Maurits van Oranje (Dillenburg, 14 november
1567 – Den Haag, 23 april 1625), prins van Oranje en graaf van Nassau was stadhouder en legeraanvoerder van deRepubliek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tot hij in 1618 de titel prins van Oranje erfde van zijn halfbroer Filips Willem, werd hij Maurits van Nassau genoemd. Maurits bracht zijn jeugd deels door op slot Dillenburg waar zijn oom Jan van Nassau hem opvoedde. Zijn vader Willem van Oranje kon dat niet op zich nemen omdat hij destijds in de Nederlanden was om de Opstand tegen Spanje te leiden. Na opleidingen in Heidelberg en Leiden werd Maurits op zijn achttiende verjaardag stadhouder van Holland en Zeeland. Hij bracht twee jaar door in het Staatse leger voordat hij het opperbevel kreeg. Maurits werd in 1590 stadhouder over de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht.
Als kapitein-generaal voerde hij het leger aan tegen Spanje. Gedurende de Tien Jaren van 1588 tot 1598 behaalde hij onder het politieke leiderschap van delandsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt vele overwinningen. Het was een keerpunt in de oorlog en de Spanjaarden werden uit het noorden en oosten van de Republiek verdreven. Op militair gebied was dit succes mede te danken aan dehervormingen die Maurits samen met de Friese stadhouder Willem Lodewijk in het leger doorvoerde. De goede samenwerking met Oldenbarnevelt kreeg een deuk toen Maurits tijdens een expeditie op een Spaans leger stuitte: de Slag bij Nieuwpoort. Tijdens hetTwaalfjarig Bestand brak er een religieus conflict uit in de Republiek en koos Maurits de kant van de orthodoxe calvinisten (Gomaristen), waarmee hij recht tegenover Oldenbarnevelt kwam te staan, met uiteindelijk een machtsovername en de onthoofding van de landsadvocaat tot gevolg. De jaren erna ging het land zowel op bestuurlijk als op militair gebied achteruit. Op 23 april 1625 stierf Maurits in Den Haag.
Omdat Willem de opvoeding van Maurits niet op zich kon nemen door zijn strijd tegen Spanje, werd de opvoeding overgenomen door Willems broer Jan. Hierdoor heeft Jan een grote invloed gehad op de ontwikkeling van Maurits. Samen met de vijfentwintig] kinderen van Jan kreeg Maurits op Dillenburg godsdienstles, geschiedenis, Frans en Latijn. Ook leerde hij vechten, rijden en springen zoals een echte edelman betaamt. Later werd hij samen met vier neven naar de universiteit gestuurd. Hij studeerde eerst in Heidelberg in het calvinistische land de Palts, in het huidige Duitsland en vertrok daarna naar de Nederlanden om in 1582 inLeiden te studeren. Daar trok hij in bij de beroemde humanist, filoloog en historiograaf Justus Lipsius en werd door hem onderwezen in geschiedenis en wiskunde. Verder bleef hij ook oefenen met paardrijden, worstelen, zwemmen en het gebruik van wapens.
De Spanjaarden rukten steeds verder op in de Nederlanden en de situatie zag er niet goed uit voor de opstandelingen. Daarom besloten de Staten-Generaal om steun tezoeken bij andere Europese monarchen door de soevereiniteit van de Republiek aan hen aan te bieden. Eerst werd geprobeerd bij de aartsvijand van Spanje, Frankrijk steun te krijgen, maar dat liep uit op een fiasco. Terwijl men zocht naar andere mogelijkheden werd, Willem van Oranje vermoord in Delft in het jaar dat Maurits zeventien jaar zou worden. Door zijn jonge leeftijd kon hij zijn vader niet opvolgen als leider van de Opstand. Wel kreeg Maurits in 1584 zitting in de Raad van State als eerbetoon aan zijn afkomst. Hoewel hij daar weinig invloed kon uitoefenen, kon de ambitieuze Maurits de aangeboden functie niet weigeren. Echte macht bezat de Raad van State niet, die was in handen van de degenen die belastingen konden heffen: de afgevaardigden van de provincies ofwel de Staten-Generaal.
