Beroep: wethouder
Hij was sinds 1861 lid en meer dan 25 jaar wethouder van de gemeenteraad in Schinveld.
zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te Schinveld op 24 april 1829 en overleden te Schinveld op 17 augustus 1894.
Na een boedelscheiding in 1878 werd Jan Mathijs / Joannes Mathias Dohmen, eigenaar van de molen. Mede-eigenaar werd zijn broer Christiaan Joseph Dohmen [Van Bussel pag.297]. Jan Mathijs was van 1861 tot 1894 lid van de gemeenteraad, waarvan een aantal jaren ook wethouder, te Schinveld [Bosch pag.165 en 166].
Sjang Diederen [1960], van wie Jan Mathijs een oudoom is, vertelt het volgende verhaal: “Mathieu (zo werd Jan Mathijs ook wel genoemd) had veel omgang met de toenmalige burgemeester Gabriël Beckers van Schinveld. Samen dronken zij nogal wat borrels. In het café van Offermans, gelegen op de hoek Brunssummerstraat/Merkelbekerstraat, stond een leunstoel van de burgemeester en daar werd op geregelde tijden gebitterd. Het bitteren duurde vrij lang en als oom Mathieu rond een uur of twee namiddag naar huis ging (naar de Onderste Molen) en men hem dan al van verre zag aankomen, klonk het prompt: "Oom Mathieu heeft weer een vlieg in het oog". In 1894 stierf oom Mathieu. Dit was voor de kinderen van zijn nicht Mieeke (Maria Agnes Diederen-Dohmen) een groot verlies. Ik, die met mijn tien jaren de oudste was, kreeg met Nieuwjaar steeds 1 Mark van hem. Na mijn zenuwachtige Nieuwjaarswens zei hij volgens traditie: "Noe mot ich 'ns goa kieke wat de botter giljt" en tastte diep in de beurs. Ik kreeg dan 1 Mark, wat in die tijd een fortuin was.”
Jan Mathijs wordt door Scherpenzeel [1870] "een geheel ontaarde zoon van zijn vader" genoemd, "een man zonder principen, maar een dwarsboomer overal en altijd (par principe)". Scherpenzeel onderbouwt dat als volgt. Jan Mathijs hoorde aanvankelijk tot de (anti-pastoor Joors-)partij van burgemeester J.P.Buijsers, net als Scherpenzeel zélf. Jan Mathijs liep echter over naar de pastoorspartij, in de hoop dan wél wethouder te worden. De burgemeester immers onthield hem zijn stem bij de wethoudersverkiezing omdat hij, Jan Mathijs, een nieuweling in de gemeenteraad was. De burgemeester deed dat met de woorden: "men moet eerst koelkop zijn, eer men kwakkert wordt". Scherpenzeel vertelt ook dat in 1865 een loterij georganiseerd wordt tot instandhouding van de "harmoniesocieteit", maar dat Jan Mathijs een van de zeer weinigen was die daar niet aan meededen, dit in tegenstelling tot zijn broer Martin, die 15 loten kocht. Martin was toen kennelijk over uit Japan, waar hij werkzaam was. Scherpenzeel betitelt Jan Mathijs Dohmen nog een keer als pastoorsman, omdat hij als stemopnemer een raadsverkiezing in 1869, die in het voordeel van de burgemeesterspartij dreigt uit te vallen, vervalst verklaart. Een van de kandidaten van de burgemeesterspartij is Scherpenzeel zélf en zijn zoon zou de stembusfraude hebben gepleegd, vandaar Scherpenzeel’s uitval. Na de dood van Jan Mathijs in 1894 zette zijn broer Christiaan Joseph de exploitatie van de Onderste Molen voort.
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Die angezeigten Daten haben keine Quellen.