De familie Hogenstijn, die oorspronkelijk afkomstig is uit het Duitse plaatsje Jerichow aan de Elbe, woont vanaf omstreeks 1830 in Castricum.
- Jerichow de bakermat van de familie Hogenstijn.
Het plaatsje Jerichow, waar de Castricumse familie Hogenstijn vandaan komt, ligt 60 km ten noordoosten van de stad Maagdenburg. Op 30 september 1789 wordt in de Evangelisch-Lutherse kerk aldaar Johann Friedrich Hohenstein
gedoopt. Deze Johann zal in 1864 op 75-jarige leeftijd overlijden in Castricum als Jan Hogenstijn. Hij heeft dan een bewogen leven achter de rug.
Binnen de familie Hogenstijn is door meerdere generaties het verhaal doorverteld dat deze Johann Hohenstein krijgsgevange is gemaakt door het leger van Napoleon bij de terugtocht na de verloren oorlog tegen Rusland. Johann wist echter te ontkomen en is naar Nederland gevlucht:
Tegen de kou droeg hij kranten onder zijn kleren.
De geschiedenis van het landelijke stadje Jerichow gaat terug tot omstreeks 1150. Rond dat jaar wordt in Jerichow een klooster gebouwd, het eerste klooster in Noord-Duitsland dat met bakstenen is opgemetseld.
Jerichow ligt langs de rivier de Elbe. De naam heeft geen enkel verband met de Bijbelse naam Jericho, maar is ontstaan uit een samenvoeging van de Slavische woorden jery en chow en betekent schuilplaats voor de dapperen.
Het stadje telde in 1794 ongeveer 1000 inwoners. De burgemeester schrijft in dat jaar aan de Pruisische overheid dat de meeste inwoners handwerker of dagloner zijn. De boeren hebben te weinig land om hiervan hun gezinnen te
kunnen onderhouden en zij verarmen.
Vooral in de 18e eeuw komen veel Duitsers naar Nederland, omdat hier werk is te vinden en er veel meer welvaart is.
De vader van Johann Friedrich is Johann Andreas Hohenstein,
geboren in het nabijgelegen dorpje Zollchow en timmerman van beroep. Van diens vader, grootvader en overgrootvader, die allen de voornaam Andreas dragen, is zeer weinig bekend; die drie opeenvolgende generaties wonen in Zollchow en zijn respectievelijk werkzaam als timmermansknecht, melkveeboer en boerenknecht. Tot in de huidige generatie wonen er in Jerichow afstammelingen met de naam Hohenstein.
- Johann Friedrich Hohenstein in Ilpendam bij de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal.
We komen Johann voor het eerst in Nederland in de archieven
tegen als hij in 1822 in Ilpendam trouwt met Aaltje Oostermeijer.
Volgens de huwelijksakte woont hij daar dan al twee jaar. Er is in die periode een heel groot project in Noord-Holland in uitvoering, namelijk de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal. Johann zal hieraan ongetwijfeld hebben meegewerkt
en wel aan het gedeelte van Amsterdam naar Purmerend dat langs Ilpendam loopt. Bij de geboorteaangifte van zijn kinderen in Ilpendam komen we als beroep dagloner tegen.
De aanleg van het Noord-Hollands kanaal had oorspronkelijk ten doel om een waterverbinding tot stand te brengen tussen de marinehaven van Den Helder en de marinewerf van Amsterdam, slechts geschikt voor binnenvaartschepen.
Amsterdam werd bedreigd door de steeds moeilijker wordende vaart over de Zuiderzee en door een niet te keren aanslibbing van het IJ en de havens. De stad eiste dat het plan zodanig werd gewijzigd dat het nieuwe kanaal breed en diep genoeg zou worden voor de grootste koopvaarders die in die tijd in gebruik waren. Het 80 km lange kanaal is in korte tijd gereed gekomen, namelijk tussen
de jaren 1819 en 1825.