Stadhouderschap
0px 1.3em 1.4em; letter-spacing: normal; background-color: #ffffff; text-indent: 0px; -webkit-text-stroke-width: 0px;">text-align: center; background-color: #f9f9f9; border: #cccccc 1px solid; padding: 3px !important;">="magnify">
Dudley zag de jonge stadhouder als een concurrent van zijn eigen gezag en de relatie tussen hen beiden was niet warm. In zijn functie als gouverneur-generaal kreegDudley tevens te maken met veel mislukkingen, vaak te wijten aan zijn eigen persoonlijkheid. Dit gaf Johan van Oldenbarnevelt, sinds 1586 de landsadvocaat van Holland, de kans om de macht van de Staten-Generaal te vergroten ten kostte van die van de Engelsman. Oldenbarnevelt was een ambtenaar die was opgeklommen van pensionaris van de stadRotterdam, tot landsadvocaat van Holland. Door zijn kunde was hij in staat om in de doorgaans verdeelde Staten-Generaal de neuzen dezelfde kant op te krijgen: de Hollandse kant.
Maurits bemoeide zich als stadhouder niet met politiek en ging het leger aanvoeren. Zijn eerste wapenfeit was de
Door het geringe aantal militaire activiteiten in de winter was Dudley's verblijf in Engeland geen probleem. In de zomer was dat anders. Toen Dudley nog niet terugwas, werd er gezocht naar een vervangende aanvoerder die over het gehele leger kon beschikken. Luitenant-generaal Filips van Hohenlohe en de stadhouder van Gelderland, Adolf van Nieuwenaar waren naast Maurits de gegadigden. Uiteindelijk werd door de Raad van State en later ook door de Staten-Generaal besloten dat het Maurits moest worden vanwege het aanzien dat hij had. Na het benoemen van de opperbevelhebber kon de strijd tegen de oprukkende Spanjaarden, die al het beleg voor Sluis hadden geslagen weer beginnen. Om de Spaanse opperbevelhebber Parma weg te lokken van Sluis, en door de krappe financiële middelen, werden er rooftochten gehouden in Brabant. De gehoopte reactie van Parma bleef uit. Onverwachts kwam Dudley terug uit Engeland en nam opnieuw het opperbevel weer op zich. De samenwerking tussen hem en de Nederlanders was echter zodanig verstoord dat deze terugkomst uitliep op een mislukking en hij voorgoed besloot terug te keren naar Engeland.
Na de mislukte Spaanse invasie van Engeland met de Armada Invencible sloeg Parmain 1588 het beleg voor Bergen op Zoom. Doordat de stad niet volledig omsloten kon worden, was het mogelijk om de stad te blijven bevoorraden, waarmee inname werd voorkomen. Maurits trok er zelfs drie keer op uit om de troepen aldaar moed in te praten. Dat het met gevaar voor eigen leven was deerde hem niet. Een jaar later kon hij niet voorkomen dat Geertruidenberg in Spaanse handen viel.
Toen de stadhouder van Utrecht, Overijssel en Gelderland stierf, zochten die provincies naar een opvolger. Om de invloed van Holland te kunnen vergroten schoof Oldenbarnevelt Maurits naar voren, die al stadhouder van Holland en Zeeland was. Hoewel de provincies zonder stadhouder inzagen dat daarmee de macht van Holland nog groter zou worden, zagen zij ook in dat grote delen van hun gebieden nog in Spaanse handen waren en deze alleen met behulp van Holland heroverd zouden kunnen worden. Daarom werd Maurits in 1590 en 1591, ook benoemd tot stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel.
Naast Oldenbarnevelt ging Maurits ook meer samenwerken met zijn neef Willem Lodewijk die stadhouder van Friesland was. De goede relatie tussen hen heeft altijd stand gehouden en op militair gebied heeft Willem Lodewijk veel invloed op Maurits gehad. Dit was mogelijk doordat Maurits toegankelijk was voor meningen van anderen.
