BS Geboorte met Johannes Bernardus Bomers
Kind Johannes Bernardus Bomers
Geslacht Man
Vader Johannes Antonius Bomers
Beroep Landbouwer
Leeftijd 48
Moeder Johanna Maria te Brake
Beroep zonder beroep
Gebeurtenis Geboorte
Datum 19-05-1902
Gebeurtenisplaats Beltrum (Berkelland)
Documenttype BS Geboorte
Erfgoedinstelling Gelders Archief
Plaats instelling Arnhem
Collectiegebied Gelderland
Archief 0207
Registratienummer 5194
Aktenummer 79
Registratiedatum 21-05-1902
Akteplaats Eibergen
Collectie Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen
Boek Eibergen
(1) Er ist verheiratet mit Maria Euphemia Berendina te Braake.
Sie haben geheiratet.
(2) Er ist verheiratet mit Anna Maria Louisa Roes.
Sie haben geheiratet am 4. Mai 1948, er war 45 Jahre alt.
https://www.ltebraake.nl/TNG/getperson.php?personID=P508&tree=tree1
1. Bomers, Anna Euphemia Maria "Anneken"
geb. 11 feb 1932, Voor-Beltrum, Eibergen Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie
ovl. 27 nov 2013, Borculo Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie (Leeftijd 81 jaar)
+2. Bomers, M.
3. Bomers, A.
+4. Bomers, T.
5. Bomers, J.
6. Bomers, A.P.M.
7. Bomers, mgr. Henny c.m.
geb. 19 apr 1936, Groenlo Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie
ovl. 12 sep 1998, Haarlem Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie (Leeftijd 62 jaar)
8. Bomers, F. c.m.
https://stichtinghalfweg.nl/wp-content/uploads/2015/01/Halfweg-Ni-js-2015-4.pdf
Wie zichzelf wil kennen zal om te beginnen
moeten terugkeren naar zijn “roots”, de plaats
en de mensen waar en met wie hij zijn
jeugdjaren heeft doorgebracht. Ik ben 21
februari 1938 geboren in Voor Beltrum als zesde
kind in het boerengezin van Bernard en Marie
Bomers-te Braake. Ik ben dus van “Old
Leeftink”, zoals we nog meestal met de naam
van de boerderij worden genoemd. Onze buren
waren Reierink (“Ni’j Leeftink”) en Klein
Gunnewiek (“de Helmer”). Veel herinneringen
heb ik niet aan Voor-Beltrum, omdat ik er alleen
maar de eerste dertien jaar van mijn leven heb
doorgebracht. Het was voor mij een zorgeloze
jeugd; dat mag je als een compliment zien aan
mijn ouders en Voor-Beltrumse omgeving. Ik
heb het leven op de boerderij als zeer weldadig
ervaren, alhoewel het voor de boeren toen (en
nu?) zowel een zorgelijke tijd was –daar heb ik
als kind niets van gemerkt - en gemoedelijk
tegelijk. De relatie met onze buren was heel
goed. Ik zie ze nog midden op de dag uren lang
praten met mijn vader op de brink, op één knie
en met het gat op de klomp. In deze tijd bijna
niet meer voor te stellen.
Oorlogstijd
De laatste jaren van Tweede Wereldoorlog
waren vierhonderd Duitse soldaten bij ons thuis
op de boerderij ingekwartierd. Ik zie ze nog op
de brink hun dagelijkse oefeningen maken,
waarna er een papperige groene soep in grote
bussen werd uitgedeeld. Af en toe werd
ongevraagd een paard, een varken of een stier
door de bezetters uit de stal gehaald en
geslacht om het soldatenvolk fysiek en mentaal
in conditie te houden. Tegelijkertijd hadden we
een tiental onderduikers in huis, die, als het
buiten veilig was op de deel van tabaksbladeren
sigaren maakten. Er waren ook nog een paar
evacuees uit Groesbeek, uit de families
Dennissen en Thijssen, met wie we het huis
deelden. Over opvang van vluchtelingen
gesproken! Met de twee meiden en knechten
erbij was het iedere dag thuis volle bak. Met
enkele van mijn broers ging ik wel eens pootje
baden of paling (aal’n) vangen in de Slinge,
hetgeen onze ouders streng verboden hadden.
Daar aan de waterkant vonden we eens van die
rare dingen, die we mee naar huis namen. Het
bleken mijnen te zijn, die zo maar in onze
handen hadden kunnen exploderen.
