Pass auf: Ehegatte (Mabilia van Arkel (van de Lede)) ist 39 Jahre jünger.
Er ist verheiratet mit Mabilia van Arkel (van de Lede).
Sie haben geheiratet.
Kind(er):
Hij wordt te Utrecht vermeld van 1242-1271.
Ridder geworden tussen 22 november 1252 (RAU. St. Narie. Inv. no. 766) en 22 februari 1254 (Ant. Matthaeus: De rebus Amersfortensibus, pag. 198) e
n men vindt voor het eerst zijn nieuwe ridderzegel onder de oorkonde van 17 Maart 1259 (RAU. Oudmunster. Inv. no. 1628). Het is een groot ruiterzegel (61 mm. in diameter) met een tegenzegel. Het rands
chrift luidt: + Sigillu. . . SELBERTI . . . . . . MILITIS. Het tegenzegel vertoont, in een gothisch schild, het wapen van Goye, nl.: gedwarsbalkt van zes stukken, de oneven balken van vair; het randsc
hrift is niet goed meer te lezen. Er lijkt te staan: "Frange. (L) ege . tege".
Hij is hij later tussen 2 februari1266 en 28 juli 1268 als broeder in het Duitse Huis te Utrecht getreden, waarva
n hij tussen 24 juli 1269 en 4 februari 1270 commendator-broeder is geworden; heer van Goye en Hagesteijn.
Sedert de Utrechtse bisschop Otto II (van der Lippe) in 1220 zo succesvol de gehele sta
d Utrecht onder zijn macht had weten te brengen, was er voor de nakomelingen van Wolterus comes de Goye als rijksambtenaren in Utrecht geen plaats meer. Ook buiten de stad werden de vroegere landelijk
e rijksgraven, die in feite al lang in bisschoppelijke dienst stonden, vervangen door bisschoppelijke ambtenaren, die zelfs niet meer in schijn met de Kroon verbonden waren.
Na het verdwijnen d
er graven van Goye werd hun vroegere ambt, dat nu de bisschop ter begeving stond, versplinterd. Een deel ervan zal vermoedelijk in handen zijn gelegd van schouten of meiers, een ander deel is misschie
n overgegaan op de maarschalk, die in deze tijden als bisschoppelijke ambtenaar in opkomst is en een hoge rechterlijke functie ging bekleden. Opvallend is, dat men in de eerste helft der 13de eeuw gé
én heren van Goye in die functies aantreft. In 1224-1227 (OB Sticht II, no. 721, 22 juli 1224; no. 722, nà juli 22 anno 1224; no. 730, anno 1224; no. 748, 29 maart 1226; no. 764, 25 mei 1227), komt
een Alfardus als maarschalk voor, in 1232 (OB Sticht II, no. 846) een zekere Stephanus, in 1239 en 1240 (OB Sticht II, no. 847, anno 1239; no. 956, 30 okt 1240) Arnoldus de Scal( c)wich en in 1252 en
1258 Sguederus de Bosinchem, zoon van Stephanus. Eerst in 1265 (RA. Zwolle, Diverse charters, Charter dd. 21 april 1265) ontmoet men een Giselbertus de Goye als marscalcus van bisschop Hendrik van Via
nden (1250-overl 5 Juni 1267). Men kan zich nu afvragen wat de reden mag zijn, dat in een zo lang tijdvak (ongeveer 30 jaren) geen vertegenwoordiger van ditgeslacht in dat hoge rechterlijke ambt te v
inden is. Dit was toch wel te verwachten gelet op het feit, dat de heren van Goye gedurende zo lange jaren, wellicht eeuwen, een hoge rechterlijke positie in het Nedersticht hadden ingenomen. Hebben z
ij zich opzettelijk afzijdig gehouden, is het toe te schrijven aan halsstarrigheid, het niet willen bukken voor de bisschop en de veranderde tijdsomstandigheden? Het feit echter, dat reeds in 1224-123
2, nog tijdens het leven dus van graaf Walterus, anderen het maarschalks-ambt bekleden, zou er op kunnen wijzen, dat in de verhouding van de bisschop tot de heren van Goye een zekere verwijdering was
ingetreden, ja dat misschien zelfs Walterus wel het land had verlaten (Mecklenburg!). Zekerheid daaromtrent bestaat er niet, maar gezien de ontwikkeling der politieke verhoudingen rondom de bisschop o
mstreeks het midden der 13de eeuw en gelet op de wijze, waarop Giselbertus de Goye daarbij was betrokken, is een verkoeling tussen de kerkvorst en Walterus waarschijnlijk en is zij voor Giselbertus me
t zekerheid vast te stellen.
De periode van 1234-1267, tijdens het episcopaat van Otto III van Holland (1233-1244 elect en daarna bisschop tot overl 27 Maart 1249) en Hendrik van Vianden ( 1251
-overl 5 Juni 1267), kenmerkte zich door een weifelende houding tegenover het Rijksbestuur, anderzijds gaf ook de kroon blijk van een onvaste politiek jegens de bisschop. In de beginne volgde bisschop
Otto een gedragslijn, die zowel tegen paus als kroon inging: maar nadat zijn oomzegger graaf Wilem II van Holland tot Rooms Koning was gekozen, wijzigde de bisschop in het laatst van zijn leven zijn
houding en bereidde de koning nog twee maanden voor zijn dood te Utrecht een plechtige ontvangst (1249). Na een kort tussenbewind van bisschop Goswinus van Randerode, ging het bestuur van het bisdom i
n 1251 over op de zwakke Hendrik van Vianden, die volkomen aan de leiband liep van de krachtigen, maar tot intrigues geneigden aartsbisschop van Keulen Conradus von Hochstaden en zich onder diensinvl
oed richtte tegen de Staufisch gezinden Stichtse adel, kapittel-geestelijkheid en jonge stedelijke raadspartij in Utrecht.
Toen Koning Willem na zijn huwelijk, in 1252, met Elisabeth van Brunswi
jk in wijder kring erkenning vond, was dit voor hem aanleiding zijn tot dusver gevoerde beleid te herzien en zocht hij toenadering tot de adel en zijn stedelijken aanhang. Een aanslag, tijdens zijn ve
rblijf te Utrecht, tegen Willem in 1255 gepleegd, werd evenwel oorzaak van een felle vete tegen deze stad en liep weldra uit op een openlijke oorlog mede gericht tegen bisschop Hendrik. Koning Willem
sneuvelde kort daarop (24 Jan. 1256) te Hoogwoude tegen de Friezen en werd als Rooms-Koning opgevolgd door Richard vanCornwallis. Na diens erkenning door bisschop Hendrik en door Florens 'den Voogd',
broeder van de overleden koning en voogd van diens minderjarigen zoon (de latere) Floris V, werd weldra, op 12 Juni 1257 (RAU. Arch. Biss., Inv. no. 419), te Bodegraven vrede gesloten tussen bisschop
en stad enerzijds en Florens, de Voogd van Holland, en de Stichtse adel anderzijds. De hoofden van de adelspartij, heer Ghilebertus de Goie en Ghilebertus de Hamestelle (van Amstel) werden gedwongen
smadelijke vernederingen te ondergaan. Zij moesten, vergezeld door niet minder dan 500 hunner mannen, blootvoets en in boetekleed gehuld, op zondag 17 juni 1257 in den oude Dom te Utrecht komen om daa
r op hun knieën de bisschop voor het gebeurde nederig vergiffenis te vragen, te zweren zich op geen enkele manier meer te zullen verzetten tegen kerk en bisschop en de laatste als hun heer te zullen
erkennen en trouw te zullen zijn. Daar Ghilebertus de Goie een zoon was van Wolterus comes de Goie, is thans de positie der heren van Goye in de eerste helft der 13de eeuw in het Sticht duidelijker ge
worden.
Door de tijden heen waren zij koningsgetrouw gebleven en konden nimmer de achteruitgang in macht en aanzien van hun geslacht verkroppen. Zij bleven tegen de Utrechtse bisschop, die zij
in zijn streven naar de landsheerlijke macht aanzagen als hun belager en de bewerker van het hun aangedane onrecht, een wrok koesteren. Van hun kant vonden de bisschoppen in hun voortdurende tegenstan
d zeer zeker geen reden tot welwillendheid jegens die heren, maar eerder een gerede aanleiding hen waar mogelijk aan de kant te zetten en te weren uit de sleutelposities, eertijds door hun voorgeslach
t in de Stichtse landen ingenomen. De vrede van Bodegraven schonk de bisschop een welkome gelegenheid die tegenstand voor goed te breken.