Door het Spaanse verlies van de Armada zagen beide stadhouders kans om een tegenaanval tegen het verzwakte Spanje uit te voeren. De Staten-Generaal waren echter terughoudend doordat de financiën nog niet op orde waren en doordat er nog geen vertrouwen was in de eigen kracht. De kans deed zich voor om Breda door middel van een list te veroveren. Maurits besprak dat met Oldenbarnevelt en kreeg toestemming om het plan uit te laten voeren. De list met het turfschip slaagde en Breda kwam in Nederlandse handen, wat een geweldige positieve impuls aan de opstand gaf. De regenten in de Staten-Generaal waren vanaf dat moment overtuigd van de eigen kracht en besloten dat het offensief doorgezet moest worden. Dit was mede mogelijk, door de groei van de economie en daarmee ook van de schatkist.
De eerste stad die door Maurits veroverd werd was Zutphen, dat zich al na een belegering van 5 dagen overgaf. Het dichtbij gelegen Deventer, verdedigd door een neef van Maurits, Herman van den Bergh, was het volgende doel. Na tien dagen vechten gaf de stad zich onder gunstige voorwaarden over. Het noordelijke Groningen was het volgende doel van Maurits, dat als ruil diende voor de steun die Maurits kreeg van de Friese stadhouder Willem Lodewijk bij het veroveren van de IJsselsteden. Verdugo, de Spaanse commandant in Groningen, had op tijd door dat zijn stad het volgende doel zou zijn en kon de stad versterken. Daarom koos Maurits ervoor om Delfzijl te veroveren. Na Delfzijl spoedde hij zich naar de Betuwe, waar een Spaans leger onder leiding van Parma Knodsenburg belegerde. Parma dacht dat hij die strijd niet zou kunnen winnen en trok zich meteen terug, waardoor Knodsenburg ontzet was. Maurits ging naar Arnhem, waariedereen verwachtte dat hij zich nu op Nijmegen zou storten. Tot ieders verbazing verdween het staatse leger echter weer van het toneel, net zo plotseling als het gekomen was. In september, met beter weer, werd het leger opnieuw verzameld en werd eerst Hulst endaarna toch Nijmegen veroverd. Al bij al was de status van Maurits als groot veldheer na deze veldtochtdefinitief gevestigd.
Tijdens het beleg werd Maurits in zijn wang geraakt door een afgeweken kogel. Hoewel het slechts een vleeswond was, drongen de Staten bij Maurits aan om voorzichtigheid in acht te nemen. Hiermee lieten ze blijken hoe onmisbaar Maurits was voor de Republiek. Na de overgave van Steenwijk, trok Maurits naar Coevorden. Coevorden was belangrijk, omdat met een verovering ervan, het Spaanse Groningen geïsoleerd zou raken waardoor de stad gemakkelijker zou kunnen worden ingenomen. Ook Coevorden werd door een neef van Maurits, Frederik van den Berg, verdedigd. Behalve standhouden en wachten op een ontzettingsleger kon Frederik niet veel doen tegen de belegeraars. Dat ontzettingsleger kwam vanuit het noorden op 7 september onder leiding van Verdugo. Hoewel de Spaanse aanval voor Maurits een verrassing was, konden de belegeraars Verdugo's aanval eenvoudig afslaan. Maurits' overwinning zou zelfs groter geweest zijn als zijn leger de vluchtende Spanjaarden achterna gezeten zou hebben, maar dat werd niet gedaan om het beleg niet te vertragen. Na 17 dagen van belegeren gaf de stad zich over. Coevorden was de laatste stad die in 1592 werd veroverd.
In 1594 werd door Maurits geprobeerd om 's-Hertogenbosch en later ook Maastricht in te nemen door middel van een list. Een verovering van een stad op zo'n manier was namelijk relatief goedkoop, al was de kans op slagen vaak klein. Toen beide pogingen mislukten, werd besloten Groningen in te nemen, dat zich na een beleg van twee maanden overgaf. Het zou Maurits' grootste stad zijn die hij zou veroveren. Ook tijdens dit beleg werd Maurits getroffen door een kogel op zijn schild en weer drongen de gedeputeerden Maurits erop aan vooral voorzichtig te zijn. Na dit dure beleg was het geld op en trokken de soldaten naar de garnizoensplaatsen. Vanwege de zwakte van Spanje, probeerde Oldenbarnevelt Maurits zover te krijgen om toch nog Groenlo aan te vallen. Maurits weigerde omdat hij vond dat hij niet over genoeg manschappen kon beschikken. Beiden hielden vast aan hun standpunt, wat leidde tot een kleine ruzie.
