Er hat eine Beziehung mit Bernadine van Hinsbergen.Quelle 4
Kind(er):
De periode tussen 900 en 1087 is vrij duister in het Diestse verleden, temeer omdat geen bronnen voorhanden zijn. In 1087 duikt uit de kroniekvan de abdij van Sint Truiden een zeker Otto, heer van Diest op.Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt. Tijdens de daarop volgende decennia zien we de opvolgers van Otto bijna allen in conflikt komen met met de abdij van Sint-Truiden tot uiteindelijk Arnold II in 1163 het begevingsrecht over de Diestse kerkgemeenschap overdroeg aan de abdij
van Tongerlo.
De eerste bekende heer van Diest wordt omstreeks 1088 Otto de Diste (DeBorman I, 53) genoemd, maar wat later krijgt dezelfde heer een andere naam: Otto de Bewere (ibid. I,
239)
De Heeren van Diest, stam I
http://www.vilters-vanhemel.be/zelem_historisch_middeleeuwen1.html
Omstreeks het einde van de XIe eeuw verschenen de eerste “Heeren van Diest”, door de hebberigheid van deze heren verloor de Abdij van St.-Truiden steeds meer en meer terrein.
De Heren van Diest zou een verzamelnaam zijn van één grote familie met verschillende familienamen.
Er bestonden blijkbaar familiebanden tussen de heren van Bekkevoort, Diest en Zelem, beide laatste heerlijkheden waren minstens sinds 1089 verenigd onder de Heren van Diest.
In 1087 duikt uit de kroniek van de abdij van Sint-Truiden een zekere Otto, heer van Diest, op. Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt.
Otto
Otto is de eerste heer van Diest, wiens naam ons wordt meegedeeld, namelijk door de Kroniek van Sint-Truiden. Hij leefde eind 11e eeuw en begin 12e eeuw. Het moet een ruwe ridder geweest zijn die niet terugdeinsdevoor strooptochten en een die men weinig kon vertrouwen. Deze Otto hadop onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt.
Een zekere Bruno die met bedrog de bisschoppelijke stoel van Metz beklommen had, verkocht aan een invloedrijke edelman, Otto van Diest, goederen te Webbekom, Pelt, Helchteren en Wijchmaal, voor 100 Mark, die eigendom van de abdij waren-
De oudste kern van Diest zou ontstaan zijn op een iets hoger gelegen deel van de zuidelijke oever van de Demer rond de voorganger van de Sint-Sulpitiuskerk. De oudste vermelding van de nederzetting dateert uit 837. Diest was toen een
pagus of graafschap van het Karolingische Rijk. De stad dankte haar opkomst aan haar gunstige ligging: Diest lag langs de handelsweg Brugge-Keulen en aan de rivier de Demer.
Het pre-stedelijke Diest
concentreerde zich vanaf de 11de eeuw rond de huidige Grote Markt met als kern de primitieve Sint-Sulpitiuskerk. De oudste vermelding van dezekerk dateert uit 1163. Waarschijnlijk was deze eerste kern door een bescheiden aarden wal en gracht omgeven.
De heren van Diest:
In 1087 wordt in een kroniek van Sint-Truiden een zekere Otto, heer vanDiest, vermeld die een hoogteburcht op de warandeheuvel bewoond. Zijn opvolgers zouden de heerlijkheid Diest besturen tot het begin van de 16e eeuw. Tussen 1168 en 1190 werd de heer van Diest leenman van de bisschop van Keulen in de hoop op die manier beschermd te zijn tegen de hertog van Brabant, die er steeds op uit was zijn gebied te vergroten. In 1228 vestigde het klooster van de minderbroeders zich aan de oevers van de Demer. Uiteindelijk
schonk hertog Hendrik I van Brabant Diest in het daaropvolgende jaar (1229) stadsrechten aan Diest wat een einde maakte aan de betrekkingen met Keulen.
Dankzij de stadsrechten verkreeg men bijvoorbeeld het recht om een muurrond de stad te bouwen (zie middeleeuwse stadswallen) alsook het rechtom een markt te houden.
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Otto Arnoudsz "Jan" van Diest | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bernadine van Hinsbergen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||