Giselbertus blijkt in 1259 (RAU. Kl. Kapittelen en Kloos
ters. Inv. no. 530, Cartularium Convent van Oostbroek, fol 11, 7 November 1259) in het bezit te zijn van het huis ten Goye; op 7 november van dat jaar verkoopt hij, met goedkeuring van de bisschop, de
grove en smalle tiende in "Seyster hoever" (Zeisteroever tussen Bunnik en Zeist), in "Eygen" (vermoedelijk de latere Vinkenbuurt, onder Zeist) en in "Crosa" (Kroost onder Zeist), die hij van de bissc
hop in leen hield, aan het convent van Oostbroek; als vergoeding moet hij aan de bisschop 13 morgen allodiaal land afstaan, gelegen naast zijn huis in Goye, waarvan acht morgen strekken aan de weg, wa
arlangs men naar zijn huis gaat (thans de Molenweg genaamd) en de overige vijf morgen degene zijn, die hij heeft gekocht van Spieryngus de Goye, benevens twee hofsteden, waarin eertijds de kapel van z
ijn huis in Goye stond. In een vidimus van 10 April 1298 (RAU. Dom., Inv. no. 954 Vidimus van 5 nov. 1298 van een brief van 10 april 1258), van een oorkonde uit het jaar 1258, wordt hij heer van Goye
genoemd, hij heet daar: Dominus Ghiselbertus dominus de Goye miles. De domdeken Petrus met de kanunnik-kameraar van Oudmunster Jacob benevens Ghiselbertus miles de Goye Dominus, door de plebanen en pa
rochianen in Gaspewerde (Gasperden) en de parochianen van Tulle tot arbiters gekozen, doen uitspraak in hun kerkelijke geschillen. Daaruit blijkt, dat Ghiselbertus te Gasperden en Tulle belangen had,
die wel dààruit zullen voortspruiten, dat hij reeds beleend was met de zogenaamde heerschappij van Hagestein, die wij later nog zullen tegenkomen. In 1261 (RAU. St. Marie, Inv. HS. no. 1227, Charter
dd. 13 november 1261) wordt gezegd, dat de parochie Hauten in zijn heerlijkheid lag. Eindelijk in 1265 treffen wij hem aan in onmiddellijke dienst van de bisschop, als diens maarschalk; waarschijnlij
k is hij in dit ambt Sguederus de Bosinchem, zoon van Stephanus en vermoedelijk een verwant van hem, opgevolgd. Ook in het volgende jaar bekleedt hij nog dit ambt, maar in 1268 (ARA. Holl. Leenk. no.
30 (E.L. 32) fol 84v, 28 juli 1268) heeft hij van het wereldse leven afscheid genomen en is hij te Utrecht in het Duitse huis getreden als broeder, want op 28 juli van dat jaar vindt men hem vermeld a
ls ",frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye". Zijn opname in die Orde moet hebben plaats gevonden nà 2 februari 1266, daar hij op die datum nog maarschalk was. Broeder nog op24 juli 1269 (RAU
. Dom.. Inv. no. 953), was Gyselbertus dictus de Goye reeds op 4 februari 1270 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde. no 251) Commendator-broeder. Grote teleurstelli
ngen, die hij op zijn levenspad had ontmoet, zullen wel niet vreemd zijn geweest aan de stap, dien hij had ondernomen. Zijn openlijke en stellig levenslang gevoerde stille strijd tegen de bisschop, he
t zich beroofd zien van de ingewortelde familie-prerogatieven, misschien ook persoonlijke omstandigheden, zullen de oude ridder gemaakt hebben tot een vroegtijdig vermoeid man, die bukkend voor zijn n
oodlot met achterlating van vrouw en kinderen, in de rust van een kloosterleven als ordebroeder in zijn laatste levensjaren het verdriet, dat het leven hem gebracht had, poogde te vergeten. In de verg
aderzaal van de Ridderlijke Duitse Orde Balye van Utrecht hangen de portretten aan de wand van 74 landcommandeurs der Orde van de vroegste tijd af tot nu toe, als no. 4 van die Commandeurs wordt Gisel
bertus de Goye afgebeeld als een grijsaard met een lange witte baard. Het heeft toen niet lang meer mogen duren, op 16 maart 1271 stierf hij en werd begraven in de St. Annakerk van het oude Duitse hui
s buiten de stadsmuren. De juiste datum van zijn overlijden, dat moet hebben plaats gehad tussen 4 februari 1270 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde. no 251) en 19
juli 1271 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde. no 257), vindt men in de oorkonde van 13 juli 1288 (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv. HS. no. 344,
fol 76), waarin zijn weduwe (tweede vrouw) Mabilia op 16maart voor hem memoriediensten sticht in de Dom te Utrecht; behoudens een kleine copieerfout van Buchell, vindt men deze datum ook in het kalen
darium van St. Servaes te Utrecht. Aangezien zijn zoon op 19 juli 1271 (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv. HS. no. 344, fol 76) uitvoering geeft aan een wilsbeschikking van zijn overled
en vader en niet aangenomen kan worden, dat deze 1 jaar en 4 maanden heeft laten verlopen alvorens daartoe over te gaan, zal men wel het jaar 1271 als zijn sterfjaar dienen aan te nemen. Deze zoon, Wa
lterus de Goyefamulus, draagt, omdat wijlen zijn vader Dominus Giselbertus, eertijds broeder en Commendator van het Duitse huis, voor 88 ponden zekere goederen aan dat huis beloofd had, op bovengenoe
mden datum aan dat huis te Utrecht over: 4 morgen land op de Enge in Osthreem (Oostrum), ongeveer 1 km oostelijk van de tegenwoordige buurschap tGoy, voor 40 Utrechtse ponden, verder voor 20 ponden 4
morgen land, Vritgraes genaamd en voor 28 ponden 8 morgen, Hilichlant (Heilig land) geheeten; alles allodiaal land, gelegen in de nabijheid van het huis ten Goye.
Wie de eerste vrouw van Dns. G
iselbertus de Goye is geweest, zou men kunnen afleiden uit de gegevens, die een weinig gebruikt handschrift, toegeschreven aan Arend van Buchell (Univ bibl Utrecht. HS. van Buchell. F. 28. H. 1780, fo
l 17v in voce van Lichtenberch), daaromtrent verschaffen kunnen. Onder het hoofd "Lichtenberch" vindt men daar de mededeeling, dat Jacobus filius Johannis (later Lichtenberch genaamd) in 1252 tot vrou
w had een 'filia de Goy', voorts dat zijn vader tot vrouw had een filia de Arkel en dat hun zoon was de bekende Utrechtse erfschepen Jacobus filius Jacobi, die in 1304 te Utrecht bij een oproer werd v
ermoord en het eerst, nà 1290 de naam "Lichtenberch" heeft aangenomen, naar zijn huis onder Woudenberch gelegen. Tegelijk met zijn naam veranderde deze schepen ook zijn wapen. In 1288 zegelde hij nog
met het bekende scepterrad, maar nà 1290 (in rood) met uitgetande (zilveren) schildzoom drie (gouden) lelies. Onder hun namen vermeldt Buchell de kwartieren van Jacobus filius Johannis en zijn vrouw
van Goye aldus: Lichtenberch - Goy; Arkel - Vuytterhorst; Velde - Bosinchem; Ruweel - Rover.
Volgens deze opstelling zou de moeder van Dns. Giselbertus de Goye niet "Amstel", maar "van Bosinche
m" hebben geheten. Een bevestiging van grote waarde van debovenstaande opstelling werd gevonden op een oud rouwbord, dat nog in de tweede helf der 17de eeuw hing in het kapittelhuis van St. Pieter te
Utrecht en aldaar werd gezien door Dr. C. Booth (RAU. Inv. HS. no. 378. Dl. 6 fol 613). Daarop de kwartieren van de moeder: 1. Lichtenberch. 5. Goye. 3. Arkel. 7. Wttenhorst. 2. Velde. 6. Bosinc
hem (Everdingen?).4. Rueel. 8. Rover (van Montfoord).Ghiselbertus de Goye komt voor als: Ghyselbertus de Govengoye (Bovengoye: Upgoye?) 1251; Giselbertus de Goye, miles, 1254; Dominus Ghilebertus d
e Goye, 1257; Dominus Giselbertus dominus de Goye, miles, 1259; Giselbertus miles dictus Dominus de Goye, 1261; Frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye, miles, 1268; Gyselbertus dictus de Goye f
rater .Domus Teutonice Traiect, 1269; Gilbertus de Goye Commendator et frater Domus Theutonice iuxta Traiectum, 1270. Ghiselbertus de Goye is omstreeks 1242 zijn vader opgevolgd in zijn goederen: dit
volgt uit een oorkonde van een tiental jaren later, nl. 1252. Een stuk van 14 April 1252 (RAU. St. Pieter, Inv. no. 343) noemt als zijn moeder: Domina Rixa; in een handschrift van Dr. Booth heet zij d
e weduwe van Walterus comes de Goye, deze graaf was dus zijn vader.