Sinds 1595 was Spanje weer in oorlog met Frankrijk en dat verlichtte de druk op de Republiek. Het liefst wilde Maurits een steunpunt dichterbij Frankrijk in handenhebben om de bondgenoten aldaar beter te kunnen steunen. Het risico was groot, want het doel dat hij in gedachte had was Hoei dat in het prinsbisdom Luik lag: neutraal gebied. In het geheim besprak Maurits dit plan met Oldenbarnevelt die, buiten de overige Statenleden om, zijn goedkeuring gaf omdat het in het belang van het land zou zijn. Een officier met 1500 soldaten nam de stad en het kasteel in, maar moest het al gauw daarna weer prijsgeven. Deze onderneming had een deuk geslagen in de reputatie van de Republiek vanwege het schenden van de neutraliteit. In hetzelfde jaar probeerde Maurits tevergeefs om Groenlo in te nemen.
Maurits was voorzichtig van aard, hij was iemand die liever rustig zijn kans afwachtte. De gedeputeerden daarentegen zagen graag dat Maurits met zijn duurbetaalde leger actie ondernam. Dat verschil van inzicht verhoogde de druk tussen beide partijen.
Het Spaanse leger kreeg in 1600 te kampen met muiterijen en dat gaf de Republiek kansen. Door de Staten-Generaal werd voorgesteld om de Duinkerker kapers aan te pakken; die waren immers in dienst van de vijand en richtten grote schade aan onder de Nederlandse koopvaardij. Daarnaast zou de verdediging van Oostende, dat nog de enige Vlaamse stad was onder het bewind van de Republiek, eenvoudiger worden. Zowel Maurits als Willem Lodewijk waren fel tegen de operatie, omdat Duinkerke ver zuidelijk lag, en de verbindingswegen makkelijk doorgesneden zouden kunnen worden. De Staten bleven volharden in hun standpunt en Maurits moest zich ernaar schikken. Meteen toen de veldtocht begon, op 21 juni, verzamelde aartshertog Albrecht, de machthebber in de Spaanse Nederlanden, een leger, dat een week later al van vergelijkbare grootte was als dat van Maurits. Door de slechte verbindingen kreeg Maurits, die het in eerste instantie niet wilde geloven, het bericht pas op 1 juli te horen. Een veldslag werd onvermijdelijk. Op het strand bij Nieuwpoort barstte een dag later de strijd los. In eerste instantie leken de Spanjaarden te winnen, maar door het inzetten van de reserves, op het moment dat Spanje al zijn troepen al had ingezet, behaalde Maurits toch nog de overwinning. Hoewel hij na afloop opgelucht en trots was, was hij ook woedend op Oldenbarnevelt en de Staten, omdat zij het voortbestaan van het land in gevaar hadden gebracht. De gedeputeerden waren op hun beurt teleurgesteld dat de tocht naar Duinkerke, ondanks de overwinning, werd gestaakt. Tussen Oldenbarnevelt en Maurits raakte vanaf dat moment de relatie bekoeld.
De koppige Oldenbarnevelt wilde Oostende bijstaan door wederom een veldtocht naar Nieuwpoort te ondernemen. Steun van de stadhouders kon hij na de veldslag van 1600 niet meer verwachten en dus werd gekozen voor Rijnberk, dat na enkele weken kon worden ingenomen. Ook nam Maurits de stad Meurs in, die via een erfenis zijn bezit was geworden. Het beleg van 's-Hertogenbosch datzelfde jaar moest al snel onderbroken worden door het ongunstige weer.
Het jaar erop kwam weer een mogelijke veldtocht naar Nieuwpoort aan de orde. Later werd door de Staten-Generaal besloten dat het een tocht naar Brabant en Limburg moest worden. Ook hier waren beide stadhouders op tegen vanwege beoogde bevoorradingsproblemen. Achteraf was dit door de stadhouders goed ingeschat, want de onderneming moest gestaakt worden vanwege honger onder de soldaten. In plaats daarvan werd Grave ingenomen, dat wel op steun van de stadhouders kon rekenen.
Een jaar later was het Spaanse beleg van Oostende in 1603 nog steeds aan de gang en ondanks de focus van Spanje op Oostende, waren de Staten niet in staat dit goeduit te buiten. Zo bleef het in dat jaar bij het wederom onsuccesvolle beleg van 's-Hertogenbosch.