Uit een rapport van 21 mei 1822 blijkt dat het aantal werklieden is toegenomen tot 9.000 á 10.000. Het moet toen erg druk geweest zijn langs het nieuwe kanaal, want behalve de duizenden poldergasten die met een spa, baggerbeugel
en kruiwagen hun zware werk deden, waren er tientallen moddermolens en kettingmolens, aangedreven door honderden paarden, bezig met het uitdiepen of bemalen van kanaalgedeelten en sluisputten.
De zeer vele kanaalarbeiders kwamen overal vandaan. Dat bleek uit een lijst van 19 mensen die eind mei 1823 te Boekel terechtstonden wegens de moord op de meedogenloze aannemer Gerrit Huyskens: vijf van hen kwamen uit België,
vier uit Duitsland, twee uit de Merwede-streek, vijf uit Noord- en Zuid-Holland en drie elders uit Nederland.
In 1825 is het kanaal gereed. In 1829 woont Johann in Den Helder zo blijkt uit de geboorte van zijn dochter Aaltje in die plaats. We nemen aan dat Johann in Den Helder nog gewerkt heeft aan het kanaal of aan de havens of sluizen.
- Werkzaam bij het grote ontginningsproject in het duingebied van Castricum
In 1824 zijn er vergevorderde plannen om het duinterrein van Bakkum te ontwikkelen tot een volwaardig landgoed met een landhuis, wegen en vaarten, boerderijen met landbouwgronden en bospartijen voor houtkap, jacht en recreatie.
Het landgoed moet zichzelf kunnen bedruipen als een rendabele landbouwonderneming en bovendien landschappelijk mooi zijn. Het zwaartepunt wordt veeteelt.
Deze ontwikkelingen spelen zich af tijdens de regeerperiode van Koning Willem I, die groot voorstander is van het uitvoeren van landontginningsprojecten, sterk betrokken is bij de economische ontwikkeling van ons land en daarvoor initiatieven ontplooit. In 1829 geeft hij een Amsterdamse makelaar opdracht om het duingebied, voornamelijk gelegen onder Bakkum en ter grootte van ruim
1000 hectare, voor hem te kopen. Voor de uitvoering van het ontginningsproject en het beheer van het zogenoemde Landgoed Bakkum stelt de koning op 12 september 1829 een commissie in, bestaande uit drie commissarissen die
belast worden met de uitvoering.
De commissie gaat zeer voortvarend te werk. In 1830 worden een opzichter en vele arbeiders in dienst genomen. Een arbeider verdient 16 stuivers per dag. Aan de ontginning wordt in dat jaar door 58 toen zogeheten aardwerkers gewerkt.
De geboorte van het vijfde kind van Johann Hohenstein in 1833 is in Castricum. Hij woont dan in het Koningsduin en zal dus werkzaam zijn bij het ontginningsproject, evenals zijn zwager Jan Oostermeijer uit Ilpendam. In de periode 1830 - 1836 worden meerdere boerderijen gebouwd, onder andere Johannas Hof, Van Lennepsoord, de Kroftwoning en aan de Zeeweg ook het Commissarishuis. Ook verschillende afwateringskanalen worden gegraven, duinvlakten geëgaliseerd en vele bomen geplant. Op 29 juli 1839 brengt koning Willem I een bezoek aan Castricum om zijn duinontginning te bezichtigen. Het project is dan al enkele jaren gereed en inmiddels volop in bedrijf.
- In Castricum gebleven als Hogenstijn
Na het gereedkomen van het ontginningsproject blijft Johann
Hohenstein in Castricum wonen. Zijn naam wordt
verder vernederlandst tot Hogenstijn. Bij zijn tweede
huwelijk in 1842 heet hij nog officieel Hohenstein, maar
hij tekent zelf al met J. Hogensteijn. Na 1840 komen we
hem in de burgerlijke stand bij huwelijken, geboorteaangiften
of als getuige bij huwelijken tegen met het beroep
arbeider, op latere leeftijd ook als winkelier en tapper. Hij
woont aan de Duinzijde. Bij de start van het bevolkingregister
van Castricum in 1850 wordt hij ingeschreven als
Jan Hogensteijn (de oude) en zijn oudste zoon als Jan Hogenstijn.
De naam Hogenstijn was in Kennemerland een al reeds eeuwen bestaande familienaam.