Het hiervoor geschetste openlijke verzet van Giselbertus de Goye smeulde in bedekte vorm vermoedelijk al langer; daarvoor bestaat
meer dan een aanwijzing. In 1251 (Sloet: OB. Gelre en Zutphen, no. 738, 28 december 1251) noemt Gijselbertus de Govengoye, misschien een schrijffout voor "Bovengoye" di. "Upgoye", (de betrokken oorko
nde is alleen in afschrift bewaard gebleven) de Utrechtse bisschop weliswaar zijn 'heer' - hij blijkt in 1245 (0B Sticht II no. 1060, 12 december 1245) diens ministerialis te zijn -- maar hij meent to
ch reden te hebben steun te zoeken bij de graaf van Gelre. Onder zijn allodiale bezittingen behoren twee sloten, nl. het huis te Goye en het huis Hagensteyn. Dit laatste draagt hij in 1251, als zijn h
uis te Gaspewerde, met het land binnen de buitenste singelgracht, op aan graaf Otto van Gelre om het daarna weer in leen te ontvangen en die graaf als leenman te dienen tegen iedereen, uitgezonderd te
gen de bisschop. Blijkens de lijst van leenmannen van de Gelderse graaf wordt hier het huis Hagensteyn bedoeld. Daarenboven werden nog twee hoeven land (64 morgen in deze tijd) opgedragen, die tussen
het huis en den Rijn lagen. Het huis lag ten zuiden van de Lek, maar wij kunnen niet aannemen, dat de Lek hier "Rijn" genoemd zou worden, zodat men die 64 morgen land wel elders zal moeten zoeken en w
el aan de noordzijde van de Lek bij de Randdijk, ter plaatse waar de oude Rijntak de met de IJssel gemeenschappelijke bedding verliet, dwz. onder Eiteren. Giselbertus weet blijkbaar niet heel zeker of
hij dit land wel aan Gelre màg opdragen, want uitdrukkelijk wordt gezegd, dat, mocht deze opdracht geen stand kunnen houden, andere goederen van gelijke waarde zouden worden opgedragen. Indien het g
oed inderdaad onder Eiteren lag, dan zou dit vrij-eigen land in de vroegere gouw Isla et Lake gelegen hebben en zou hier kunnen doorschemeren, dat de oude strijdbijl nog niet begraven was. Nog een kl
ein, maar tekenend feit, dat in die richting wijst, valt te vermelden. De 22sten november 1252 (RAU. St. Narie. Inv. no. 766) oorkondt Giselbertus, dat hij reeds een tiental jaren door blinde hartstoc
ht gedreven, het kapittel van S. Marie te Utrecht overlast had aangedaan in het rustig bezit van de novale tienden in de buurschappen Halten (Houten), Lurich (Loerik), Westerhem, Oesterhem, over den N
ieuwen Dijk en in zekere waard, Dennenwerth of Grevenwerth, genaamd. In tegenwoordigheid van oa. bisschop Hendrik verklaart hij nu geen enkel recht op die tienden te hebben, want dat zij rechtens aan
de kerk van St. Marie toebehoren. Uit de beschrijving blijkt, dat dit juist die tienden waren, waarvan zijn vader Walterus comes de Goie in 1227 afstand gedaan had. De oorkonde wordt bezegeld door nie
t minder dan 18 getuigen, waaronder twee Amstels en Hermannus de Worden (Woerden). Het 19de zegel is van Giselbertus de Goye, die nog géén ridder is en dan ook zegelt met een ander zegel dan later,
toen hij deze titel wèl voerde. Dit oudst bekende Goye-zegel vertoont een zéér opmerkelijke bijzonderheid. Het is zéér groot (niet minder dan 63 mm. in diameter) in groene was en aan de rand ten
dele geschonden. Ter linkerzijde is in het randschrift van het zegelstempel, vóór het woord "de Goye" een woord uitgestoken, in de wasafdruk is dit nog duidelijk waar te nemen, hoewel deze ter plaat
se geschonden is. Buchell, die in de eerste helft der 17de eeuw dit charter copieerde en het zegel dat toen nog ongeschonden was, natekende, geeft in die tekening de gehele lengte van het uitgestoken
woord weer. Die lengte komt nauwkeurig overeen met de ruimte, die nodig zou zijn voor een woord 'militis' of 'comitis'. Miles was Giselbertus evenwel in 1252 nog niet, dus is vermoedelijk het woord 'c
omitis' uit het zegelstempel verwijderd en heeft er gestaan: "+Sigillum Ghiselberti comitis de Goye", waarvan thans nog over is: "+Sigillu. Ghi . . xxxxxxxx de Goye". Daaruit zou volgen, dat hij zich
in die tijd nog tot de titel 'comes' gerechtigd voelde en dezeook poogde te voeren, maar vermoedelijk, na gerezen verzet (van de bisschop?), genoodzaakt werd dat woord te doen verwijderen. Het is mog
elijk, dat hierin de oorsprong te vinden is van een mededeling bij Anth. Matthaeus. Veteri aevi analecta V. pag. 631 (Anno 1738), waar heer Gijsbrecht van den Goye genoemd wordt als vierde landcommand
eur en als zoon van heer Gisebrecht (sic) grave van den Goye. Nimmer is ons elders een 'graaf' van die naam voorgekomen, zodat het uitgesloten geacht kan worden, dat de landcommandeur, wat Giselbertus
later inderdaad geworden is, het zegel van zijn vader, die immers Wolterus heette, zou hebben gebruikt, na te hebben doen verwijderen, wat niet voor hem paste. De vermeldingen van Giselbertus: ca. 1
242: In de oorkonde van 22 november 1252. Zie hieronder. 1245 dec. 12: Gijsselbertus de Goye, ministerialis van bisschop Otto III, vermeld bij de overdracht van een bisschoppelijk leen van Ghyselbert
us de Amestelle ( 0B Sticht II no. 1060). 1248 febr. 5: Giselbertus de Goy krijgt van bisschop Otto III vergunning om een leengoed, gelegen op Hindensprunc (bij het huis Goye) en vroeger in leen geh
ouden door Gerardus de Ultra Vegth miles, maar door deze in 1247 aan het Duitse Huis verkocht, thans aan dat Huis te Utrecht over te dragen (OB. Sticht II, no. 1160). 1251 Dec.28: Ghiisselbertus de
Govengoye draagt zijn huis bij Gaspewerde (huis Hagestein) en zijn gehele binnen de grachten gelegen allodium op aan graaf Otto van Gelre om het weder van hem in erfleen te ontvangen en de graaf daar
mede tegen iedereen, behalve tegen zijn heer de bisschop van Utrecht, te dienen. 1252 april 14: Giselbertus de Goye verkoopt aan het kapittel van St. Pieter te Utrecht grove en smalle tienden in Aldwi
ch (Oudwijk), die hij in leen hield van de Domproost, aan wie hij daarvoor andere goederen had opgedragen. Zijn moeder Rixa, die de lijftocht aan deze tienden bezat, doet daarvan nu ook afstand. Onder
de getuigen komt voor Walterus, zijn jongere broeder (RAU. St. Pieter, Inv. no. 343). 1252 nov. 22: Giselhertus de Goye bekent reeds ongeveer 10 jaren het kapittel van St. Marie te Utrecht te hebben
gestoord in het rustig bezit zijner tienden in Halten, Lurich, Westerhem, Oesterhem, over de Nieuwen Dijk en in een zekere waard, Dennenwerth of Grevenwerth, genaamd. Hij erkent deze tienden ten onre
chte in bezit te hebben genomen en doet thans met zijn broeder Walterus daarvan afstand ten behoeve van het kapittel. Waltcrus verklaart geen eigen zegel te hebben en getuigt onder het zegel van zijn
broeder Giselbertus en de andere zegelaars (RAU. St. Marie. Inv. no. 766). 1254 febr. 22: Giselbertus onder de Ridders, getuige voor bisschop Henricus bij de beslechting van een geschil tussen de ridd
ers Johannes en Adam de Loehorst (Ant. Matthaeus: De rebus Amersfortensibus, pag. 198). 1255 Mense Aprili: Ghiselbertus de Goy miles getuige voor Henricus de Lecka, miles, als deze van het kapittel v