In 1604 werd Maurits voor de laatste keer aangespoord om een Vlaamse stad te veroveren. Ditmaal was Sluis het doel. Hoewel het beleg met tegenzin was, omdat Maurits de stad te sterk vond, kreeg hij de stad na drie maanden van uithongeren in handen. Na Sluis wilden de Staten dat Maurits weer Oostende te hulp kwam dat inmiddels al drie jaar belegerd werd. Maurits kon niet meer weigeren, maar door zijn vertrek richting Oostende te vertragen, was hij te laat en had de Spaanse commandant Spinola de stad ingenomen. Een jaar later stootte Spinola razendsnel door de verdedigingsgordel en nam hij Oldenzaal en Lingen in. Door de hoge snelheid van Spinola's leger en door de overmacht kon Maurits weinig uitrichten. Daarbij maakte Spinola handig gebruik van Maurits' voorzichtigheid en het feit dat de stadhouder de confrontatie met Spinola wilde mijden. Groenlo en Rijnberk werden in 1606 door Spinola veroverd. Maurits die nog geprobeerd had om Groenlo te heroveren moest deze actie staken bij het naderen van Spinola. Zijn keuze om niet de strijd aan te gaan, terwijl het voor hem bekend gebied was, leidde in de Republiek tot onbegrip en deed serieuze afbreuk aan zijnreputatie
De militaire tactiek kwam vooral van Willem Lodewijk, die geïnteresseerd was in de Griekse en Romeinse oudheid. Zo heeft hij over de tactieken gelezen van de Byzantijnse keizer Leo Imperator, die hij gebruikte bij het opstellen van het leger. Ook van Romeinse krijgsgebruiken was Willem Lodewijk op de hoogte. Hoewel het zo gewoon lijkt, was het bestuderen van Romeinse en Griekse werken uit de oudheid door generaals in die tijd helemaal niet zo gebruikelijk. Zodoende heeft hij als een van de weinige Europese generaals dezekennis in zijn voordeel weten te gebruiken. De groeiende legers, bewapend met handvuurwapens, maakten nieuwe tactieken en onderlinge afstemming noodzakelijk. Waar bij de ridders de nadruk had gelegenop de individuele beheersing van de krijgskunsten, was dit voor een infanterist veel minder belangrijk. Men moest vooral in formatie blijven, ook terwijl medesoldaten wegvielen. Tussen 1590 en 1610 werd onder Maurits een op de Romeinse militaire handboeken gebaseerde techniek uitgewerkt die dit mogelijk moest maken. Jarenlange dril moest formaties in staat stellen om als één man te reageren en in het heetst van de strijd orders om te vuren af te wachten.
Het waren deze nieuwe tactieken die hen Europese faam brachten. Maurits werd internationaal als een groot generaal gezien en ook tegenwoordig wordt zijn bijdrage aan onder andere de dril gezien als onderdeel van de militaire revolutie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het voorstel van de keurvorst van Keulen op de Rijksdag te Regensburg in 1597. Hij stelde voor om Maurits tot veldoverste van het Heilige Roomse Rijk te benoemen in de strijd tegen de Turken.
Beide stadhouders meden in hun carrière zo veel mogelijk een veldslag, tenzij het echt niet anders kon. De mensenlevens die daarbij verloren zouden gaan vonden zij nutteloos. Daarbij was Maurits erg voorzichtig. Dit bracht hem geen enkele grote nederlaag, maar voorkwam ook dat hij successen uitbuitte. Hij koos er liever voor om steden te belegeren, want dat was volgens hem de manier om de oorlog te winnen. De snelheid waarmee hij zijn leger kon laten marcheren, zorgde voor verrassingen en werkte in zijn voordeel. Was er een stad gekozen, dan begonnende graafwerkzaamheden van loopgraven rond de stad, maar ook rond het eigen kampement. Dit laatste diende als bescherming tegen een mogelijk ontzettingsleger.