De aanleg van het Groot NoordHollandsch Kanaal van Amsterdam naar Den Helder.
- De drie zonen: Jan, Andries en Teunis
Johann en zijn eerste vrouw Aaltje Oostermeijer krijgen acht kinderen, waarvan er twee op zeer jonge leeftijd overlijden; de zoons Jan, Andries en Teunis zullen het geslacht voortzetten.
De huidige familie Hogenstijn in Castricum stamt af van de zonen Jan en Andries, is aanvankelijk Luthers, maar sluit zich later aan bij de Nederlands-hervormde gemeente.
De oudste zoon Jan (1822-1902) is arbeider en landbouwer (tuinder), woont lange tijd in de Duinontginning en is gehuwd met Elisabeth Adriana Eckhart; zij krijgen vijf kinderen, waaronder zoon Johan Jacob Hogenstijn (1851- 1912). Deze Johan trouwt met Klaasje van den Berg en koopt later een boerderij op de Brakersweg 20. Op deze boerderij hebben ook zijn zoons Jan Hogenstijn, gehuwd met Johanna Goedmaat en Kees Hogenstijn, gehuwd met Marijtje Modder, geboerd.
De tweede zoon Andries (1825-1866) is arbeider en koetsier, woont aan de Lagedijk te Zaandijk, is gehuwd met Margaretha van der Wal. Hij overlijdt op jonge leeftijd, een zoon Jan en een dochter Bartha achterlatend. Margaretha
van der Wal hertrouwt met Jan Beusman en gaat in 1871 in Castricum wonen, de plaats waar haar eerste man zijn jeugd heeft doorgebracht en waar haar zwager Jan Hogenstijn woont. Haar zoon Jan Hogenstijn (1861-1915) trouwt met Marijke Ineke. Dit echtpaar krijgt maar liefst zes zonen: Andries, Manus, Dirk, Doris, Albert en Gerrit.
Zij krijgen geen dochters. Overigens hebben deze zes zonen uitzonderlijk weinig kleinkinderen in de mannelijke lijn. Alleen de zonen Dirk (1891-1991) en Gerrit (1899-1989) krijgen elk slechts één kleinzoon Hogenstijn.
De zes zonen zijn in de agrarische sector werkzaam, vooral als tuinder (groente en bloembollen). De oudste zoon Andries (1887-1943) woont aan de Beverwijkerstraatweg, trouwt met Adriaantje de Graaf en heeft acht kinderen, waarvan alleen Jan en Antje trouwen; de anderen blijven ongehuwd.
De zoons Manus, Dirk en Dorus wonen aan de Kramersweg in de Duinkant. Manus is ook veehouder, is gehuwd met Tanna van Maarleveld en heeft alleen twee dochters; Dirk trouwt met Leentje Mooij, heeft alleen een zoon en
Dorus trouwt met Lena Zuidweg. Dorus en Lena hebben vijf kinderen: vier dochters en een zoon die ongehuwd blijft. De vijfde en zesde zoon van Jan Hogenstijn, Albert (Ab) en Gerrit, gaan de groente ook verkopen en beginnen
samen een groentewinkel in de Dorpsstraat. Ab blijft ongehuwd en Gerrit trouwt met Maria ten Wolde (zie over haar een apart artikel in dit jaarboek). Zij krijgen twee kinderen Marie en Huib.
De derde zoon van Johann Hohenstein Teunis (1826-1919) trouwt in 1850 als Teunis Hohensteijn met de Alkmaarse Catharina Kors. Catharina is rooms-katholiek evenals de nakomelingen van Teunis en Catharina, die de naam Hohensteijn voeren en aanvankelijk overwegend in Koog aan de Zaan woonachtig zijn.
Teunis kunnen we beschouwen als de stamvader van de Noord-Hollandse familie Hohensteijn. Teunis is koetsier, stalhouder en later veehouder. Uit zijn huwelijk wordt een dochter geboren die op jonge leeftijd overlijdt. Daarna
volgen nog vijf zonen die elk voor nageslacht zorgen.
Teunis woont na zijn huwelijk in 1850 eerst enkele jaren in Alkmaar, daarna tien jaar in Westzaan, veertig jaar in Koog aan de Zaan en zijn laatste 15 jaren met een huishoudster in Alkmaar.