an St. Marie te Utrecht in erfpacht neemt de tol te Smithuysen en de Curtes van Ewijk en Malbergen (OB. Gelre en Zutphen, no. 769). 1255 sept. 4: Giselbertus de Goye miles is consanguineus van de kan
unnik Ghiselbertus de Amestelle (RAU. St. Marie, Inv no. 1647). 1257 juni 12: Dominus Ghilebertus de Goie en Ghilebertus de Hamestelle moeten ingevolge het vredesverdrag tussen de bisschop en de stad
Utrecht enerzijds en Floris Voogd van Holland, Gijsbrecht van Aemstel ea. anderzijds, met 500 man, blootsvoets en in boetekleed gehuld zondag 17 juni in de Domkerk op hun knieën de bisschop nederig
om vergiffenis komen vragen voor het gebeurde, de bisschop trouw beloven en hem als hun heer erkennen (RAU. Arch. Biss., Inv. no. 419). 1258 april 10: Theodericus de Altena, proost van Oudmunster gee
ft 5 november 1298 een vidimus van een brief van 10 april 1258 waarbij de Domdeken Petrus met Jacobus kanunnikkameraar van Oudmunster en Dominua Ghiselbertus bone memorie Dominus de Goye miles alssch
eidslieden uitspraak deden in kerkelijke geschillen tussen de plebanen en de parochianen van Gaspewerden en de parochianen van Tulle. In de oorkonde van 1258 wordt hij genoemd: Ghiselbertus miles de G
ove Dominus (RAU. Dom., Inv. no. 954). 1258 mei 5: Giselbertus de Goye onder de ridders borg voor bisschop Henricus inzake het vredesverdrag tussen hem en Otto graaf van Gelre. Met hem en in volgorde
na hem worden als borgen genoemd de ridders Hubertus (de Bosinchem) Pincerna (schenker) en Sguederus (de Bosinchem) marescalcus van de bisschop(beide laatsten waren zoons van de ridder Stephanus de Bo
sinkem, Pincerna en van diens vrouw Domina Ava (OB. Gelre en Zutphen, no. 807). 1259 Maart 17: De ridder Giselbertus de Goy en om. de ridderGerardus de Amestelle borgen voor Arnoldus junior de Wesema
le. Onder deze oorkonde hangt het ridderzegel van Giselbertus de Goy. 1259 juli 21: Gvselbertus de Goye is met enige andere ridders getuige voor de ridder Theodericus de Pascua (van der Weyden) bij ee
n schenking aan het Duitse huis te Utrecht. Gyselbertus de Goye zegelt hier wederom met zijn ruiterzegel, dat echter zeer geschonden is. 1259 nov. 7: Gijselbertus de Goye miles. Bisschop Hendrik van V
ianden keurt de overdracht goed van de grove en smalle tienden in Seyster hoever (Zeister oever tussen Bunnik en Zeist) en in Eygen en in Kroost in de parochie van Zeist, die Gijselbertus van de bissc
ho in leen hield en verkocht had aan het Convent van Oestbroeck, mits hij ter compensatie aan de bisschop afstaat enig allodiaal land, nl. 13 morgen land naast zijn huis in Goye, waarvan 8 morgen pale
n aan de weg naar zijn huis in Goye en 5 morgen, die hij gekocht heeftvan Spieringus de Goye, benevens 2 hofsteden, waarin eertijds de kapel van zijn huis in Goye stond (RAU. Kl. Kapittelen en Kloos
ters. Inv. no. 530, Cartularium Convent van Oostbroek, fol 11). 1261 nov.13: Giselbertus miles dictus Dominus de Goye. Bisschop Henricus beschikt over zijn goed in Bulhorn, in de parochie Hauten geleg
en, in de jurisdictie van Giselbertus ridder gezegd heer van Goye (RAU. St. Marie, Inv. H.S. no. 1227). 1265 april 21: Gisilbertus de Goie marschalcus van bisschop Hendrik van Vianden komt als derde
voor onder de getuigen, die vermeld worden als milites et ministeriales, als de bisschop aan schepenen, raden en gemeente van Zwolle toestaat aldaar een paardenmarkt te houden en aan alle bezoekers da
arvan vrijgeleide geeft. 1265 juli 6: Giselbertus de Goie vermeld als marescaleus van de bisschop. Hij is ridder (RAU. Inv. HS. no. 334, fol 4). 1265 juli 27: Giselbertus de Goye ridder met Giselbert
us de Amestelle ridder ea. vanwege de bisschop scheidslieden om de nog bestaande of te ontstane geschillen te beslechten na de vrede, gesloten tussen de bisschop en Otto graaf van Gelre (OB. Gelre en
Zutphen. no. 882). 1265 oktober 16: Giselbertus de Goey marscalcus noster genoemd door bisschop Hendrik van Vianden. 1266 febr. 2: Giselbertus de Goye marscalcus van bisschop Hendrik vanVianden verme
ld als eerste onder de milites et ministeriales getuigen voor de bisschop. 1268 juli 28: Frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye met enige andere ridders en de knaap Otto dictus Proys als scheid
slieden gekozen door de ridder Hubertus de Everdinghen en de knaap Arnoldus Snoye enerzijds en de knaap Walterus de Goye anderzijds om al de tussen partijen gerezen geschillen te beslechten (ARA. Holl
. Leenk. no. 30 (E.L. 32) fol 84v). 1269 juli 24: Gijselbertus dictus de Goye frater Domus theutonice Traiectensis met Gijselbertus dictus de Amestelle Canonicus ecclesie beate Marie Traiectensis sch
eidslieden vanwege Johannes de Arkle famulus en Otto dictus de Arkle miles om hunne geschillen met het Domkapittel te Utrecht overde tienden en andere rechten in Osterwiic (Oosterwijk) en Hokelhem (H
eukclom) bij te leggen (RAU. Dom.. Inv. no. 953). 1270 febr. 3: Gilbertus de Goye Commendator et frater Domus Theutonice iuxta Traientum en de overige broeders verbinden zich om aan de gift van een hu
nner medebroeders een bestemming te geven. (1271) XV(II) Kal. Aprilis (= Maart 16). Obiit Dominus Ghiselbertus (RAU. Inv. HS. no. 358 iii fol 114; Kalendarium St. Servaas, alwaar hij vergissing XV i
n plaats van XVII Kal. April). 1271 juli 19: Walterus de Goye famulus oorkondt te hebbenovergrdragen aan het Duitse huis bij Utrecht voor 88 ponden Utrechts enige landen in het Gooi door wijlen zijn
vader Dominus Giselbertus frater et Commendator quondam Domus beate Marie Teutonicorum Traiectensis aan het huis beloofd. 1288 juli 13: Mabilia weduwe van Giselbertus quondam Dominus de Goye miles b
eschikt bij testament over de opbrengst van haar huis in de immuniteit van St. Maarten om na haar dood memoriediensten te laten doen in de Dom te Utrecht voor haar eerste echtgenoot heer Godcscalcus d
e Merwede, haar tweede echtgenoot Giselbertus de Goye en voor haar zelf. Voor haar zegelen Johannes de Herkele ridder en haar zoons Johannes en Daniel van der Merwede. Afschrift met twee nagetekende z
egels: van de ridder Johannes de Arkel en van Daniel (van der Merwede) (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv. HS. no. 344, fol 76).
Hij wordt te Utrecht vermeld van 1242-1271.
Ridder geworden tussen 22 november 1252 (RAU. St. Narie. Inv. no. 766) en 22 februari 1254 (Ant. Matthaeus: De rebus Amersfortensibus, pag. 198) e
n men vindt voor het eerst zijn nieuwe ridderzegel onder de oorkonde van 17 Maart 1259 (RAU. Oudmunster. Inv. no. 1628). Het is een groot ruiterzegel (61 mm. in diameter) met een tegenzegel. Het rands
chrift luidt: + Sigillu. . . SELBERTI . . . . . . MILITIS. Het tegenzegel vertoont, in een gothisch schild, het wapen van Goye, nl.: gedwarsbalkt van zes stukken, de oneven balken van vair; het randsc
hrift is niet goed meer te lezen. Er lijkt te staan: "Frange. (L) ege . tege".