Uiteindelijk moest een stad na te zijn omsingeld, worden veroverd. Daarbij golden een paar spelregels: zo mocht een stad geplunderd worden als de belegeraars binnen de stadsmuren waren gekomen. Vaak kwam het niet zo ver en gaf een stad zich voor die tijd al over. Een voorbeeld is Bredevoort, dat zich in eerste instantie weigerde over te geven. Toen de belegeraars bijna over de muren waren en de gouverneur zich dit maal wel wilde overgeven, werd dat geweigerd en werd de stad geplunderd. Deze schok zorgde er wel voor dat steden die erna belegerd werden, snel overgaven. In totaal zou Maurits 43 steden en 55 forten veroveren met zijn troepen.
Als bevelhebber was Maurits een echte soldaat onder zijn manschappen. In zijn vak was hij ijverig, toegewijd en zette zich ononderbroken in. Hij was betrokken en zorgvuldig. Betrokken in de zin dat hij alles zelf wilde regelen en zorgvuldig in de zin dat hij nooit ergens voor tekende zonder een stuk goed doorgenomen te hebben. In de omgang met medesoldaten als met de vijand gedroeg Maurits zich mild en verdraagzaam. Toch was hij streng als het ging om het handhaven van de discipline in het leger. Bij misdragingen, zoals roof of verkrachting werd vaak de doodstraf uitgesproken om een voorbeeld te stellen voor overige militairen. In andere gevallen was Maurits erg vergevingsgezind. Zo ook bij de vijand. Als zij zich gedurende een belegering op tijd overgaf, dan mocht zij vaak met wapens en goed de stad verlaten. Deed de vijand dat niet en bleef zij vechten terwijl het een verloren race was, dan kon zij vaak niet op genade rekenen. De reden hierachter was dat het belegeren van een stad ontzettend kostbaar was; gaf de vijand zich snel tegen voor hen voordelige voorwaarden over, dan was dat ook in het voordeel van Maurits. Om niet het ego van vijandelijke commandanten te krenken, gaf Maurits ze vaak nog wel even de tijd voor hij een stad opeiste.
Tijdens veldtochten stond Maurits erop dat er vertegenwoordigers van de Staten-Generaal, en dan vooral diegenen met veel invloed, meegingen. Niet Maurits maar de Staten-Generaal in Den Haag bezaten namelijk de macht en het geld en alleen zij konden besluiten welke tactiek gevolgd moest worden. Met een selectie gedeputeerden te velde die meegingen en die ook gezamenlijk besluiten mochten nemen, was het voor Maurits makkelijker te overleggen als er nieuwe situaties zich voordeden. Men hoefde niet eerst te wachten tot er in Den Haag een besluit was genomen, maar kon direct een beslissing nemen.
Vanaf 1606 werden de onderhandelingen gestart dus werden ook de militaire ondernemingen gestaakt. Oldenbarnevelt hield zich zoals gewoonlijk bezig met de onderhandelingen. Nu de gevechten werden gestaakt had Maurits ineens tijd om zich er ook mee bezig te houden. Dat deed hij omdat hij zich als stadhouder en kapitein-generaal ertoe geroepen voelde. Daarnaast had hij privé eigendommen op Spaans grondgebied en wilde die bij vrede terugkrijgen.
Tijdens de onderhandelingen kwam naar voren dat een vrede niet haalbaar was. De Spaanse koning had namelijk twee eisen die voor de Nederlanders onbespreekbaar waren. De eerste eis was dat er vrijheid van godsdienst moest komen voor de katholieken in de Republiek. De tweede eis was het ontbinden van de net opgerichte VOC. Beide punten waren voor de Nederlandse onderhandelaars onbespreekbaar. Was een vrede niet mogelijk, dan maar een wapenstilstand vonden Oldenbarnevelt en de Staten-Generaal. Ookhier had Maurits geen vertrouwen in, omdat met een wapenstilstand het zeker was dat de strijd ooit weer zou losbarsten en de Republiek in de tussentijd mogelijk verzwakt zou zijn geraakt. Om steun voor zijn standpunt te krijgen bij de Franse koning Hendrik van Navarra zond Maurits eigenhandig een gezant.De keuze van gezant was slecht en Maurits' poging om steun van de Franse koning te krijgen tegen de Staten-Generaal mislukte. Opnieuw stonden Maurits en Oldenbarnevelt lijnrecht tegenover elkaar. Uiteindelijk werd een wapenstilstand gesloten met de Spanjaarden, het Twaalfjarig Bestand. Had Maurits tot dan toe nooit getwijfeld aan Oldenbarnevelts goede trouw, vanaf die tijd was dat niet meer zo vanzelfsprekend.