Mijn moeder ( uit de buurtschap Zwolle) had
twee priesterbroers, Frans en Theroor te
Braake, die beiden kapelaan in Utrecht waren
en telkens uitgehongerde parochianen naar de
familie in de Achterhoek stuurden om eten te
halen. Ik zie nog mijn vader in de schuur een
paar kilo rogge halen, zodat ze er brood van
konden bakken. Heeroom Theroor te Braake
was aalmoezenier, reed in een groen pak op
een zware motor, kwam veel thuis en bracht
soms een groot blik met rolletjes snoep mee. En
dan mocht je ook nog bij hem vóór op de
benzinetank van de motor zitten. Hij pakte dan
je kleine handen vast en drukte daarmee op het
gashendel aan het stuur. Hoe meer gas en
lawaai hoe meer roeping. Ik denk dat hier mijn
verlangen om priester te worden is ontstaan.
De gezellige godsdienstlessen later op school
van kapelaan Wagemans hebben daar ook aan
bijgedragen.
1 April 1945, eerste Paasdag, werden we
bevrijd. We gingen ’s morgens te voet naar de
kerk in Groenlo, maar die was nog bezet door
de laatste verzet biedende Duitsers, die de
gestolen fietsen nog wilden bewaken. We
keerden terug en gingen helemaal te voet van
Groenlo naar Beltrum voor de Paasmis. Ik was
doodmoe van dat lange lopen. We hadden
Engelse soldaten op het erf, met wie mijn vader
eieren ruilde voor Player-sigaretten en kwatta.
Vanwege de bezetting van de school in Groenlo
heb ik maar een heel korte tijd op de eerste klas
gezeten, ik meen bij café Meijer. Ik kreeg een
11
briefje mee voor mijn ouders, dat Frans was
bevorderd tot de tweede klas.
Na-oorlogse jaren.
Dramatisch was de ziekte en de dood van mijn
moeder, 38 jaar oud. Ze stierf 18 september
1946. Dat is voor mijn vader een tijd van diepe
crisis geweest. Haar dode lichaam lag in een
kist midden op de deel, precies onder het
“liekspier”. De buren kwamen iedere dag de
rozenkrans bidden als ondersteuning en
rouwbetoon. De begrafenisstoet achter de
lijkwagen, getrokken door twee met zwarte
kleden bedekte paarden van Bernard van de
Vos (Reinders) uit Eefsele maakte grote indruk
op mij. Ik zag mijn vader voor de eerste (en
enigste) keer in mijn leven huilen. We liepen als
kinderen een jaar lang met een rouwbandje op
de arm van de jas. De rouwtijd is in onze tijd
helemaal verdwenen. De jongeren gaan het
weekend na de begrafenis gewoon weer uit.
Iedere crisis biedt echter ook weer kansen.
Anderhalf jaar later, 4 mei 1948, hertrouwde
mijn vader met Anna Roes uit Silvolde, ook 46
jaar oud. Dat werd een groot feest van drie
dagen. De buren kwamen roosjes maken. De
koeien waren in de wei, de schuur (Schoppe) en
de stal waren grondig schoongemaakt. Er
werden een paar koks ingehuurd voor het eten
en ’s avonds trad een orkestje op om het
dansen te begeleiden. Ik heb toen voor het eerst
bier geproefd en werd er doodziek van. Anna
Roes, mijn tweede moeder, was een zegen voor
ons gezin. Zij was rijk begiftigd met gaven van
hoofd, hart en hand.
Mijn ouders hadden voor het beter onderwijs
van hun kinderen gekozen voor de school in
Groenlo. Dat had als gevolg dat ik in VoorBeltrum bijna alleen maar één (zand)weg goed
heb leren kennen, nl de weg van ons thuis naar
de school en de kerk in Groenlo. Die weg liep
via De Hooihaar (Severt) en de ’s winters zo
donkere Den’ndiek naar de Tolbrug. Op de
Ruurloseweg naar Groenlo was toentertijd
amper nog motorisch verkeer. Die andere brug,
de N’jkampbrug, passeerden we alleen voor het
werk. De helft van de landerijen, “de Fruchte”
geheten, lag aan de andere kant van de Slinge
naast de boerderij van de Gunnink (Brinke). Ik
vond het altijd een verschrikking als we met die
onwillige koeien over de brug moesten. Ik heb
nooit leren melken, vermoedelijk omdat mijn
vader al lang begrepen had, dat er in mij geen
boer zat. We gingen iedere morgen voor
schooltijd eerst naar de kerk. Zondags zaten we
met vier of kinderen in de gepachten bank
midden in de kerk. De oude boer Brinke (Gait
van de Gunnink) zat altijd pal achter ons en
kneep ons in de arm als we niet goed stil zaten.