Hij is hij later tussen 2 februari1266 en 28 juli 1268 als broeder in het Duitse Huis te Utrecht getreden, waarva
n hij tussen 24 juli 1269 en 4 februari 1270 commendator-broeder is geworden; heer van Goye en Hagesteijn.
Sedert de Utrechtse bisschop Otto II (van der Lippe) in 1220 zo succesvol de gehele sta
d Utrecht onder zijn macht had weten te brengen, was er voor de nakomelingen van Wolterus comes de Goye als rijksambtenaren in Utrecht geen plaats meer. Ook buiten de stad werden de vroegere landelijk
e rijksgraven, die in feite al lang in bisschoppelijke dienst stonden, vervangen door bisschoppelijke ambtenaren, die zelfs niet meer in schijn met de Kroon verbonden waren.
Na het verdwijnen d
er graven van Goye werd hun vroegere ambt, dat nu de bisschop ter begeving stond, versplinterd. Een deel ervan zal vermoedelijk in handen zijn gelegd van schouten of meiers, een ander deel is misschie
n overgegaan op de maarschalk, die in deze tijden als bisschoppelijke ambtenaar in opkomst is en een hoge rechterlijke functie ging bekleden. Opvallend is, dat men in de eerste helft der 13de eeuw gé
én heren van Goye in die functies aantreft. In 1224-1227 (OB Sticht II, no. 721, 22 juli 1224; no. 722, nà juli 22 anno 1224; no. 730, anno 1224; no. 748, 29 maart 1226; no. 764, 25 mei 1227), komt
een Alfardus als maarschalk voor, in 1232 (OB Sticht II, no. 846) een zekere Stephanus, in 1239 en 1240 (OB Sticht II, no. 847, anno 1239; no. 956, 30 okt 1240) Arnoldus de Scal( c)wich en in 1252 en
1258 Sguederus de Bosinchem, zoon van Stephanus. Eerst in 1265 (RA. Zwolle, Diverse charters, Charter dd. 21 april 1265) ontmoet men een Giselbertus de Goye als marscalcus van bisschop Hendrik van Via
nden (1250-overl 5 Juni 1267). Men kan zich nu afvragen wat de reden mag zijn, dat in een zo lang tijdvak (ongeveer 30 jaren) geen vertegenwoordiger van ditgeslacht in dat hoge rechterlijke ambt te v
inden is. Dit was toch wel te verwachten gelet op het feit, dat de heren van Goye gedurende zo lange jaren, wellicht eeuwen, een hoge rechterlijke positie in het Nedersticht hadden ingenomen. Hebben z
ij zich opzettelijk afzijdig gehouden, is het toe te schrijven aan halsstarrigheid, het niet willen bukken voor de bisschop en de veranderde tijdsomstandigheden? Het feit echter, dat reeds in 1224-123
2, nog tijdens het leven dus van graaf Walterus, anderen het maarschalks-ambt bekleden, zou er op kunnen wijzen, dat in de verhouding van de bisschop tot de heren van Goye een zekere verwijdering was
ingetreden, ja dat misschien zelfs Walterus wel het land had verlaten (Mecklenburg!). Zekerheid daaromtrent bestaat er niet, maar gezien de ontwikkeling der politieke verhoudingen rondom de bisschop o
mstreeks het midden der 13de eeuw en gelet op de wijze, waarop Giselbertus de Goye daarbij was betrokken, is een verkoeling tussen de kerkvorst en Walterus waarschijnlijk en is zij voor Giselbertus me
t zekerheid vast te stellen.
De periode van 1234-1267, tijdens het episcopaat van Otto III van Holland (1233-1244 elect en daarna bisschop tot overl 27 Maart 1249) en Hendrik van Vianden ( 1251
-overl 5 Juni 1267), kenmerkte zich door een weifelende houding tegenover het Rijksbestuur, anderzijds gaf ook de kroon blijk van een onvaste politiek jegens de bisschop. In de beginne volgde bisschop
Otto een gedragslijn, die zowel tegen paus als kroon inging: maar nadat zijn oomzegger graaf Wilem II van Holland tot Rooms Koning was gekozen, wijzigde de bisschop in het laatst van zijn leven zijn
houding en bereidde de koning nog twee maanden voor zijn dood te Utrecht een plechtige ontvangst (1249). Na een kort tussenbewind van bisschop Goswinus van Randerode,
ging het bestuur van
het bisdom in 1251 over op de zwakke Hendrik van Vianden, die volkomen aan de leiband liep van de krachtigen, maar tot intrigues geneigden aartsbisschop van Keulen Conradus von Hochstaden en zich onde
r diens invloed richtte tegen de Staufisch gezinden Stichtse adel, kapittel-geestelijkheid en jonge stedelijke raadspartij in Utrecht.
Toen Koning Willem na zijn huwelijk, in 1252, met Elisabeth
van Brunswijk in wijder kring erkenning vond, was dit voor hem aanleiding zijn tot dusver gevoerde beleid te herzien en zocht hij toenadering tot de adel en zijn stedelijken aanhang. Een aanslag, tij
dens zijn verblijf te Utrecht, tegen Willem in 1255 gepleegd, werd evenwel oorzaak van een felle vete tegen deze stad en liep weldra uit op een openlijke oorlog mede gericht tegen bisschop Hendrik. Ko
ning Willem sneuvelde kort daarop (24 Jan. 1256) te Hoogwoude tegen de Friezen en werd als Rooms-Koning opgevolgd door Richard van Cornwallis. Na diens erkenning door bisschop Hendrik en door Florens
'den Voogd', broeder van de overleden koning en voogd van diens minderjarigen zoon (de latere) Floris V, werd weldra, op 12 Juni 1257 (RAU. Arch. Biss., Inv. no. 419), te Bodegraven vrede gesloten tus
sen bisschop en stad enerzijds en Florens, de Voogd van Holland, en de Stichtse adel anderzijds. De hoofden van de adelspartij, heer Ghilebertus de Goie en Ghilebertus de Hamestelle (van Amstel) werde
n gedwongen smadelijke vernederingen te ondergaan. Zij moesten, vergezeld door niet minder dan 500 hunner mannen, blootvoets en in boetekleed gehuld, op zondag 17 juni 1257 in den oude Dom te Utrecht
komen om daar op hun knieën de bisschop voorhet gebeurde nederig vergiffenis te vragen, te zweren zich op geen enkele manier meer te zullen verzetten tegen kerk en bisschop en de laatste als hun hee
r te zullen erkennen en trouw te zullen zijn. Daar Ghilebertus de Goie een zoon was van Wolterus comes de Goie, is thans de positie der heren van Goye in de eerste helft der 13de eeuw in het Sticht du
idelijker geworden.
Door de tijden heen waren zij koningsgetrouw gebleven en konden nimmer de achteruitgang in macht en aanzien van hun geslacht verkroppen. Zij bleven tegen de Utrechtse bissch
op, die zij in zijn streven naar de landsheerlijke macht aanzagen als hun belager en de bewerker van het hun aangedane onrecht, een wrok koesteren. Van hun kant vonden de bisschoppenin hun voortduren
de tegenstand zeer zeker geen reden tot welwillendheid jegens die heren, maar eerder een gerede aanleiding hen waar mogelijk aan de kant te zetten en te weren uit de sleutelposities, eertijds door hun
voorgeslacht in de Stichtse landen ingenomen. De vrede van Bodegraven schonk de bisschop een welkome gelegenheid die tegenstand voor goed te breken.