Tijdens het Twaalfjarig Bestand brak in de Nederlanden een conflict uit tussen twee geloofsstromingen in de gereformeerde kerk. Het betrof een conflict over de interpretatie van de bijbel aangaande de uitverkiezingdie door beide stromingen anders werd uitgelegd. De arminianen ook wel remonstranten genoemd hadden een andere interpretatie dan de tot dan toe in de Republiek gangbare van de gomaristen, ook welcontraremonstranten genoemd. De arminianen die onder het volk in de minderheid waren, maar vooral in Holland onder de regenten een meerderheid vormden, kregen te maken met tegenstand van de gomaristen. Daarop vroegen zij de hulp in van de Staten van Holland om hen te beschermen. Al snel ontaardde dit godsdienstige meningsverschil in een groot politiek conflict.
Onder de bevolking en onder de predikanten was de meerderheid contraremonstrants. Zij wilden de remonstrantse leer verbieden. De Staten van Holland die voor de meerderheid uit remonstranten bestond, inclusief Oldenbarnevelt, wilden juist tolerantie opleggen aan de contraremonstrantse meerderheid. Maurits, die nog een lange tijd de preken van de remonstrantse predikant Wtenbogaert bezocht, koos de kant van de contraremonstranten. Hij wilde dat er slechts één stroming was, omdat meerdere stromingen de gereformeerde kerk konden verzwakken en met de kerk ook het land.
Ondertussen was in 1609 de Gulik-Kleefse Successieoorlog uitgebarsten. De hertog van Gulik, Kleef en Berg, stierf in dat jaar zonder nakomelingen na te laten. Minstens veertien verschillende vorsten maakten aanspraak op de erfenis. Met behulp van Frankrijk, de Republiek en de Protestantse Unie werd het landencomplex bezet voor de keurvorst van Brandenburg en de vorst van Palts-Neuburg, beide Lutheranen. Voorlopig zouden zij het gebied gezamenlijk regeren.Om buitenlandse steun te krijgen voor hun aanspraak op de hele erfenis, bekeerde de keurvorst van Brandenburg zich tot het Calvinisme, terwijl de vorst van Palts-Neuburg katholiek werd. In 1614 brak de strijd om de erfenis opnieuw uit. In naam van hun bondgenoten veroverden zowel Spanje onder leiding van Spinola, als de Republiek onder leidingvan Maurits alle steden in Gulik, Kleef en Berg. Beide partijen meden de confrontatie. Maurits, die hoopte dat met deze oorlog, ook de oorlog tussen Spanje en de Republiek weer zou oprakelen, kwam bedrogen uit. Het hervatten van de oorlog bleef uit.
De Staten van Holland waren bang dat Maurits het leger wilde gebruiken om in te zetten tegen remonstrantse steden, waar contraremonstranten ook een eigen kerkgebouw eisten. Daarom stelde zij de scherpe resolutie op, waarin onder andere geregeld werd dat steden zelf een leger mochten samenstellen. De stadhouder vond de resolutie extravagant en ging vervolgens naar remonstrantse steden om de stadsbesturen te vervangen door contraremonstranten. Op die manier kreeg Maurits meer en meer steun in de Staten-Generaal. Uiteindelijk was de meerderheid een aanhanger van Maurits. Zij vond dat de politiek die onder Oldenbarnevelt gevoerd was, schade had veroorzaakt enslecht was voor de eensgezindheid in het land. Maurits mocht van hen alles doen om dit recht te zetten. Zodoende werden op 29 augustus Oldenbarnevelt, Hugo de Groot enRombout Hogerbeets gearresteerd en veroordeeld. Hugo de Groot en Rombout Hogerbeets kregen levenslang en Oldenbarnevelt kreeg de doodstraf. De veroordeelden en hun familie konden nog om gratie vragen, maar weigerden, omdat dat zou betekenen dat ze schuld bekenden. Zelfs na aandringen van Maurits' stiefmoeder Louise de Coligny bij de familie van Oldenbarnevelt werd een verzoek niet ingediend.