- Een familie Hogenstijn uit Velsen en Haarlem
Naast de Castricumse familie Hogenstijn afkomstig uit Jerichow, bestaat er ook een familie van die naam uit Velsen met nakomelingen tot in de huidige generaties. Een van hen is dr. Clemens M. Hogenstijn, die veel gepubliceerd
heeft over de geschiedenis van zijn geboortestad Deventer, maar ook onderzoek heeft verricht naar de familie Hogenstijn in Kennemerland. Hij verstrekte de hiernavolgende informatie.
De eerste leden van deze familie Hogenstijn zijn te vinden in Velsen in de eerste helft van de 17e eeuw . Inmiddels strekt dit geslacht zich uit over elf elkaar opvolgende generaties.
De naam van de familie wordt op vele verschillende wijzen geschreven: aanvankelijk vooral Hoogesteijn en na de invoering van de burgerlijke stand in 1811 dikwijls Hogenstijn. Van de oudst bekende naamdrager is slechts de voornaam Cornelis bekend. Zijn zonen heetten Engel en Arie (Adriaan). Beiden kregen nageslacht.
De eerste generaties bleven meestal in Velsen of vestigden zich in de omliggende dorpen in Kennemerland. Voor zover beroepen bekend zijn, waren zij veehouder, soms in combinatie met een functie als keurmeester van vee en
van hooi. Als nevenfunctie was een van hen Rooms Armenmeester.
Vrij snel kwamen contacten met de stad Haarlem tot stand en vestigden sommige Hogenstijnen zich daar. In Haarlem kwamen al veel langere tijd naamdragers Hogenstijn voor.
Niet weinigen zijn in de Haarlemse regio blijven wonen. Anderen vertrokken naar Amsterdam en het Gooi.
De steendrukker Wilhelmus Hogenstijn (1808-1868), aanvankelijk molenknecht in de Haarlemmermeer, vestigde zich in Deventer. Een deel van zijn nageslacht bleef daar tot op heden wonen, een ander deel ging terug naar de omgeving van Haarlem of verhuisde naar Amsterdam. In latere generaties verspreidden de nazaten zich verder. De familie uit Castricum was vanouds luthers, die uit Velsen
en Haarlem katholiek.
Naast de hiervoor genoemde familie Hogenstijn, die terug gaat op de broers Engel en Arie, komen nog meer personen met de naam Hogenstijn in Haarlem en elders in Kennemerland voor. Sommigen van hen leefden (veel) eerder dan de Velsenaren. Enkelen vallen op als gevolg van hun maatschappelijke betekenis. Vooral over de laatsten is, zeker in de afgelopen decennia, enkele malen gepubliceerd. Tot dusverre is het echter niet mogelijk gebleken een familierelatie te leggen met de Velsenaren.
- Het gaat hier om de volgende personen:
Heer Philips Henricszoon van Hogesteyn, geboren te Egmond, priester gewijd in 1553, achtereenvolgens pastoor van Hazerswoude, waarvan de pastorie toebehoorde aan de commanderij van St. Jan te Haarlem, prior van die commanderij en tenslotte commandeur (1571-1574), overleden in ballingschap te Amersfoort op 17 december 1574. Van hem zijn geschilderde portretten bekend op een gedenkteken bij een graf in de vorm van een drieluik en in de reeks van commandeursportretten van de Haarlemse Jansheren.
Dit waren de gegevens die tot 1993 bekend waren. In dat jaar publiceerde T. van Bueren haar grote werk: Tot lof van Haarlem. Daarin schetste zij de familiale achtergrond van Philips. Zoals uit het patroniem bij diens naam al blijkt, droeg zijn vader de naam Hendrik. De moeder heette Aag Gerritsdochter. Van Bueren introduceerde ook Philips broer Dirk en zijn zuster Engele, die was gehuwd met Claas Gerritsz., rentmeester van het St. Jansklooster waaraan zijn zwager Philips was verbonden.