Giselbertus blijkt in 1259 (RAU. Kl. Kapitt
elen en Kloosters. Inv. no. 530, Cartularium Convent van Oostbroek, fol 11, 7 November 1259) in het bezit te zijn van het huis ten Goye; op 7 november van dat jaar verkoopt hij, met goedkeuring van de
bisschop, de grove en smalle tiende in "Seyster hoever" (Zeisteroever tussen Bunnik en Zeist), in "Eygen" (vermoedelijk de latere Vinkenbuurt, onder Zeist) en in "Crosa" (Kroost onder Zeist), die hij
van de bisschop in leen hield, aan het convent van Oostbroek; als vergoeding moet hij aan de bisschop 13 morgen allodiaal land afstaan, gelegen naast zijn huis in Goye, waarvan acht morgen strekken a
an de weg, waarlangs men naar zijn huis gaat (thans de Molenweg genaamd) en de overige vijf morgen degene zijn, die hij heeft gekocht van Spieryngus de Goye, benevens twee hofsteden, waarin eertijds d
e kapel van zijn huis in Goye stond. In een vidimus van 10 April 1298 (RAU. Dom., Inv. no. 954 Vidimus van 5 nov. 1298 van een brief van 10 april 1258), van een oorkonde uit het jaar 1258, wordt hij h
eer van Goye genoemd, hij heet daar: Dominus Ghiselbertus dominus de Goye miles. De domdeken Petrus met de kanunnik-kameraar van Oudmunster Jacob benevens Ghiselbertus miles de Goye Dominus, door de p
lebanen en parochianen in Gaspewerde (Gasperden) en de parochianen van Tulle tot arbiters gekozen, doen uitspraak in hun kerkelijke geschillen. Daaruit blijkt, dat Ghiselbertus te Gasperden en Tulle b
elangen had, die wel dààruit zullen voortspruiten, dat hij reeds beleend was met de zogenaamde heerschappij van Hagestein, die wij later nog zullen tegenkomen. In 1261 (RAU. St. Marie, Inv. HS. no.
1227, Charter dd. 13 november 1261) wordt gezegd, dat de parochie Hauten in zijn heerlijkheid lag. Eindelijk in 1265 treffen wij hem aan in onmiddellijke dienst van de bisschop, als diens maarschalk;
waarschijnlijk is hij in dit ambt Sguederus de Bosinchem, zoon van Stephanus en vermoedelijk een verwant van hem, opgevolgd. Ook in het volgende jaar bekleedt hij nog dit ambt, maar in 1268 (ARA. Holl
. Leenk. no. 30 (E.L. 32) fol 84v, 28 juli 1268) heeft hij van het wereldse leven afscheid genomen en is hij te Utrecht in het Duitse huis getreden als broeder, want op 28 juli van dat jaar vindt men
hem vermeld als ",frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye". Zijn opname in die Orde moet hebben plaats gevonden nà 2 februari 1266, daar hij op die datum nog maarschalk was. Broeder nog op 24 j
uli 1269 (RAU. Dom.. Inv. no. 953), was Gyselbertus dictus de Goye reeds op 4 februari 1270 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde. no 251) Commendator-broeder. Grote
teleurstellingen, die hij op zijn levenspad had ontmoet, zullen wel niet vreemd zijn geweest aan de stap, dien hij had ondernomen. Zijn openlijke en stellig levenslang gevoerde stille strijd tegen de
bisschop, het zich beroofd zien van de ingewortelde familie-prerogatieven, misschien ook persoonlijke omstandigheden, zullen de oude ridder gemaakt hebben tot een vroegtijdig vermoeid man, die bukken
d voor zijn noodlot met achterlating van vrouw en kinderen, in de rust van een kloosterleven als ordebroeder in zijn laatste levensjaren het verdriet, dat het leven hem gebracht had, poogde te vergete
n. In de vergaderzaal van de Ridderlijke Duitse Orde Balye van Utrecht hangen de portretten aande wand van 74 landcommandeurs der Orde van de vroegste tijd af tot nu toe, als no. 4 van die Commandeur
s wordt Giselbertus de Goye afgebeeld als een grijsaard met een lange witte baard. Het heeft toen niet lang meer mogen duren, op 16 maart 1271 stierf hij en werd begraven in de St. Annakerk van het ou
de Duitse huis buiten de stadsmuren. De juiste datum van zijn overlijden, dat moet hebben plaats gehad tussen 4 februari 1270 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde.
no 251) en 19 juli 1271 (Jhr. J.J. de Geer tot Oudegein: Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde. no 257), vindt men in de oorkonde van 13 juli 1288 (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv.
HS. no. 344, fol 76), waarin zijn weduwe (tweede vrouw) Mabilia op 16 maart voor hem memoriediensten sticht in de Dom te Utrecht; behoudens een kleine copieerfout van Buchell, vindt men deze datum ook
in het kalendarium van St. Servaes te Utrecht. Aangezien zijn zoon op 19 juli 1271 (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv. HS. no. 344, fol 76) uitvoering geeft aan een wilsbeschikking van
zijn overleden vader en niet aangenomen kan worden, dat deze 1 jaar en 4 maanden heeft laten verlopen alvorens daartoe over te gaan, zal men wel het jaar 1271 als zijn sterfjaar dienen aan te nemen.
Deze zoon, Walterus de Goye famulus, draagt, omdat wijlen zijn vader Dominus Giselbertus, eertijds broeder en Commendator van het Duitse huis, voor 88 ponden zekere goederen aan dat huis beloofd had,
op bovengenoemden datum aan dat huis te Utrecht over: 4 morgen land op de Enge in Osthreem (Oostrum), ongeveer 1 km oostelijk van de tegenwoordige buurschap tGoy, voor 40 Utrechtse
ponden,
verder voor 20 ponden 4 morgen land, Vritgraes genaamd en voor 28 ponden 8 morgen, Hilichlant (Heilig land) geheeten; alles allodiaal land, gelegenin de nabijheid van het huis ten Goye.
Wie d
e eerste vrouw van Dns. Giselbertus de Goye is geweest, zou men kunnen afleiden uit de gegevens, die een weinig gebruikt handschrift, toegeschreven aan Arend van Buchell (Univ bibl Utrecht. HS. van Bu
chell. F. 28. H. 1780, fol 17v in voce van Lichtenberch), daaromtrent verschaffen kunnen. Onder hethoofd "Lichtenberch" vindt men daar de mededeeling, dat Jacobus filius Johannis (later Lichtenberch
genaamd) in 1252 tot vrouw had een 'filia de Goy', voorts dat zijn vader tot vrouw had een filia de Arkel en dat hun zoon was de bekende Utrechtse erfschepen Jacobus filius Jacobi, die in 1304 te Utre
cht bij een oproer werd vermoord en het eerst, nà 1290 de naam "Lichtenberch" heeft aangenomen, naar zijn huis onder Woudenberch gelegen. Tegelijk met zijn naam veranderde deze schepen ook zijn wapen
. In 1288 zegelde hij nog met het bekende scepterrad, maar nà 1290 (in rood) met uitgetande (zilveren) schildzoom drie (gouden) lelies. Onder hun namen vermeldt Buchell de kwartieren van Jacobus fili
us Johannis en zijn vrouw van Goye aldus: Lichtenberch - Goy; Arkel - Vuytterhorst; Velde - Bosinchem; Ruweel - Rover.
Volgens deze opstelling zou de moeder van Dns. Giselbertus de Goye niet "Amst
el", maar "van Bosinchem" hebben geheten. Een bevestiging van grote waarde van debovenstaande opstelling werd gevonden op een oud rouwbord, dat nog in de tweede helf der 17de eeuw hing in het kapittel
huis van St. Pieter te Utrecht en aldaar werd gezien door Dr. C. Booth (RAU. Inv. HS. no. 378. Dl. 6 fol 613). Daarop de kwartieren van de moeder: 1. Lichtenberch. 5. Goye. 3. Arkel. 7. Wttenhors
t. 2. Velde. 6. Bosinchem (Everdingen?). 4. Rueel. 8. Rover (van Montfoord).Ghiselbertus de Goye komt voor als: Ghyselbertus de Govengoye (Bovengoye: Upgoye?) 1251; Giselbertus de Goye, miles, 1254
; Dominus Ghilebertus de Goye, 1257; Dominus Giselbertus dominus de Goye, miles, 1259; Giselbertus miles dictus Dominus de Goye, 1261; Frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye, miles, 1268; Gysel
bertus dictus de Goye frater .Domus Teutonice Traiect, 1269; Gilbertus de Goye Commendator et frater Domus Theutonice iuxta Traiectum, 1270. Ghiselbertus de Goye is omstreeks 1242 zijn vader opgevolgd
in zijn goederen: dit volgt uit een oorkonde van een tiental jaren later, nl. 1252. Een stuk van 14 April 1252 (RAU. St. Pieter, Inv. no. 343) noemt als zijn moeder: Domina Rixa; in een handschrift v
an Dr. Booth heet zij de weduwe van Walterus comes de Goye, deze graaf was dus zijn vader.
