Bandoeng, waar hij op 25 mei 1945 overleed. Tijdens zijn gevangenschap heeft Jan Pieter kans gezien op dunne blaadjes papier zijn inzichten te verwerken in een verhandeling getiteld 'Het Verkeerswezen na den oorlog'.
Jan Pieter Adèr is overleden aan de gevolgen van de martelingen die hij in de Soekamiskin gevangenis heeft moeten ondergaan. Hij is begraven op het Ereveld Pandu (graf 671/1) in Bandung (tot 1994). Het graf is door het personeel van de Staatsspoorwegen voorzien van een deksteen.
Bron: Stamkaarten van Oost-Indische Ambtenaren Folio 666 en 736 en deel 11b van het standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Staatsuitgeverij en Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie)
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jan Pieter Adèr | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1913 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Cornelia Ngawine Milder | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1921 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Anna Amalia Elisabeth Hagedoorn | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.