Een baer voor Reijck Hndricxs de Ruijdt op de hoeck van de Lomberdebrugh
(1) Er ist verheiratet mit Adriaentje van RATINGEN.Quelle 3
Die Eheerklärung wurde am 3. April 1650 zu Dordrecht gegeben.Quelle 4
Sie haben geheiratet am 19. April 1650 in Dordrecht.Kind(er):
(2) Er ist verheiratet mit Elisabeth van VLISSINGEN.Quelle 5
Die Eheerklärung wurde am 18. März 1668 zu Dordrecht gegeben.Quelle 6
Den 18 Martii 1668Sie haben geheiratet am 2. April 1668 in Rotterdam.
Ryck Hendrikse weduwnaar van Dordregt, woon by de Lombarde brug
met
Lysbeth Sanders, j.d. woon tot Rotterdam
Kind(er):
Witstokmaker of Witrokmaker en Bostelmaker
Witstokmaker is een beroep dat in Delft en Dordrecht voorkwam.
In het overzicht met Historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse taal wordt een witstok als volgt omschreven:
een stok, waarmee een gemetselde muur (vóór het echte pleisterwerk) meteen laagje kalkspecie wordt bedekt om de poriën te vullen. (HEXHAM [1678])
Dienvolgens zo dient aangemerkt te worden de noodzakelykheid van het vertinnen, dat is, dat met de Witstok de gedroogde deelen met water besprengt worden, en als dan die bevogtigde plaatsen met kalk doen volrapen,waar door de deelen tot de werkdaad van aaneen-hegting bereid worden, REDELYKHEID, Verh. Mets. 128 [1755].
Het is heel aannemelijk dat een witstok een soort kwast is. De in Dordrecht gevonden witstokmakers, Hendrick Rijcken van der Ruijt en zijn zoon Rijck Hendricksen van de Ruijt, zijn in de 17e eeuw ook vermeld als schuijermaker (schuier is een borstel met korte steel of zonder steel) en borstelmaker.
Volgens het beroepsnamenboek van Glasbergen zou het een variant kunnen zijn op witrokmaker. Een witrok was een witte jas, pij of een wit uniform. Ook kon het een doek zijn van goedkope, witte wol. Toch lijkt het vermoeden van Glasbergen onjuist want elke vermelding over dit ambacht handelt over een witstockmaker en nergens over witrokmaker. Daarmee lijkt een lees- of transcriptiefout uitgesloten. Bovendien onderbouwt Glasbergen zijn vermoeden niet en lijkt hij het slechts te baseren op klankovereenkomst.
De paar witstokmakers die we in de Delftse archieven tegenkomen leefdenomstreeks 1600.
Eén van de Delftse witstokmakers was Jacob Jansz. Jacob woonde aan de Molslaan maar was afkomstig uit Middelburg. Op 20 juni 1593 trad te Delft hij in het huwelijk met Catalina Marcus uit Leiden. Een tweede witstokmaker heette Jan Jansz, hij woonde eerst in de Kloksteeg maar wordt later genoemd in de Jacob Gerritstraat en de Pontemarkt (Brabantse Turfmarkt). Dit doet het vermoeden rijzen dat hij nabij de hoek Gerritstraat/Turfmarkt woonde.
Gezien het patroniem zouden Jacob en Jan broers geweest kunnen zijn. Dit maakt het waarschijnlijk dat hun vader, Jan senior, ook witstokmaker was en zijn zoons het vak geleerd heeft. In het ORA (1648) vinden we Marinus Willemsz van Menichte die op de Markt woonde.
Opvallend is dat Marinus afwisselend witstokmaker en bostelmaker wordt genoemd. Door deze vermoedelijke schrijffout is lange tijd gedacht dat het beroep te maken had met bostel. Bostel is een afvalproduct van bierbrouwerijen waaruit veevoer gemaakt werd en wordt. Het heeft een wittige kleur.
In ieder geval was het een ambacht waarmee slechts weinigen hun brood konden verdienen, want de witstokmakers zijn op de vingers van één hand te tellen. En bovendien was het medio zeventiende eeuw uitgestorven.
Großeltern
Eltern
Geschwister
Kinder
Rijck van de RUIJT | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1650 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Adriaentje van RATINGEN | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1668 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Elisabeth van VLISSINGEN | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||