Een internationale kerkvergadering werd georganiseerd om de tegenstellingen in de gereformeerde kerk weg te nemen en slechts één leer te bepalen. Tijdens deze Dordtse Synode, werd de remonstrantse leer verworpen. Hiermee hoopte Maurits, die het hele proces volgde, dat de rust weer terug zou keren in de kerk.
Ontspanning haalde Maurits uit zijn paarden. Hij was gek op paarden en had een hele verzameling waarvan hij sommige dieren ook uit het buitenland liet komen. Naastpaarden hield Maurits ook van jagen, rondrijden in zijn zeilwagen en schaken.
In het testament van Maurits' vader, Willem van Oranje, was ook zijn oudste zoon, Filips Willem, opgenomen die op dat moment in Spanje verbleef. Ontvoerd uit de Nederlanden had hij daar een Spaanse katholieke opvoeding gekregen. Bezittingen die hij erfde waren onder andere het ;prinsdom Oranje en Breda. Bezittingen van hem in Staats gebied, zoals Breda werden door Maurits beheerd, maar de inkomsten ervan werden overgedragen aan Filips Willem. De oudste broer trouwde in 1606 in het Franse Fontainebleau met denicht van de Franse koning, maar dat huwelijk bleef kinderloos. Zo erfde Maurits bij het overlijden van zijn broer in 1618 de bezittingen en mocht zich vanaf toen officieel prins van Oranje noemen.
Emilia, Maurits jongere zus, wilde tot Maurits ongenoegen met de katholiek Emanuel van Portugal trouwen. De vader van deze Emanuel, was koning van Portugal, maar had het land over moeten geven aan de Spaanse koning. Maurits wilde niet dat zijn zus met Emanuel ging trouwen, omdat hij blut was en dringend geld nodig had. Zelfs toen zij aanbood om van de erfenis van Willem van Oranje af te zien, bleef Maurits weigeren. Emilia was tussen de puinhopen van het zojuist door Maurits ingenomen Bredevoort verschenen om hem toestemming te vragen om te trouwen met de toekomstige koning van Portugal, maar Maurits weigerde. Uiteindelijk zijn de twee toch in Den Haag in 1597 door een katholieke priester getrouwd, hoewel Emilia calvinistisch bleef. De stadhouder trok zijn handen van Emilia af en het getrouwde stel vertrok naarWesel. Gedurende de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand kon Filips Willem succesvol, Maurits en Emilia met elkaar verzoenen. Het echtpaar ging daarna in Den Haag wonen en kreeg zelfs een jaarlijkse toelage van de stadhouder. Dat de wond nog niet geheeld was, bleek wel uit het feit dat Maurits na zijn dood weinig heeft nagelaten aan zijn zus en zwager. Emanuel was hier zo teleurgesteld over, dat hij meteen zonder zijn vrouw en dochters vertrok naar de Zuidelijke Nederlanden, waar hij aan het Brusselse hof voor de aartshertogen ging werken. Emilia ging in het kasteel van Wijchen wonen dat zij had geërfd. Na een aantal jaar vertrok zij naar Geneve, waar zij in 1629 stierf.
De oudste zus van Maurits, Maria die lang als moeder fungeerde voor Maurits, trouwde pas op veertigjarige leeftijd. Haar echtgenoot was de luitenant-generaal Hohenlohe. Deze legeraanvoerder werkte al onder Willem van Oranje en moest toezien hoe Maurits kapitein-generaal werd; een functie die hij ook begeerde. Hoewel Maurits en Hohenlohe dezelfde interesses deelden, hadden zij totaal verschillende persoonlijkheden. Daardoor was er vaak onenigheid tussen de twee. Dat Maurits het huwelijk tussen hen goedkeurde was waarschijnlijk, doordat Maria de leeftijd had bereikt waarop het krijgen van kinderen niet meer reëel was. Hohenlohe stierf in 1606 en Maria in 1616.
Het is bekend dat Maurits naast Margaretha relaties had met Anna van de Kelder, Cornelia Jacobs, Jobghen van Alphen, Ursula de Rijck en Deliana de Backer.
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Maurits van Oranje | ||||||||||||||||||
Die angezeigten Daten haben keine Quellen.