Er ist verheiratet mit Hendrika KRAA.
Sie haben geheiratet in Enter.
(Gerrit Kraa:) Over Hendrik Leijendekker, gehuwd met Hendrika, de dochter van Hendrikus en Dina, vertelde mijn vader een verhaal dat zich afgespeeld moet hebben omstreeks 1860. Na de dood van zijn vrouw Hendrika (zij liet een kind na) hertrouwde Leijendekker met een Van Uitert uit Enter, een familie van paardenhandelaren.. Dergelijke handelaren hadden een slechte naam. (Ze ver¬kochten bv. een paard dat blind en kreupel was. Vroeg de klant: ‘Man¬keert dat paard wat?’ dan gingen zij vóór het paard staan en zeiden: ‘Ik sta voor alle gebreken.’) Goed, Leyendek¬ker, dus. De oom van zijn tweede vrouw, een Van Uitert, dus, had in Goor ook een streek uit¬gehaald. Daarvan was een groen¬teboer het slachtoffer gewor¬den. Opa Kraa vertelde me die anekdote en ik vond het treffend hoe breed en scherp¬zi¬nnig Leyendekker toen de zaak regis¬seerde en oploste.
De groenteboer zei te¬gen Leyendek¬ker: ‘Ie hebt nen mojen eum! Hee hef mien peard ekoch.’
Van Uitert had bij de aankoop éen voor¬waarde bedongen: hij wou het paard wel kopen, maar wilde het geld niet afgeven, dat had hij eerst nodig om andere schul¬den in te lossen, zo zei hij.
‘Maar mijn vrouw mag dat niet weten,’ zei hij ook nog, ‘dus weet je wat? Jij geeft mij nu alvast een kwitantie, dan kom ik vol¬gen¬de week wel betalen, dan beur ik weer geld buiten mijn vrouw om en krijg ik dus geen gedoe.’
De groente¬boer was zo stom geweest om een kwitantie af te ge¬ven, alsmede het paard. Een week later was er nog geen geld gebracht. De groente¬boer toog naar En¬ter, naar Van Uitert, die - waar zijn vrouw bij zat! - hem in zijn gezicht uitlachte en de kwitantie op tafel legde: be¬taald is betaald!
De groente¬boer was 't paard kwijt en had geen cent gebeurd.
Leyen¬dekker hoorde het verhaal over zijn slechte oom aan en be¬loofde de zaak snel en grondig te regelen. Hij vroeg zijn zoon en diens vriend mee op reis naar Rijssen, lopend. Ze kwa¬men onderweg langs het huis van Van Uitert.
‘Let op,’ zei pa Ley¬endekker tegen de jongens, ‘jul¬lie gaan daar onder dat open raam staan luisteren. Als ik je roep kom je binnen, niet eer¬der.’
Hij ging zelf naar binnen, vroeg vuur voor zijn pijp (‘het had geregend en de lucifers waren nat), moest een stoel pakken, volgens Twents recept, de vrouw van Van Uitert haalde wel even wat jene-ver uit de kelder en even later zaten ze ge¬zellig te klinken. De jongens hielden zich ongezien bij het open raam.
‘Tja,’ zei Leyen¬dek¬ker, ‘moet je horen hoe ik ie¬mand bij de benen had.’ (Hij ve¬rzon een bedrogverhaal).
Van Uitert schikte geestdriftig dichter bij de tafel en zei: ‘Dan moet jij eens luisteren hoe ik van de week óók iemand te grazen had,’ Hij vertelde in geuren en kleuren over de kwitantie¬truc.
Leyendekker riep de twee jongens binnen, liet hen terugvertellen wat hijzelf ook net had gehoord en zei: ‘dan zijn er nu 3 getuigen, je betaalt bin¬nen de week dat paard en anders wordt het een rechtszaak. Je moet je diep schamen. Goeden¬avond.’ Zo werd de zaak gere¬geld.
Die angezeigten Daten haben keine Quellen.