Dat was met instemming van mijn ouders. Moet
je nu in onze tijd om komen!
De andere kant van Voor-Beltrum, langs de
Borculoseweg, ken ik maar een klein beetje. De
gezellige jaarlijkse Voor-Beltrumse kermis was
een van de weinige keren dat ik bij Halfweg
kwam; de andere keer was als ik meeging naar
Bernard Pierik voor het beslaan van een paard;
en naar Henkie Pierik als de fiets weer eens
mankementen had. Op Vastenavond met de
foekepot langs de deuren gaan, - de overall
volgepropt met hooi, zodat je echt een
boerenpummel was,- dat was iedere keer weer
spannend om hoeveel versnaperingen dat zou
opleveren. Op een gegeven avond kwamen we
bij een boer in de varkensstal, die hier niet zo
van gediend was. Hij gooide de emmer met
varkensvoer leeg over het hoofd van een van de
jongens, en toen was er voor ons de lol wel van
af.
Wij kinderen konden ons thuis rond de boerderij
bijzonder goed vermaken, vooral met voetballen
en slagbal. De kinderen in de buurt deden volop
mee. Mijn vader was geen voetballiefhebber.
Daarom was de voetbalclub TRIAS ( trapt raak
in alle standen) die mijn broer Hennie had
opgericht met versterking van enkele
schoolkameraadjes uit Groenlo maar van korte
duur. Telkens waren de klompen kapot, en de
was die in de wei op de bleek lag, kreeg
natuurlijk de nodige vuile spetters mee.
Seminarietijd.
In de zesde klas bij meester Leisink (met
ongeveer vijftig jongens), vroeg kapelaan
Wagemans wie er “allemaal” (sic) naar het
seminarie wilden. Zes jongens staken hun
vinger op. De parochie Groenlo alleen al had
toen zo’n twintig seminaristen, bijna allemaal
boerenjongens, behalve Johan Kolkman, die
was van de kolenboer. September 1951 vertrok
ik naar het seminarie van de paters Lazaristen
in Zundert onder Breda. Mijn broer Hennie was
daar al een jaar eerder zijn priesteropleiding
12
begonnen. Het seminarie lag pal aan de
Belgische grens. Herman Berenschot was daar
douanier. De seminariejaren verliepen
doorgaans goed, mede vanwege de
voetbalvelden, waar ik een paar keer per week
mijn energie kwijt kon en mijn heimwee en
frustraties kon vergeten. Onder de vakanties
gingen we graag naar huis in Voor Beltrum en
hielpen mee op de boerderij. Als dan begin
september mijn broers en zussen weer
verlangend uitzagen naar de Beltrumse kermis
moesten Hennie en ik weer terug naar het
seminarie. Dat was soms een zware beproeving
van mijn roeping. In 1957 werden wij gekleed
en gingen we voortaan in zwarte toog en met
hoed door het leven. “Dee jongens van Old
Leeftink hebt de kleer’n ok al an!”, klonk het in
de buurt. Dat was wel wennen in het begin,
want je hoorde ineens bij de geestelijke stand,
terwijl je nog maar een broekje was van amper
twintig. We kregen een degelijke opleiding in
filosofie en theologie in Panningen en Eefde.
Slechts één keer per jaar mochten we naar huis,
tien dagen in juli. In de wekelijkse brieven van
mijn moeder kregen we de nodige informatie
over familie en het reilen en zeilen in VoorBeltrum. Samen op de fiets onderweg naar de
kerk in Groenlo vroeg Jannoa Ni’jkamp eens
aan mijn moeder: “Hoo wiet bunt oewe jongens
al met de studie? Kunt ze al biechtheur’n?”
Nou, zo ver waren ze nog lang niet. De Tien
Geboden zijn nogal moeilijk. Ja, dat wist Jannoa
zelf ook wel. Samen met Hennie ben ik 19 maart
1964 in de kapel van de paters Lazaristen in
Helden-Panningen tot priester gewijd, samen
met nog negen medebroeders.
Met Pinksteren deden we onze Eerste H. Mis in
Groenlo. Deken van Dam verwelkomde ons op
het kerkplein. Het zag zwart van het volk.
Hennie merkte op, dat het wel leek op het
optreden van de Beatles. Eerste Pinksterdag
was nog echt een kerkelijke feestdag, waarop
er buiten de kerk nergens wat te doen was.
