[Verhulst, Rombout]
VERHULST (Rombout), katholiek gedoopt te Mechelen 15 Jan. 1624 (als ‘Romoldus’), begr. in de GrooteKerk te 's Gravenhage 27 Nov. 1698, beeldhouwer. Hij was de oudste van een zestal kinderen van den bakker Philip Romboutsz. Verhulst te Mechelen en diens vrouw Catharina de Hondt. In 1633 werd hij leerling bij den beeldhouwer Rombout Verstappen te Mechelen, na diens overlijden in 1636 bij François van Loo. Vermoedelijk begaf hij zich vervolgens naar Italië, waar hij volgens Terwesten (bij Kramm) ‘de beste antiquen gestudeert en ook bij een voornaam meester geleert’ heeft. Via Antwerpen begaf hij zich naar Holland; volgens een acte gepasseerd voor notaris P. de Bary te Amsterdam dd. 17 Oct. 1646 bevond hij zich toen reeds te Amsterdam. Hier hooren wij wederom voor het eerst van hem, wanneer hem als medewerker van Quellinus beeldhouwwerk wordt opgedragen voor het nieuwe Stadhuis. Vermoedelijk heeft hij groot aandeel gehad in de omstr.
Over het gehelewerk
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (10 delen)
Over dit hoofdstuk/artikel
over Rombout Verhulst
[p. 1094]
1654 tot stand gekomen grifflersbank. Verder is werk van zijn hand het bas-relief ‘de Stilswigentheyt’, ‘Getrouwigheit door den hondt’ en de Venus-groep (omstr. 1655), alle nog in het tegenwoordig Kon. Paleis te Amsterdam aanwezig. De bekendheid door deze werken verworven was oorzaak, dat hem een praalgraf voor den admiraal Tromp werd opgedragen, op te richten in de Oude Kerk te Delft, welk werk door hem met medewerking van Willem de Keyzer naareen ontwerp van Jacob van Campen in 1658 werd voltooid. In hetzelfde jaar verhuisde hij naar Delft, waar hij gewerkt heeft aan de nieuwe Waag (o.a. is van zijn hand het groote bas-relief aan den voorgevel) en het Pesthuys (1660); ook dateeren uit dien tijd de praalgraven voor burgemeester van der Werff in de St. Pancraskerk te Leiden (1661) en dat van Johannis Polyander van Kerckhoven in de Sint Pieterskerk aldaar (1663). Het laatste werk door Verhulst in zijn leidsche periode vervaardigd, luidde zijn bloeiperiode in en heeft veel tot zijn roem bijgedragen; dit is de graftombe voor Willem vanLyere en zijn vrouw in de kerk te Katwijk-binnen (1663). In hetzelfde jaar 1663 verhuisde hij naar 's Gravenhage (de kwitantie voor laatstgenoemd werk dd. 30 Nov. is reeds aldaar gedagteekend), waar hij een tijdperk van grooten voorspoed tegemoet ging. De opdrachten stroomden hem toe, terwijl zijn werkzaamheden hem nu eens naar Groningen of Zeeland, dan weer naar Amsterdam, Rotterdam of Utrecht brachten. Zijn meestergeld voor het gilde betaalde hij in de hofstad op 15 Nov. 1664; hoofdman bij het gilde was hij in de periode 1668-69, 1671-72, 1676, 1680, 1684-86 en 1690-94, terwijl hij in 1676 lid was der confrerie Pictura. Uit dezen bloeitijd dateeren de praalgraven voor: baron von Inn- und Kniphausen in de kerk te Midwolde (1669), Joh. van Gheel, heer van Spanbroek in de kerk te Spanbroek(omstr. 1668), Henric Thibault te Aagtekerke (1669), Dirck Graswinckel in de Groote Kerk te 's Gravenhage (1670), admiraal Willem van der Zaan in de Oude Kerk te Amsterdam (1670), Hier. van Tuyl van Seerooskerke te Stavenisse (overl. 1669) en Johan Clant van Stedum in de kerk te Stedum (Gron. 1672). Vermelding verdient nog, dat in 1665 door de Staten-Generaal besloten was tot oprichting van een praalgraf voor den admiraal van Wassenaar-Obdam; het ontwerp van Barth. Eggers werd toenmaals echter boven dat van Verhulst gesteld en tot uitvoering gebracht. Na zijn 50ste jaar trad bij Verhulst een periode van achteruitgang en verval in. Uit dien tijd dateeren de praalgraven voor admiraal Isaäc Sweers in de Oude kerk te Amsterdam (1674), voor Willem Josef baron van Gendt in de Domkerk te Utrecht (omstr. 1674), voor Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1681) en voorde gebroeders Evertsen in de kerk te Middelburg (1682). Vooral het grafmonument voor de Ruyter verwierf groote bekendheid; het is pompeus doch krachteloos van uitvoering.
