Ook bekend als: Cristovao de Tavora (Christen naam)
& Jose Nunes da Fonseca (Handelsnaam)
David werd eerst in Brazilie -Mauritsstad (bij Recife) geinstalleerd als jurator (notaris).
Enkele jaren later, door de Spanjaarden verdreven, verstigden zij zich in Cayenne (later: Frans Guyana). Toen de Fransen hen verdreven, vestigden zij zich in Jodensavanne, stroom opwaarts aan de Surinamerivier (Gran Rio).
Daar werd de Portugees Joodse (Sephardische) gemeenschap opgebouwd rond de eerste stenen Synagoge: Berachah Ve Shalom (Zege en Vrede). In 1691 kreeg de nederzetting haar wettelijke status.
In de achttiende eeuw bereikte de bloei van de gemeenschap rond Jodensavanne een hoogtepunt. Velen waren aangesloten bij een loge van de Vrijmetselarij.[Jannes Mulder: Vrijmetselarij in Suriname; THOT 2010-4]
In 1683, when the first Governor of Suriname boated up the Suriname-river Jodensavanne was prosperous. Van Sommelsdijck found twenty-five houses and a fortress in Paramaribo, one hundred houses in Thorarica (at that time still the capital ofSuriname) and in Jodensavanne, sixty houses. In 1684 Jodensavanne counted 105 Jewish men, 58 Jewish females and 69 children, with 543 male slaves and 429 female slaves. A few “Amerindians” – some also kept in slavery, most however free people – also lived at Jodensavanne. In that year, Jews were a quarter of the European population of Suriname. At a later stage also a small number of German (Ashkenazic) Jews seemed to have lived at Jodensavanne. They came there by marriage. In 1694 the number of Jews living at Jodensavanne had risen to 570. At that time they owned 40, mainly, sugar plantations on which 9,000 slaves laboured. In 1730 Suriname had around 400 plantations, of which 115 were in Jewish possession.
bron: Suriname nu / femilie Nassy
De Joodse immigratie in Suriname kende echter verschillende “golven” en begon rond 1640 met een groep Portugese joden. In 1659 kreeg “David de Leider”, de Sefardische Jood Joseph David Cohen Nassy (1612-1685), toestemming van de West-Indische Compagnie een kolonie te stichten in Cayenne, het latere Frans-Guyana.
Vijf jaar later in 1664 werd Cayenne echter door de Fransen op de Hollanders veroverd en hierna vestigde hij zich met zijn groep in Suriname te Cassipora. Dat lag enkele mijlen stroomopwaarts voorbij de voormalige hoofdstad Torarica.
Vervolgens vestigde hij zich ook te Jodensavanne, ten noorden van Cassipora aan de rechteroever van de Surinamerivier. David Cohen Nassy had meerdere bijnamen: Cristovão de Távora (zijn christelijke naam) en José Nunes da Fonseca (zijn handelsnaam).
David Nassy’s zoon Samuel Nassy is een andere belangrijke figuur uit de vroege geschiedenis van Suriname. Hij was planter, koopman, en burgerkapitein van de joodse natie. De plantage Ornamibo was in 1678 in zijn bezit.
Hij sprak de indiaanse talen en was een belangrijke schakel in de communicatie tussen de overheid en de indiaanse bevolking. Alle opeenvolgende gouverneurs maakten gebruik van zijn kennis en inzicht. In 1684 werd Samuel Nassy aangesteld als juratorwaardoor hij de eerste Joodse notaris was op het westelijk halfrond.
Nadat de Hugenoten (Hernhutters) zich in Suriname vestigden werd in 1691 door gouverneur Johan van Scharphuizen de zondagsrust ingevoerd. De joodse planters –die op zaterdag met de Sabbath hun rustdag kenden- kregen in ruil voor het ‘opofferen’ van de zondag als werkdag hun officiële rechten op vestiging in de kolonie.
Er ist verheiratet mit Ribca (Maria) Drago.
Sie haben geheiratet rund 1635 in Amsterdam, NH, NL.
M Jeosuah de David Cohen Nassy ca 1635-
M Josseph de David Cohen Nassy ca 1640-/1695
M Jahacob de David Cohen Nassy ca 1650-
M Mosseh de David Cohen Nassy ca 1650-
M Semuel de David Cohen Nassy ca 1650-
Kind(er):
David Nassy, die eerder plantage-eigenaar was in Nederlands-Brazilië, was de belangrijkste initiatiefnemer van de vestiging van sefardische joden in de Guyana’s. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Nassy dé (of een van de) founding fathers van Suriname was. Aanvankelijk vestigde de groep rond Nassy zich in Cayenne, in het huidige Frans-Guyana. Na de verovering van deze kolonie door de Fransen in 1664 vertrokken de joodse families naar Suriname. In deze toen nog Engelse maar vanaf 1667 Nederlandse kolonie groeide en bloeide de sefardische gemeenschap. Zij genoten een grote religieuze vrijheid, groter dan in Amsterdam. Maar de welvaart was grotendeels gebaseerd op de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. David Nassy en later zijn zoon Samuel Cohen Nassy stichtten niet alleen plantages, maar waren ook grootschalige importeurs van gevangen Afrikanen, zo blijkt uit een van de akten die Raymann ontving over het contract tot levering van ‘Een hondert veerthien stucx negros’ aan het ‘eijland Caiana’, dat Nassy tekende met de WIC op 25 september 1659.
De belangrijkste akte wat mij betreft is twee weken later opgesteld bij een Amsterdamse notaris. In deze akte verklaarde Nassy dat een ‘Debora sijnde een bruijn vrouwspersoon ofte mulata’ aan ‘niemants slavernije onderworpen’ is. Integendeel, zij is Nassy’s ‘huijse in vrijheijt geteelt & gebooren & als soodanigh oock opgevoet’. Hoewel het niet expliciet vermeld werd, wijst alles er op dat Debora een dochter van David Nassy is, verwekt bij een zwarte vrouw. Debora stond op het punt om met een(andere) dochter van David Nassy, Sara, naar Cayenne te vertrekken. De verklaring werd waarschijnlijk opgesteld om te voorkomen dat zij in daar door iemand voor slaaf werd aangezien of zelfs tot slaaf werd gemaakt.
David Joseph Cohen Nassy | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
± 1635 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ribca (Maria) Drago | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Die angezeigten Daten haben keine Quellen.