Dansen was alleen op de tweede Pinksterdag
geoorloofd! Na dankzegging in de Calixtuskerk,
waar een geweldig koor van heren en jongens
een mis van Mozart zong, gingen we in een
open koets met witte paarden via de toen in
aanbouw zijnde Mariakerk over de Ruurloseweg
en de Ringweg naar de met vlaggen en roosjes
versierde boerderij in Voor- Beltrum. Hele
slierten fietsers en auto’s volgden. De prachtig
geklede bruidjes waren apetrots dat zij het feest
mochten opluisteren. Onze geweldige buren
waren weken druk geweest met de
voorbereiding. Onvergetelijk. Datzelfde
gebeurde veertien jaar later weer, in 1978, toen
Hennie in Groenlo tot bisschop werd gewijd voor
zijn bisdom in Ethiopië. De buren van inmiddels
de Schuurmansweg lieten zich niet onbetuigd.
In 1964 had de Calixtusparochie in Groenlo vijf
neomisten, die er hun eerste H. Mis deden. Jan
Frank van de Barakkenplas († 2007 in Nieuw
Guinea), Gerard (Gait) van de Mulder (Groot
Severt) uit Voor Beltrum († 2007) en Ferdinand
Banning uit de buurtschap Zwolle, mijn broer
Hennie ( † 1998 in Haarlem) en
ondergetekende. Johan Kolkman († 1984 in
Kameroen) en mijn klasgenoot Ben Gelinck (†
1968 India) waren al een jaar eerder, in 1963,
tot priester gewijd. Dat was het staartstuk van
het Rijke Roomse leven, dat toen ook in Groenlo
nog hoogtij vierde.
Taiwan 1964-1980
Na mijn priesterwijding in 1964 vertrok ik naar
de missie in Taiwan.(Formosa)
Eerst moest ik een jaar naar de taalschool om
de taal te leren, Taiwanees, een Zuid Chinese
taal. Erg moeilijk. In Taiwan heb ik mij vooral
gewijd aan het diaconale werk van het
evangelie, nl de zorg voor de armen en de
zieken.
Mijn eerste standplaats was in Toucheng, in het
oosten van Taiwan. Jarenlang ging ik twee keer
per week met een volkswagenbusje vol zieke
mensen naar het 30 km verderop gelegen
missieziekenhuis van de Italiaanse paters
Camillianen. Dankbaar en prachtig missiewerk!
Er waren toen veel poliokinderen in ons gebied.
Ze waren niet ingeënt tegen polio. Samen met
een medebroeder hebben we een grote
poliokliniek gebouwd en hebben daar in de loop
der jaren zo’n 750 kinderen kunnen helpen,
zodat ze naar school konden en een vak leren.
Mijn parochie lag langs de Stille Oceaan, een 40
km lange smalle kuststrook, die al direct over
ging in onherbergzaam berggebied. Veel
armoede. We hebben daar een Vissers
coöperatie opgericht met een half miljoen
gulden aan hulp van de Nederlandse
Vastenaktie en de Novib. Helaas gingen we na
tien jaar failliet vanwege corruptie en onderlinge
verhandeling op zee van de ’s nachts gevangen
vis van de Coöperatie. Wij buitenlanders
13
mochten niet op zee komen voor controle,
omdat de zee tussen Taiwan en China verboden
oorlogsgebied was.
De tweede helft van mijn verblijf in Taiwan heb
ik gewijd aan het studentenwerk in Taipei, de
hoofdstad met vijf miljoen inwoners. Daarvoor
moest ik eerst weer naar de taalschool om de
officiële Chinese taal, het Mandarijns, te leren.
Ik had een groot studentencentrum met
inwonende studenten en was tevens
aalmoezenier van de katholieke studenten van
vier hogescholen en universiteiten. Boeiend
werk. Jonge Chinese studenten zijn niet anders
dan westerse studenten. Ze willen allemaal
vrijheid, vrede en broederschap, veel plezier en
veel geld verdienen. Eindeloos heb ik met hen
de popmuziek-liederen van die tijd, van de
Beatles, de Rolling Stones, de Carpenters, The
Seekers, Elvis Presley, Bob Dylan, Tom Jones
en vele anderen beluisterd en bestudeerd. Ik
bespeurde bij de studenten dezelfde idealen en
dromen over liefde, vrijheid, rechtvaardigheid,
romantiek en toekomst als bij jongeren elders in
de westerse wereld. Onvergetelijke ervaring. In
1980 ben ik teruggekeerd naar (de missie van)
Nederland.