Het hiervoor geschetste openlijke verzet van Giselbertus de Goye smeulde in bedekte vorm vermoede
lijk al langer; daarvoor bestaat meer dan een aanwijzing. In 1251 (Sloet: OB. Gelre enZutphen, no. 738, 28 december 1251) noemt Gijselbertus de Govengoye, misschien een schrijffout voor "Bovengoye" d
i. "Upgoye", (de betrokken oorkonde is alleen in afschrift bewaard gebleven) de Utrechtse bisschop weliswaar zijn 'heer' - hij blijkt in 1245 (0B Sticht II no. 1060, 12 december 1245) diens ministeria
lis te zijn -- maar hij meent toch reden te hebben steun te zoeken bij de graaf van Gelre. Onder zijn allodiale bezittingen behoren twee sloten, nl. het huis te Goye en het huis Hagensteyn. Dit laatst
e draagt hij in 1251, als zijn huis te Gaspewerde, met het land binnen de buitenste singelgracht, op aan graaf Otto van Gelre om het daarna weer in leen te ontvangen en die graaf als leenman te dienen
tegen iedereen, uitgezonderd tegen de bisschop. Blijkens de lijst van leenmannen van de Gelderse graaf wordt hier het huis Hagensteyn bedoeld. Daarenboven werden nog twee hoeven land (64 morgen in de
ze tijd) opgedragen, die tussen het huis en den Rijn lagen. Het huis lag ten zuiden van de Lek, maar wij kunnen niet aannemen, dat de Lek hier "Rijn" genoemd zou worden, zodat men die 64 morgen land w
el elders zal moeten zoeken en wel aan de noordzijde van de Lek bij de Randdijk, ter plaatse waar de oude Rijntak de met de IJssel gemeenschappelijke bedding verliet, dwz. onder Eiteren. Giselbertus w
eet blijkbaar niet heel zeker of hij dit land wel aan Gelre màg opdragen, want uitdrukkelijk wordt gezegd, dat, mocht deze opdracht geen stand kunnen houden, andere goederen van gelijke waarde zouden
worden opgedragen. Indien het goed inderdaad onder Eiteren lag, dan zou dit vrij-eigen land in de vroegere gouw Isla et Lake gelegen hebben en zou hier kunnen doorschemeren, dat de oude strijdbijl n
og niet begraven was. Nog een klein, maar tekenend feit, dat in die richting wijst, valt te vermelden. De 22sten november 1252 (RAU. St. Narie. Inv. no. 766) oorkondt Giselbertus, dat hij reeds een ti
ental jaren door blinde hartstocht
gedreven, het kapittel van S. Marie te Utrecht overlast had aangedaan in het rustig bezit van de novale tienden in de buurschappen Halten (Houten), Luric
h (Loerik), Westerhem, Oesterhem, over den Nieuwen Dijk en in zekere waard, Dennenwerth of Grevenwerth, genaamd. Integenwoordigheid van oa. bisschop Hendrik verklaart hij nu geen enkel recht op die t
ienden te hebben, want dat zij rechtens aan de kerk van St. Marie toebehoren. Uit de beschrijving blijkt, dat dit juist die tienden waren, waarvan zijn vader Walterus comes de Goie in 1227 afstand ged
aan had. De oorkonde wordt bezegeld door niet minder dan 18 getuigen, waaronder twee Amstels en Hermannus de Worden (Woerden). Het 19de zegel is van Giselbertus de Goye, die nog géén ridder is en da
n ook zegelt met een ander zegel dan later, toen hij deze titel wèl voerde. Dit oudst bekende Goye-zegel vertoont een zéér opmerkelijke bijzonderheid. Het is zéér groot (niet minder dan 63 mm. in
diameter) in groene was en aan de rand ten dele geschonden. Ter linkerzijde is in het randschrift van het zegelstempel, vóór het woord "de Goye" een woord uitgestoken, in de wasafdruk is dit nog du
idelijk waar te nemen, hoewel deze ter plaatse geschonden is. Buchell, die in de eerste helft der 17de eeuw dit charter copieerde en het zegel dat toen nog ongeschonden was, natekende, geeft in die te
kening de gehele lengte van hetuitgestoken woord weer. Die lengte komt nauwkeurig overeen met de ruimte, die nodig zou zijn voor een woord 'militis' of 'comitis'. Miles was Giselbertus evenwel in 125
2 nog niet, dus is vermoedelijk het woord 'comitis' uit het zegelstempel verwijderd en heeft er gestaan: "+Sigillum Ghiselberti comitis de Goye", waarvan thans nog over is: "+Sigillu. Ghi . . xxxxxxxx
deGoye". Daaruit zou volgen, dat hij zich in die tijd nog tot de titel 'comes' gerechtigd voelde en deze ook poogde te voeren, maar vermoedelijk, na gerezen verzet (van de bisschop?), genoodzaakt we
rd dat woord te doen verwijderen. Het is mogelijk, dat hierin de oorsprong te vinden is van een mededeling bij Anth. Matthaeus. Veteri aevi analecta V. pag. 631 (Anno 1738), waar heer Gijsbrecht van d
en Goye genoemd wordt als vierde landcommandeur en als zoon van heer Gisebrecht (sic) grave van den Goye. Nimmer is ons elders een 'graaf' van die naam voorgekomen, zodat het uitgesloten geacht kan wo
rden, dat de landcommandeur, wat Giselbertus later inderdaad geworden is, het zegel van zijn vader, die immers Wolterus heette, zou hebben gebruikt, na te hebbendoen verwijderen, wat niet voor hem pa
ste. De vermeldingen van Giselbertus: ca. 1242: In de oorkonde van 22 november 1252. Zie hieronder. 1245 dec. 12: Gijsselbertus de Goye, ministerialis van bisschop Otto III, vermeld bij de overdrach
t van een bisschoppelijk leen van Ghyselbertus de Amestelle ( 0B Sticht II no. 1060). 1248 febr. 5: Giselbertus de Goy krijgt van bisschop Otto III vergunning om een leengoed, gelegen op Hindensprun
c (bij het huis Goye) en vroeger in leen gehouden door Gerardus de Ultra Vegth miles, maar door deze in 1247 aan het Duitse Huis verkocht, thans aan dat Huis te Utrecht over te dragen (OB. Sticht II,
no. 1160). 1251 Dec. 28: Ghiisselbertus de Govengoye draagt zijn huis bij Gaspewerde (huis Hagestein) en zijn gehele binnen de grachten gelegen allodium op aan graaf Otto van Gelre om het weder van
hem in erfleen te ontvangen en de graaf daarmede tegen iedereen, behalve tegen zijn heer debisschop van Utrecht, te dienen. 1252 april 14: Giselbertus de Goye verkoopt aan het kapittel van St. Pieter
te Utrecht grove en smalle tienden in Aldwich (Oudwijk), die hij in leen hield van de Domproost, aan wie hij daarvoor andere goederen had opgedragen. Zijn moeder Rixa, die de lijftocht aan deze tiend
en bezat, doet daarvan nu ook afstand. Onder de getuigen komt voor Walterus, zijn jongere broeder (RAU. St. Pieter, Inv. no. 343). 1252 nov. 22: Giselhertus de Goye bekent reeds ongeveer 10 jaren het
kapittel van St. Marie te Utrecht te hebben gestoord in het rustig bezit zijner tienden in Halten, Lurich, Westerhem, Oesterhem, over de Nieuwen Dijk en in een zekere waard, Dennenwerth of Grevenwert
h, genaamd. Hij erkent deze tiendenten onrechte in bezit te hebben genomen en doet thans met zijn broeder Walterus daarvan afstand ten behoeve van het kapittel. Waltcrus verklaart geen eigen zegel te
hebben en getuigt onder het zegel van zijn broeder Giselbertus en de andere zegelaars (RAU. St. Marie. Inv. no. 766). 1254 febr. 22: Giselbertus onder de Ridders, getuige voor bisschop Henricus bij d
e beslechting van een geschil tussen de ridders Johannes en Adam de Loehorst (Ant. Matthaeus: De rebus Amersfortensibus, pag. 198). 1255 Mense Aprili: Ghiselbertus de Goy miles getuige voor Henricus
de Lecka, miles, als deze van het kapittel van St. Marie te Utrecht in erfpacht neemt de tol te Smithuysen en de Curtes van Ewijk en Malbergen (OB. Gelre en Zutphen, no. 769). 1255 sept. 4: Giselbert