Bovendien geeft zij de ouders van Hendrik, Engel van Hogesteyn Janszoon en Elisabeth van Arkel. Zo tekent zich een reeks van vier achtereenvolgende generaties af: Jan, Engel, Hendrik en tenslotte Philips met zijn broer
Dirk en zijn zuster Engele.
Uitgaande van gemiddelde leeftijden voor de opeenvolging van generaties moet
deze reeks in ongeveer het midden van de 15e eeuw zijn begonnen.
Een tweede persoon die in dit kader de aandacht verdient is eveneens een priester: Heer Wouter van Hogesteyn, dominicaan ofwel predikheer. Deze Wouter was op 29 mei 1507 te Utrecht tot priester gewijd. Hij staat, als
Jerusalemvaarder met drie medereizigers, (met wapen) geportretteerd op een paneel dat de geboortegrot te Bethlehem voorstelt. Dit paneel (Amsterdam, ca. 1520) is vermoedelijk afkomstig uit de Jerusalemkapel bij de Amsterdamse Olafkapel. Op de lijst van dit paneel, thans in Museum Catharijneconvent te Utrecht, staan de namen van de vier pelgrims naar Jeruzalem vermeld. Over
deze Wouter van Hogesteyn is niet meer bekend.
- De spreiding van de familie Hogenstijn over Nederland
De naam Hogenstijn is een weinig voorkomende familienaam in Nederland, met in totaal 73 naamdragers volgens de enige in detail gepubliceerde volkstelling van 1947.
Van dit aantal woont het overgrote deel in Noord-Holland, met name 65 naamgenoten. Hiervan is Castricum de gemeente met verreweg de meeste naamdragers en wel 30 Hogenstijnen, gevolgd door Heiloo en Krommenie met
elk 8 en Beverwijk met 6.
Boven de genoemde 73 zijn er in totaal nog 24 personen met in 1947 een geringe variatie in de schrijfwijze van de naam en wel Hogenstein (21x), Hogensteijn (2x) en Hogestijn (1x).
Ook de naamsvariant met dubbel o (Hoogenstein) bestaat en wel nagenoeg uitsluitend in Noord-Holland met in totaal 46 naamdragers, waarvan er 19 in Heemstede en 18 in Amsterdam wonen. Ook hierbij komen in 1947 nog geringe
variaties in schrijfwijze voor: Hoogensteijn (12x), Hoogensteyn (1x), Hoogesteyn (3x) en Hoogestijn (1x).
Van de naam Hohensteijn, die verwant is aan de Castricumse familie Hogenstijn, zijn er in Nederland 27 naamdragers, waarvan er in totaal 21 in Zaandam en Koog aan de Zaan wonen. Daarenboven zijn nog enkele variaties in schrijfwijze:
Hohenstein (8x), Hohensteyn (3x) en Höhenstein (5x).
- Een Duitse adellijke familie Hohenstein
De graven Von Hohnstein behoorden tot een Duitse adellijke familie in de Harz, die vanaf het midden van de 12e eeuw in oorkonden voorkomt en verbonden is aan het kasteel Hohnstein (Harz). De glorieperiode liep tot de 14e eeuw, toen de bezittingen over meerdere takken werden opgesplitst.
Uiteindelijk ging het graafschap in de 17e eeuw over op de familie Thun-Hohenstein.
Tussen 1816 en 1945 bestond in de provincie Thüringen het plattelandsdistrict Grafschaft Hohenstein; het omvatte vier steden en 80 dorpen. Hohenstein komt in Duitsland ook als plaatsnaam vijf keer voor; acht keer wordt een gedeelte of wijk van een plaats zo genoemd.
Ook bestaan er meerdere burchten en kastelen van die naam.
Van de verschillende families Hohenstein zijn er in de loop der eeuwen een flink aantal familiewapens aangetroffen.
Uit het heraldisch standaardwerk van J.B. Rietstap worden maar liefst 12 wapens Hohenstein beschreven en afgebeeld; zij zijn afkomstig uit de volgende
gebieden: Hessen, Pruissen, Rheinland, Thüringen, Würtemberg en de Elzas.
:
Er ist verheiratet mit Anna Louisa Güde.
Sie haben geheiratetQuelle 1
Kind(er):