Pastoraat in Nederland 1980-2015
Heerlen. De overgang van de missie in Taiwan
naar het pastoraat in Nederland was veel groter
dan ik me had voorgesteld. Maatschappij en
kerk waren enorm veranderd en
geseculariseerd. . In oktober 1980 werd ik
benoemd tot kapelaan in Heerlen. De mijnen
waren een paar jaren eerder gesloten. Mijn werk
bestond bijna uitsluitend uit godsdienstlessen
geven op school en heel veel huisbezoeken
doen. Ik trof veel ontevredenheid aan onder de
ex-mijnwerkers, want de uitkeringen waren erg
laag en de gezondheid van velen liet het
afweten. Het kerkbezoek was al navenant.
Eefde. In 1982 werd ik benoemd tot overste van
Het Spijk in Eefde, voormalig huis voor de
priesteropleiding, dat nu een
kloostergastenverblijf was geworden. Daar
organiseerde ik o.a. vakantieweken voor
alleenstaanden. Je hoefde maar een advertentie
in een landelijke krant te zetten, of je had zo
vijftig aanmelders. Eenzaamheid, een groot
maatschappelijk probleem in een hoog
ontwikkeld land als Nederland.
Schalkhaar. Mijn voorkeur ging naar het
gewone parochiepastoraat. In 1985 werd ik tot
pastoor benoemd in Schalkaar bij Deventer, een
plattelandsparochie met nog een kwart aan
boeren. Dat zijn voor mij tien prachtige jaren
geworden. Het kerkbezoek was uitstekend,
mooie liturgie met goede koren en een
bloeiende kerkelijke jongerenvereniging.
Lent en Oosterhout (gld) en Slijk-Ewijk
In 1995, 57 jaar oud, wilde ik nog één keer
verkassen en een nieuwe uitdaging in het
pastoraat aangaan. Ik werd benoemd tot
pastoor in de Over Betuwe, in de drie dorpen
langs de Waal: Lent, Oosterhout en Slijk-Ewijk.
Een mooie parochie, maar al sterk op zijn
retour, mede door de Waalsprongplannen van
Nijmegen. Het tuindersgebied met veel
bloemenkassen en agrarische bedrijvigheid
werd geleidelijk maar rigoureus ontmanteld om
plaats te maken voor nieuwbouw voor zo’n
vijftigduizend nieuwe bewoners in NijmegenNoord. Ik heb er met plezier gewerkt totdat in
2005 werd besloten tot fusie van acht
kerkdorpen tot één grote megaparochie met Elst
als centrale kerk. Veel vergaderingen, veel
verzet van de parochianen vanwege verlies van
eigen identiteit en cultuur. In 2008 werd ik
zeventig jaar en heb ik bij de bisschop van
Utrecht mijn ontslag aangevraagd als pastoor. Ik
verliet de pastorie in Lent en ging met mijn
trouwe huisgenote Nel (sinds 1985) particulier
wonen in Bemmel. Ik ben nu priester-assistent
in een tiental kerken en drie verzorgingshuizen.
Ik voel me er heel goed bij, want ik blijf zo
pastoraal nog actief, maar wel in mijn eigen
tempo en zonder de grote verantwoordelijkheid
van een pastoor in deze, - ook kerkelijk -,
hectische tijd van nu. Mijn roeping is gelukkig
nog springlevend!
Tot zover mijn epistel.
P.S. De grote belangstelling bij de uitvaart in de
kerk van onze oud-buren Henkie Ni’j Leeftink
(Reierink) en Anna van de Helmer (Klein
Gunnewiek) was indrukwekkend. Ik proefde er
het sterke saamhorigheidsgevoel in van de
mensen uit Voor-Beltrum. Dat deed me heel erg
goed. Dat het nog lang zo mag blijven!
Sinds dat mijn broer Jan en Anneke in 1981
14
naar Steenwijk verhuisden kom ik helaas niet
vaak meer in Voor-Beltrum. Maar ik blijf er wel
heel mooie herinneringen aan bewaren
Graag wens ik U allen alvast een Zalig
Kerstfeest en een Gezegend Nieuwjaar.
Met hartelijke groet, en ... leu, allemoale
goodgoan!
Bemmel december 2015
Frans Bomers
:
“
+9. Bomers, Antonius Josef Franciscus
geb. ca. 1940
ovl. na 1999 (Leeftijd > 60 jaar)
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Johannes Bernardus Bomers | ||||||||||||||||||
(1) | ||||||||||||||||||
Maria Euphemia Berendina te Braake | ||||||||||||||||||
(2) 1948 | ||||||||||||||||||
Anna Maria Louisa Roes | ||||||||||||||||||
Die angezeigten Daten haben keine Quellen.