De graftomben van Verhulst leggen getuigenis af van onze in den gouden eeuw verworven welvaart en rijkdom. Technisch gesproken zijn zij voortreffelijk uitgevoerd, vooral ten aanzien van de liggende figuren wist Verhulst ‘in 't marmer te schilderen’. De achtergrond van wapens, tropheeën enz. maakt echter meestal een rommeligen en onarchitectonischen indruk. Daarbij komt dat de praalgraven alle naar één schema zijn gemaakt, zoodat zij ondanks velerlei variaties eenigszins eentonig aandoen. Met Quellinus vertegenwoordigde Verhulst hier te lande de nieuwe richting in de beeldhouwkunst, die ten opzichte
[p. 1095]
van vroegere kunstuitingen streefde naar meerdere losheid in de compositie en vrijer rangschikking der onderdeelen.
Verhulst heeft ook talrijke portretbusten gemaakt van sober en weldoordacht realisme. Zoo heeft men van hem een buste vaneen onbekende in het utrechtsch museum (1656), een borstbeeld van Jacob van Reigersbergh (1671), een buste van gebakken aarde in het Ned. Museum te Amsterdam (omstr. 1672), busten van Frederik Hendrik, Prins Willem II, Maria Stuart en Willem III (1683) in het Mauritshuis te 's Gravenhage, enz.
Verhulst is nimmer getrouwd geweest. Onbekend is of hij in Holland katholiek is gebleven. Op 10 Aug. 1677 maakte hij voor notaris G. van Dalfzen te 's Gravenhage zijn testament, waarbij hij tot universeel erfgename benoemde Christina Ignasdr. Verkest, een dochter van zijn zuster Catherine Verhulst. Op 27 Dec. 1692 maakte hij een nieuw testament, waarbij hij als eenig erfgenaam instelde zijn neef Anthony Matthijsz. te Mechelen, terwijl hij ten slotte bij uiterste wilsbeschikking van 3 Juni 1697 de haagsche kooplieden Pieter van Beaumonten Richard van der Kun tot zijn erfgenamen maakte.
Zijn leerlingen waren Jan Blommendael, Nic. Millich, Mart. de Meester, Thomas Sacx en Nic. Sonag.
Zijn portret werd door Barth. van der Helst geschilderd.
Zie: R. van Eynden en A. van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst (1816-42) I, 200, IV, 120; C. Immerzeel, De levens en werken der holl. envl. kunstschilders (1843), III, 176; C. Kramm, De levens en werken der holl. en vl. kunstschilders (1857-64), VI, 1721, Suppl. 155; Nagler, Neues allgem. Künstler-Lexikon(1835-52) XX, 107; Em. Neeffs, Histoire de la peinture et de la sculpture à Malines (1876), II, 203; G. Galland, Geschichte der holländischen Baukunst und Bildnerei (1890); Obreen, Archief voor Ned. kunstgeschiedenis (1877-87), IV, V; M. van Notten, Rombout Verhulst, beeldhouwer 1624-98 ('s Gravenhage 1907); M.v. Notten, Twee portretbusten door Romb. Verhulst in Het huis, oud en nieuw V (1907), 211; W. Vogelsang in Bulletin v.d. Oudheidk. Bond (1908), 44; A. von Wurzbach, Niederl. Künster-Lexikon II (1910), 771; Oud-Holland (1889) 219; (1918) 247; (1920) 163, 164; A. Bredius, Künstler-Inventare, reg. i.v.; C.H. de Jonge in Kunstgeschiedenis der Nederlanden onder red. van H.E. van Gelder (1936), 360, 361.
Wijnman
Web content link:https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Rombout_Verhulst?uselang=nl#mw-subcategories Werken Rombout Verhulst
Web content link:https://rkd.nl/nl/explore/artists/80391 Rombout Verhulst
Web content link:https://rkd.nl/nl/explore/portraits#query=rombout+verhulst Beelden Rombout Verhulst
Web content link:https://rkd.nl/nl/explore/images#query=rombout+verhulst Werken 2 Rombout Verhulst
Web content link:https://rkd.nl/nl/explore/images#query=rombout+verhulst Wikiwand Rombout Verhulst
Web content link:http://www.nazatendevries.nl/Genealogie/Beroemde%20familieleden/Nittersum%20in%20Stedum/Egbert%20Clant%20van%20Stedum%20en%20de%20borg%20Nittersum.html Egbert Clant voor wie Rombout het praalgraf maakte
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Artikel in Groninger krant over twee praalgraven, gemaakt door Rombout Verhulst