us de Goye miles is consanguineus van de kanunnik Ghiselbertus de Amestelle (RAU. St. Marie, Inv no. 1647). 1257 juni 12: Dominus Ghilebertus de Goie en Ghilebertus de Hamestellemoeten ingevolge het
vredesverdrag tussen de bisschop en de stad Utrecht enerzijds en Floris Voogd van Holland, Gijsbrecht van Aemstel ea. anderzijds, met 500 man, blootsvoets en in boetekleed gehuld zondag 17 juni in de
Domkerk op hun knieën de bisschop nederig om vergiffenis komen vragen voor het gebeurde, de bisschop trouw beloven en hem als hun heer erkennen (RAU.Arch. Biss., Inv. no. 419). 1258 april 10: Theo
dericus de Altena, proost van Oudmunster geeft 5 november 1298 een vidimus van een brief van 10 april 1258 waarbij de Domdeken Petrus metJacobus kanunnikkameraar van Oudmunster en Dominua Ghiselbertu
s bone memorie Dominus de Goye miles als scheidslieden uitspraak deden in kerkelijke geschillen tussen de plebanen en de parochianen van Gaspewerden en de parochianen van Tulle. In de oorkonde van 125
8 wordt hij genoemd: Ghiselbertus miles de Gove Dominus (RAU. Dom., Inv. no. 954). 1258 mei 5: Giselbertus deGoye onder de ridders borg voor bisschop Henricus inzake het vredesverdrag tussen hem en O
tto graaf van Gelre. Met hem en in volgorde na hem worden als borgen genoemd de ridders Hubertus (de Bosinchem) Pincerna (schenker) en Sguederus (de Bosinchem) marescalcus van de bisschop(beide laatst
en waren zoons van de ridder Stephanus de Bosinkem, Pincerna en van diens vrouw Domina Ava (OB. Gelre en Zutphen, no. 807). 1259 Maart 17: De ridder Giselbertus de Goy en om. de ridder Gerardus de Ame
stelle borgen voor Arnoldus junior de Wesemale. Onder deze oorkondehangt het ridderzegel van Giselbertus de Goy. 1259 juli 21: Gvselbertus de Goye is met enige andere ridders getuige voor de ridder T
heodericus de Pascua (van der Weyden) bij een schenking aan het Duitse huis te Utrecht. Gyselbertus de Goye zegelt hier wederom met zijn ruiterzegel, dat echter zeer geschonden is. 1259 nov. 7: Gijsel
bertus de Goye miles. Bisschop Hendrik van Vianden keurt de overdracht goed van de grove en smalle tienden in Seyster hoever (Zeister oever tussen Bunnik en Zeist) en in Eygen en in Kroost in de paroc
hie van Zeist, die Gijselbertus van de bisscho in leen hield en verkocht had aan het Convent van Oestbroeck, mits hij ter compensatie aan de bisschop afstaat enig allodiaal land, nl. 13 morgen land na
ast zijn huis in Goye, waarvan 8 morgen palen aan de weg naar zijn huis in Goye en 5 morgen, die hij gekocht heeft van Spieringus de Goye, benevens 2 hofsteden, waarin eertijds de kapel van zijn huis
in Goye stond (RAU. Kl. Kapittelen en Kloosters. Inv. no. 530, Cartularium Convent van Oostbroek, fol 11). 1261 nov.13: Giselbertus miles dictus Dominus de Goye. Bisschop Henricus beschikt over zijn
goed in Bulhorn, in de parochie Hauten gelegen, in de jurisdictie van Giselbertus ridder gezegd heer van Goye (RAU. St. Marie, Inv. H.S. no. 1227). 1265 april 21: Gisilbertus de Goiemarschalcus van
bisschop Hendrik van Vianden komt als derde voor onder de getuigen, die vermeld worden als milites et ministeriales, als de bisschop aan schepenen, raden en gemeente vanZwolle toestaat aldaar een paa
rdenmarkt te houden en aan alle bezoekers daarvan vrijgeleide geeft. 1265 juli 6: Giselbertus de Goie vermeld als marescaleus van de bisschop. Hij is ridder (RAU. Inv. HS. no. 334, fol 4). 1265 juli
27: Giselbertus de Goye ridder met Giselbertus de Amestelle ridder ea. vanwege de bisschop scheidslieden om de nog bestaande of te ontstane geschillen te beslechten na de vrede, gesloten tussen de bis
schop en Otto graaf van Gelre (OB. Gelre en Zutphen. no. 882). 1265 oktober 16: Giselbertus de Goey marscalcus noster genoemd door bisschop Hendrik van Vianden. 1266 febr. 2: Giselbertus de Goye marsc
alcus van bisschop Hendrik van Vianden vermeld als eerste onder de milites et ministeriales getuigen voor de bisschop. 1268 juli 28: Frater Ghiselbertus quondam Dominus (de) Goye met enige andere ridd
ers en de knaap Otto dictus Proys als scheidslieden gekozen door de ridder Hubertus de Everdinghen en de knaap Arnoldus Snoye enerzijds en de knaap Walterus de Goye anderzijds om al de tussen partijen
gerezen geschillen te beslechten (ARA. Holl. Leenk. no. 30 (E.L. 32) fol 84v). 1269juli 24: Gijselbertus dictus de Goye frater Domus theutonice Traiectensis met Gijselbertus dictus de Amestelle Can
onicus ecclesie beate Marie Traiectensis scheidslieden vanwege Johannesde Arkle famulus en Otto dictus de Arkle miles om hunne geschillen met het Domkapittel te Utrecht over de tienden en andere rech
ten in Osterwiic (Oosterwijk) en Hokelhem (Heukclom) bij te leggen (RAU. Dom.. Inv. no. 953). 1270 febr. 3: Gilbertus de Goye Commendator et frater Domus Theutonice iuxta Traientum en de overige broed
ers verbinden zich om aan de gift van een hunner medebroeders een bestemming te geven. (1271) XV(II) Kal. Aprilis (= Maart 16). Obiit Dominus Ghiselbertus (RAU. Inv. HS. no. 358 iii fol 114; Kalenda
rium St. Servaas, alwaar hij vergissing XV in plaats van XVII Kal. April). 1271 juli 19: Walterus de Goye famulus oorkondt te hebben overgrdragen aan het Duitse huis bij Utrecht voor 88 ponden Utrecht
s enige landen in het Gooi door wijlen zijn vader Dominus Giselbertus frater et Commendator
quondam Domus beate Marie Teutonicorum Traiectensis aan het huis beloofd. 1288 juli 13: Mabili
a weduwe van Giselbertus quondam Dominus de Goye miles beschikt bij testament over de opbrengst van haar huis in de immuniteit van St. Maarten om na haar dood memoriediensten te laten doen in de Dom t
e Utrecht voor haar eerste echtgenoot heer Godcscalcus de Merwede, haar tweede echtgenoot Giselbertus de Goye en voor haar zelf. Voor haar zegelen Johannes de Herkeleridder en haar zoons Johannes en
Daniel van der Merwede. Afschrift met twee nagetekende zegels: van de ridder Johannes de Arkel en van Daniel (van der Merwede) (RAU. Inv. HS. no. 361. Dl. VIII, fol 104v en Inv. HS. no. 344, fol 76).
Notes
Vermeld 1242/71, ridder 1252/54, ministeriaal, maarschalk van de bisschop van Utrecht aan deze zijde van de IJssel 1265/67. Wordt later - na afstand gedaan te hebben van zijn goederen - br
oeder van het Duitse Huis 1266/68, landcommandeur van het Duitse Huis 1269/70. Hij hertrouwt Mabelia van den Berghe, weduwe van Godschalk v.d. Merwede. [In 1259 wordtvoor het eerst in een oorkonde me
lding gemaakt van het huis Ten Goye, bij Houten, als Ghiselbert met de bisschop van Utrecht grond ruilt aan de weg naast zijn huis. Volgens van der Aa zou het huis reeds in 1126 bekend geweest zijn te
n tijde van Wilhemus de Opgoye, graaf in Isla en Lake].
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Dominicus Giselbertus (Ghiselbertus) Uten Goye | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Mabilia van Arkel (van de Lede) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Toegevoegd door een Smart Match te bevestigen
Stamboom op MyHeritage.com Familiesite: Dijkstra - Santman Web Site Stamboom: Joyce Maart 2012
Toegevoegd door een Smart Match te bevestigen
Stambomen op MyHeritage
Familiesite: van Beek Web Site
Familiestamboom: 174954262-1